'Uitbreiding EU heeft steeds meer negatieve effecten op Vlaamse economie'

LEUVEN (tijd) - De aanloop naar de uitbreiding van de Europese Unie naar het oosten, is voor de Vlaamse economie eerder heilzaam geweest. Maar die positieve trend lijkt de jongste jaren gekeerd. Vooral in gevoelige sectoren komen de werkgelegenheid en de concurrentiekracht van onze bedrijven in het gedrang. Dat zegt Filip Abraham, professor internationale economie en decaan van de faculteit Economie van de KULeuven.

De uitbreiding van de Europese Unie lokt erg verdeelde reacties uit. Sommigen hangen een zeer negatief beeld op van de economische gevolgen, anderen zijn dan weer optimistisch. In welk kamp hoort u thuis?

Filip Abraham: 'Als je de gevolgen bekijkt van de integratie van Oost-Europa tot nu toe, is de balans redelijk positief. We hebben al veel voordeel gehaald uit de opening van de Oost-Europese markten, bedrijven hebben hun export naar die landen uitgebreid en operaties gestart in de nieuwe landen. Als je de algemene studies mag geloven, heeft de uitbreiding eerder jobs opgebracht. Maar het nettoaantal jobs dat erbij kwam, is in vergelijking met de totale werkgelegenheid erg klein: minder dan een half procent van de werkgelegenheid in Vlaanderen. Er zijn echter grote verschillen naargelang de sector.'

Welke sectoren hebben het meest voordeel gehaald uit de integratie van Oost-Europa?

Abraham: 'Traditioneel hebben vooral de hooggeschoolde en technologische sectoren geprofiteerd van de integratie. Niet alleen de industrie, maar ook de dienstensector is serieus geëxpandeerd naar Centraal- en Oost-Europa. Denk maar aan de banken, consultancy en typische 'headquartersdiensten', zoals managementservice van een moederbedrijf, of hulp voor licenties of wetenschappelijk onderzoek bij het opstarten van dochterbedrijven. Sectoren waar arbeidskosten een grote rol spelen, hebben veel meer te lijden gehad van de open grenzen. De transportsector, meer bepaald het vrachtvervoer, heeft negatieve gevolgen ondervonden van de uitbreiding. Nederland, dat aanwezig is in hooggespecialiseerde transportdiensten, heeft het veel beter gedaan.'

De meeste van die studies baseren zich op cijfers voor het jaar 1999 of 2000. Wat kunnen we zeggen over recentere jaren?

Abraham: 'Voor de jongste jaren beschikken we niet over dezelfde gedetailleerde studies. Wel hebben we getracht de vinger aan de pols te houden. De teneur van wat ik opvang, is minder positief dan voorheen. De uitbreiding wordt nu meer gezien als uitdaging of bedreiging, en minder als een kans om nieuwe markten te ontsluiten. Sommige bedrijven verhuizen een deel van hun productie naar Centraal- en Oost-Europa. Voor Vlaanderen is die dreiging van jobverlies reëel in een aantal kernsectoren, zoals de auto-industrie, de machinebouw en elektronica. Misschien is de balans intussen al negatief geworden. Toch is het niet zo dat die uitbreiding voor een sociaal bloedbad zal zorgen. Economisch stellen de nieuwe EU-landen niet veel voor. Samen zijn ze ongeveer even groot als de Benelux. Er verdwijnen nog altijd meer jobs naar Duitsland en Frankrijk dan naar de nieuwe EU-landen.'

Kan die uitwijking van productieactiviteit nog voordelen opleveren?

Abraham: 'Er zijn twee belangrijke redenen voor uitwijking. De eerste, aanwezig zijn op groeiende markten, was belangrijk in de jaren negentig, maar is nu fel afgezwakt. De tweede reden is een kostenvoordeel: lagere kosten. Die tweede reden neemt toe aan belang. Al is de vraag voor hoelang. Als je de loonkosten corrigeert voor de productiviteit, is het voordeel lang niet meer zo groot of zelfs onbestaande geworden. Studies van ons departement wijzen uit dat Polen nu al gemiddeld niet meer goedkoper is dan België. En voor landen als Tsjechië en Hongarije is het verschil niet meer zo groot. Bedrijven die voordeel willen halen uit lagere loonkosten, verhuizen eerder naar China of India. Maar de nieuwe landen beschikken over uitstekend opgeleide ingenieurs, over knowhow en hebben een lage vennootschapsbelasting. Dat maakt hen aantrekkelijk voor bedrijven.'

Elk van die nieuwe lidstaten lijkt zich te spiegelen aan het Ierse voorbeeld van extreem lage belastingen voor ondernemingen.

Abraham: 'Als iedereen het Ierse model volgt, ga je mekaar de kaas van het brood eten tot op zekere hoogte. Maar niets in de Europese wetgeving verbiedt lidstaten dit soort fiscale gunstmaatregelen, zoals een vennootschapsbelasting van 5 of 10 procent. Zolang je maar geen specifieke groepen ondernemingen bevoordeelt.'

Maar de overige landen staan daar machteloos tegenover.

Abraham: 'Ja, tenzij België zelf de vennootschapsbelasting vermindert. Dat is een politieke beslissing. Op korte termijn kan die concurrentie voor België pijnlijk zijn. Op lange termijn is het natuurlijk de beste oplossing dat die landen snel hun inkomen verhogen. De bedoeling is toch dat die nieuwe landen hun achterstand tegenover de rijkere landen verminderen. Anders belanden ze in hetzelfde schuitje als Zuid-Italië, waar Europa voor eeuwig en altijd geld moet blijven inpompen.'

De nieuwe concurrentie zal dus tegen onze ondernemingen spelen.

Abraham: 'Er is zelfs meer. Sommige bedrijven van ginds zullen in onze thuismarkt rechtstreekse concurrenten worden. De Limburgse bouwsector heeft daar onlangs al over geklaagd. Dit soort noodkreten zullen we de volgende jaren meer horen. Er zijn in de toetredingsverdragen wel beperkingen opgenomen op het vrij personenverkeer voor twee tot maximum zeven jaar. Maar zelfs met die beperkingen kan je niet vermijden dat bedrijven van ginds hier komen opereren met Poolse werknemers. Of dat Belgische bedrijven Poolse bouwvakkers rekruteren via een Poolse dochter om hier werk te komen uitvoeren. Bovendien ga je merken dat producten als auto's en elektronica, die ginder geproduceerd werden, steeds vaker hier op onze markt verkocht worden. Dat is goed voor de consument, maar minder goed voor de werkgelegenheid in België.'

Zijn die beperkingen op het vrij verkeer van werknemers een slechte zaak?

Abraham: Voor mij is dat een achterhoedegevecht. Destijds, met de toetreding van Portugal, werden gelijkaardige voorzorgsmaatregelen getroffen. Al snel bleek dat ze niet werkten en daarom werden ze afgevoerd. Ik pleit voor een proactieve houding, zeker in knelpuntsectoren. We moeten de goede werknemers van daar naar hier halen. Nederland rekruteert bijvoorbeeld Poolse verpleegsters. Ik zie niet in waarom wij dat niet doen. Zodra de recessie voorbij is, doen we daar beter aan mee. Die proactieve houding heeft ook het voordeel dat je de mensen die hier al zijn, in een wit circuit terugbrengt.'

Precies de vrees voor horden werknemers uit de nieuwe lidstaten ligt aan de basis van de beperkingen op het vrij verkeer van werknemers.

Abraham: 'Die horden zullen wel meevallen. Recente studies spreken van maximum 200.000 tot 500.000 inwijkelingen jaarlijks uit de nieuwe lidstaten de eerste jaren. Dat komt neer op een groei van de beroepsbevolking met 1 tot 2 procent in een tiental jaar. Van buiten de Europese Unie komen er jaarlijks 1,5 miljoen werknemers bij. Dat is driemaal zoveel. De ervaring van vroegere uitbreidingen leert dat de stroom zich na verloop van tijd ook omkeert. De mensen gaan terug wanneer de economische groei in die landen versnelt. Europeanen hebben graag een job dicht bij huis. De migrant uit de nieuwe lidstaten is een hoogopgeleid persoon, ongehuwd en zonder kinderen. Dat baart de nieuwe lidstaten ernstige zorgen. Zij spreken van een brain drain, een hersenvlucht naar de oude lidstaten en ik kan hen geen ongelijk geven. We zouden bij ons beter van een brain gain spreken in plaats van de onheilsboodschappen over een vloedgolf van migranten.'

Kan het beleid bijsturen?

Abraham: 'Al bij al mogen we die migratieproblematiek niet onder tafel vegen. Maar te vaak heeft de reactie iets weg van paniekvoetbal. De defensieve houding in ons land zou wat meer plaats moeten ruimen voor een proactieve houding. We gaan er toch niet aan ontsnappen, of we het nu graag hebben of niet: de uitbreiding komt er. Men spreekt al zoveel jaren over de hervorming van de arbeidsmarkt in België. Die moet nu eindelijk eens gebeuren. Niet voor niets hameren alle nationale en internationale instellingen steeds op dezelfde punten. Het proces van uitbreiding en globalisering versnelt enkel een aantal zaken die moeten gebeuren.'

Toch blijft de uitbreiding een ver-van-mijn-bedshow.

Abraham: 'De uitbreiding is een zeer complexe zaak. In dit soort discussies wordt gemakkelijk gefocust op de punten waarvan men schrik heeft. Ik vind dat er geen referendum nodig is over dit soort zaken. Je hebt hier in een democratie een parlement voor. Ik ervaar het wel als een democratisch tekort dat belangrijke Europese zaken ternauwernood in het parlement werden besproken. Te vaak wordt de zwartepiet doorgeschoven naar de Europese instellingen. Ook de lidstaten moeten in de EU-raad en het Europees Parlement hun goedkeuring geven aan de EU-wetgeving. Maar het echte debat over Europese wetten gebeurt bij de omzetting van EU-regels, op het ogenblik dat het kalf al verdronken is.'

Ziet u de nieuwe lidstaten snel bij de eurozone komen?

Abraham: Ik ben niet overtuigd dat de landen die er klaar voor zijn, zoals Estland, ook twee jaar zullen wachten om de euro in te voeren. Wat houdt hen tegen om in tussentijd de eigen munt te schrappen en op de euro over te stappen? Ook Griekenland is destijds via een achterpoortje versneld de eurozone binnengehaald. Er is een duidelijke verandering tegenover een paar maanden geleden. Enkele landen wilden aanvankelijk snel bij de euro, maar maakten intussen een bocht. Nu is de regel: we zien wel binnen enkele jaren, als inflatie en begrotingstekort onder controle zijn. Ook de schrik voor Oost-Duitse toestanden zit er dik in: de vrees dat de waarde van de eigen munt veel te hoog wordt vastgelegd. Je kan daar vele jaren voor betalen.'

Wouter VERVENNE

21400674

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud