Moslimorganisaties in Spanje voelen zich beter begrepen

(tijd) - Vier explosies markeerden op 11 maart 2004 een tragisch omslagpunt in de Spaanse samenleving. De verhoudingen tussen Marokkaanse immigranten en Spanjaarden werden zwaar op de proef gesteld. Maar anders dan na de moord op Theo van Gogh in Nederland werden geen moskeeën in brand gestoken en kwamen er geen dreigbrieven binnen bij imams en politici. Er ontstond hooguit een sfeer van wantrouwen tegenover de Marokkaanse gemeenschap. De enige echte polarisatie voltrok zich in de politiek, waar centrumrechts het slachtoffer is geworden van zijn eigen dogmatische waanideeën.

'Er waait een frisse wind. We voelen ons beter beschermd en begrepen.' Met die woorden geven vertegenwoordigers van moslimorganisaties in Spanje aan dat er met de komst van de socialistische regering een betere verstandhouding is gekomen tussen moslims en christenen in Spanje. 'We spreken elkaar nu bij daglicht. Vroeger, in de tijd van Angel Acebes (de vroegere minister van Binnenlandse Zaken onder ex-premier José María Aznar) zagen we elkaar alleen als het donker was', zegt Riay Tatary, de van oorsprong Syrische leider van de moslimgemeenschap in Madrid, in het dagblad El País.

Uit de commentaren in moslimkringen valt af te lezen dat de verhoudingen tussen de islamitische groeperingen in Spanje en de centrumrechtse regering, die acht jaar aan de macht was, veel te wensen over lieten. Dat moet vooral worden geweten aan de contrareformatie van Aznar, die het meest conservatieve gedachtegoed voor de Spaanse samenleving hoog op de politieke agenda had gezet. Met de komst van José Luis Rodríguez Zapatero is dat veranderd. De Spaanse moslims hebben vooral goed nota genomen van het voorstel van de socialistische premier op de kansel van de Verenigde Naties om te werken aan een alliantie tussen de wereld van de islam en de westerse wereld.

Dat het sinds 11 maart niet tot gewelddadige confrontaties is gekomen, moet aan meerdere oorzaken worden toegeschreven. Weliswaar telt Spanje 700.000 moslims, van wie er 500.000 uit Marokko komen. Maar in geen enkele grote stad is de concentratie aan immigranten zo hoog dat er na de aanslagen spanningsvelden zijn ontstaan in scholen, buurthuizen of op straat. De integratie van immigranten in het algemeen laat bovendien minder rimpels na in Spanje dan in de Lage Landen. Veel immigranten uit Noord-Marokko (ooit een Spaanse kolonie) spreken nog wel wat Spaans. Voor de meer dan één miljoen immigranten uit Latijns-Amerika is het Spaans zelfs hun moedertaal.

De aanslagen van 11 maart verhoogden wel het spanningsveld. Marokkanen worden nog altijd met scheve ogen aangekeken in treinen, vooral als ze een zwaar wegend rugzakje bij zich dragen. Marokkaanse kinderen moeten op school keer op keer herhalen dat ze het geweld afzweren en dat hun ouders geen terroristen zijn. Om het vertrouwen te herstellen komt koning Mohammed VI vandaag naar Spanje om aan te geven dat Marokko oprecht streeft naar goede verstandhoudingen met het buurland en daarmee met Europa.

Intussen prediken de islamitische organisaties in Spanje een boodschap van optimisme en hoop. Refererend aan het feit dat bij de aanslagen in Madrid acht moslims om het leven kwamen, is alle gelovigen meegedeeld dat 'de islam het voornaamste slachtoffer is van de terroristische aanslagen door groepen die zich ten onrechte moslims noemen'. De imams danken de Spanjaarden voor het getoonde begrip en waarschuwen ervoor dat terroristische moslims geëxcommuniceerd zullen worden. 'De bescherming van het menselijke leven is een fundamentele waarde van de koran', klinkt het.

Dat 11 maart toch tot polarisatie heeft geleid, is het gevolg van de politieke verhoudingen in Spanje. Sinds centrumrechts drie dagen na de aanslagen onverwacht naar de oppositiebanken werd verwezen, viert het opportunisme hoogtij bij de Partido Popular. Ter wille van de polemiek wordt alles wat de regering-Zapatero doet, denkt en zegt in een kwaad daglicht gezet.

22874235

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud