Kloof tussen wettelijke en feitelijke pensioenleeftijd het grootst in België

(tijd) - Het verschil tussen de officiële (65 jaar) en de feitelijke pensioenleeftijd (circa 58 jaar) is bij de groep van de 30 belangrijkste industrielanden nergens groter dan in België. Dat blijkt uit cijfers die Donald Johnston, de secretaris-generaal van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), donderdag in Brussel toonde.

De topman van de OESO sprak over de gevolgen van de vergrijzing. Uit de grafieken die hij gebruikte blijkt verder dat de gemiddelde Belg meer dan de helft van zijn leven studeert en gepensioneerd is. In geen enkel OESO-land is dit langer.

'De 21ste eeuw kent twee grote uitdagingen: de klimaatverandering en de demografie.' Johnston schoof enkele oplossingen naar voren om de vergrijzing tegen te gaan. Geen ervan is een 'wondermiddel.' Mensen langer aan het werk houden is de 'allerbelangrijkste' manier om onze pensioenstelsels overeind te houden. De pensioenleeftijd van 65 jaar dateert uit de 19de eeuw, toen 65 jaar ook de levensverwachting was. Nu leven we een pak langer, maar gaan we vroeger met pensioen. Het argument dat veel mensen zware arbeid verrichten en daarom niet meer jaren kunnen werken, gaat niet op, omdat 'wij tegenwoordig kenniseconomieën zijn', sprak Johnston.

Meer immigratie kan 'hoogstens een beetje helpen.' Johnston wil vooral meer kinderen geboren zien worden. In de rijke landen ligt het aantal kinderen per gezin al minstens 20 jaar onder het vervangingspeil van 2,1.

Johnston denkt dat de industrielanden weinig andere keus hebben dan de pensioenuitkeringen te verlagen, willen zij de pensioenstelsels overeind houden. Pensioenen van ongeveer of meer dan 90 procent van het gemiddeld verdiende loon, zoals in Spanje, Italië en Oostenrijk, zijn 'niet houdbaar.'

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud