Waalse Unesco-mijnen zoeken geld

Blegny Mine nabij Luik: veel toeristen, weinig budgetten. ((c) Dieter Telemans)

Vier Waalse mijnen zijn door de Unesco uitgeroepen tot werelderfgoed. Bij die erkenning horen helaas geen budgetten. Wel eisen en verwachtingen. Een verhaal over zwart goud, beschermde arbeidershuisjes en de belastingbetaler. 'We kunnen dit niet alleen.'

Reportage in Bergen, La Louvière, Marcinelle en Luik

Thomas Peeters

 

Of zijn huis in waarde zal stijgen nu het door de Unesco is beschermd? De werkloze Jacques Wilante fronst de wenkbrauwen en trekt de voordeur van zijn arbeiderswoning achter zich dicht. 'Bof. Nog niet over nagedacht. Maakt dat zo'n verschil dan?'

We staan op de stoep van de Rue Henri Degorge, genoemd naar de Franse stichter van Le Grand-Hornu. Jacques woont in een van de 450 mijnwerkershuisjes die Henri Degorge twee eeuwen geleden rond zijn kolenmijn liet bouwen. Verderop in de straat onderbreekt een kasteeltje in neoclassicistische stijl de rij arbeiderswoningen. Vroeger huisde de mijndirectie in het stijlvolle château, vandaag is het een opleidingscentrum voor mensen die werk zoeken in de technologiesector. Bergen, de Belgische thuishaven van Google en Microsoft, bouwt immers al jaren aan een eigen Silicon Valley.

De parel aan de kroon van de oude mijnsite is het Museum voor Hedendaagse Kunsten (MAC's), dat deze zomer zijn tiende verjaardag viert. Het MAC's was al heel lang de droom van het duo dat ons vandaag ontvangt in de chique kantoren van het museum: curator Laurent Busine en politicus Claude Durieux.

Durieux, fin-de-carrière als gouverneur van Henegouwen, is een oud-PS'er uit de stal van Elio Di Rupo. 'Mijn vader en grootvader waren mijnwerkers', verklaart hij. 'Ik zal nooit de tranen van mijn vader vergeten toen hij op de radio over de mijnramp in Marcinelle hoorde. In de jaren zestig was ik leraar in een schooltje in de buurt. De mijnsite lag er erg slecht bij. Toen is mijn hart beginnen te kloppen voor Le Grand-Hornu.'

Busine heeft nooit familie in de mijnen gehad. Maar als curator zag hij brood in de industriële archeologie als kader voor hedendaagse kunst. Vanaf de jaren tachtig werd Le Grand-Hornu sporadisch gebruikt voor kunst- en designtentoonstellingen en rondleidingen. In 1989 kocht de provincie Henegouwen de site met de hulp van de Koning Boudewijnstichting voor 125 miljoen frank. Toch duurde het nog tot 2002 voor het museum opende. Politieke overheden allerhande raakten in de jaren negentig verstrikt in het MAC's-dossier. 'Tot Elio Di Rupo in één vergadering de knoop ontwarde', aldus Durieux.

Niemand die vandaag tegenspreekt dat die zinderende politieke liaison met de Franstalige socialisten haar vruchten heeft afgeworpen. De reconversie van Le Grand-Hornu is wonderlijk geslaagd. De oude mijnsite lokt elk jaar zowat 70.000 betalende bezoekers, van wie een derde uit Vlaanderen. Maar: de motor sputtert. 'De eerste jaren hadden we 100.000 bezoekers', zegt Busine. 'Maar de Unesco-erkenning kan de boel weer aanzwengelen. Binnen enkele jaren willen we opnieuw 100.000 bezoekers halen. Dat moet lukken. Statistieken bewijzen dat buitenlandse toeristen zich sterk aangesproken voelen door zo'n Unesco- label.'

Maar dan moet de provincie Henegouwen, nog altijd eigenaar van de mijnsite, wel blijven investeren in Le Grand-Hornu. Unesco geeft geen frank voor de prestigieuze titel, maar de organisatie stelt wel eisen. In het geval van het mooiste mijncomplex van de Borinage: een grondige rehabilitatie van de kathedraal. Of wat daarvan overblijft. Vogels pikken al jaren gaten in het bakstenen gebinte van het kerkgebouw, en de afbrokkelende steentjes vormen een gevaar voor voorbijgangers. Maar wie gaat die renovatie betalen? 'We zullen geld moeten zoeken bij een van de Waalse overheden', zegt Durieux. 'Dat wordt niet gemakkelijk, ik weet het. Maar ze zullen ons moeten helpen.'

En dan zijn er nog de arbeidershuisjes. De Unesco heeft ze toch laten beschermen, ook al zat de VN-organisatie verveeld met het feit dat de wijk zich na een halve eeuw uit de geestelijke greep van de kolenmijn heeft losgemaakt. Na de sluiting van de mijn in 1954 werden de huisjes op de privémarkt gegooid, weliswaar met een voorkooprecht voor de mijnwerkers. Vandaag, drie generaties later, wonen in de wijk nog amper mensen die een familiale band hebben met de mijn. Met zijn focus op kunst, architectuur en technologie is Le Grand-Hornu een eiland voor hoogopgeleiden in een tot armoede vervallen regio met een werkloosheidsgraad rond 20 procent.

Om tegemoet te komen aan het verzoek van Unesco tot meer uniformiteit tussen het mijnterrein en de arbeiderswijk - 'Het is geen eis', benadrukt Durieux. - kunnen bewoners hun woning laten verven op kosten van Le Grand-Hornu. Ze mogen kiezen uit zes kleuren. Het verfproject startte een jaar geleden, maar tot nu ging slechts een handvol bewoners erop in. 'Waarom ook?', vraagt Jacques, als we afscheid nemen aan zijn voordeur in de Rue Henri Degorge. 'Zal dat iets aan mijn situatie veranderen?'

Bois-du-Luc

(Houdeng-Aimeries, 4 km van La Louvière)

Le petit poucet des quatre mines. Zo noemt onze gids Daisy Vansteene het mijndorp Bois-du-Luc op 4 kilometer van La Louvière. We staan in de bloedpomp van het Waalse steen- koolbekken. 'Als ik mijn hart hier niet was verloren, was ik al lang vertrokken. In de winter is het 12 graden in mijn kantoor. Soms lijken het de jaren zeventig wel: elektriciteitsproblemen, geen internet...'

Haar kantoor, dat is de directiestoel van het Ecomuseum in de Saint-Emmanuelmijn. De schacht torent krachtig boven het landschap uit. Maar in het museum is werk aan de winkel. In de voormalige directiekamer noopt het stof tot niezen. Het timmeratelier is al vijf jaar gesloten omdat de glazen dakpannen naar beneden vallen. 'We moeten hier filmploegen weigeren', klaagt Vansteene terwijl ze ons tussen de machines rondleidt. De paardenstallen worden evenmin gebruikt. Het dak staat op instorten. 'We zouden van de stallen een bedrijvencentrum kunnen maken. Maar dan zijn grondige renovaties nodig. Alleen: er is geen geld.'

Het kloppende hart van het Ecomuseum is een permanente expo over het leven van de mijnwerkers in de Saint-Emmanuelmijn. Het eerste woord dat ons te binnen schiet als we door de opstelling wandelen: sympathiek. Maar niet wereldschokkend.

Nochtans heeft Bois-du-Luc het potentieel om een pareltje te zijn. Het mijndorp is een toonbeeld van het paternalisme van de 19de-eeuwse mijndirecties tegenover hun kompels. Vanop het balkon van zijn villa - vandaag een socialehuisvestingsmaatschappij van de gemeente - kon de mijndirecteur alles zien: links de kantoren, stallen en ateliers, rechts de schacht en voor zich de mijncité.

Unesco liet de hele wijk beschermen. Met Daisy Vansteene wandelen we door de lege straatjes. Hier en daar hangen jongeren rond. De gele huisjes zijn allemaal sociale huurwoningen. Het schooltje waar de kompels hun kinderen naartoe stuurden, is nog in gebruik. In de Sint-Barbarakerk, die er ook nog staat, konden de kompels bidden. Dansen en feestvieren gebeurde in het hart van de cité, in een speciaal gebouwde feestzaal, aan de binnenkant een soort poor man's versie van de Gentse Vooruit.

'Arbeiders werden hier tegen de boze buitenwereld beschermd', zegt Vansteene. 'Alcoholisme was een plaag, dus probeerde men hen zo veel mogelijk uit de cafés te weren. In de feestzaal en de kerk kon de directie hen in de gaten houden en bleven de mijnwerkers uit het zicht van de vakbonden, die hen op café opjutten tegen de slechte werkomstandigheden in de put.'

Vansteenes verknochtheid aan het rijke verleden van het Waalse steenkoolbekken straalt van haar betoog af. Maar het vuur brandt almaar zachter. Le petit poucet kan het niet alleen. Met 10.000 bezoekers per jaar blijft het Ecomuseum - hét ecosysteem voor wie het hele mijndorp zorgvuldig wil bezoeken - ver onder de verwachtingen. De weinige subsidies dekken de werking onvoldoende. Er is meer geld nodig voor promotie en het onderhoud van het mijndorp.

'In erfgoedkringen in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland is Bois-du-Luc een begrip. In België zijn we allesbehalve sant in eigen land', zegt de museumdirectrice. 'De Unesco-erkenning komt niets te vroeg. Hopelijk is het een wakeup-call. Het Waals Gewest heeft hard gewerkt om de vier mijnsites bij de Unesco te promoten, maar het echte werk begint nu pas. Ik weet het: het is crisis en er is niet veel geld. Maar onze toekomst staat op het spel.'

Bois-du-Cazier (Marcinelle, 4 km van Charleroi)

Nee, dan hebben ze het in Marcinelle beter getroffen. Het klinkt cynisch, maar Bois-du-Cazier plukt nog elke dag de vruchten van de vreselijke mijnramp die op 8 augustus 1956 aan 262 kompels het leven kostte. Sinds de heropening in 2002 bezochten al 350.000 mensen de mijnsite. Bois-du-Cazier is dan ook een architecturale parel. De schachtblokken baden in een fraai stukje natuur. Het uitzicht op de top van de hoogste mijnterril, vlot bereikbaar langs een wandelpad, verrast door het groene karakter van de omgeving.

Een van de torens is integraal gewijd aan de mijnramp. Foto's, films en kunstwerken herinneren aan de brand. Een gedenkplek tussen de twee torens brengt een eerbetoon aan de slachtoffers. Er ligt nog een andere, historische laag onder de fraaie reconversie van Bois-du-Cazier. Daarvoor moet je in het Industriemuseum naast de schachtblokken zijn. Hoogovens en laadbakken voor staal en machines van Solvay tonen hoe de streek rond Charleroi véél meer was dan alleen een steenkoolgebied.

We feliciteren directeur Jean-Louis Delaet met de reconversie van Bois-du-Cazier. Hij zwaait hier al tien jaar de plak. Daarvoor werkte hij jaren als ambtenaar voor de stad, toen de PS'er Jean-Claude Van Cauwenberghe nog de lakens uitdeelde in Charleroi. Over het resultaat is Delaet erg tevreden, over de bezoekersaantallen veel minder.

'We waren in 2002 met steile ambities vertrokken. 50.000 bezoekers per jaar, dat moest lukken. Helaas zijn we daar alleen in 2002 in geslaagd, door de vieringen rond vijftig jaar mijnramp. Gemiddeld halen we 35.000 bezoekers per jaar. Voor liefhebbers van mijnerfgoed is de keuze groot in Wallonië. Mensen denken dat ze alles hebben gezien als ze in één mijn zijn geweest, terwijl de vier mijnsites totaal verschillend zijn. Bovendien straalt het negatieve imago van Charleroi sterk af op Bois-du-Cazier: een competitief nadeel tegenover de mijnen in de streek rond Bergen, die Di Rupo kunnen uitspelen als ambassadeur.'

Delaet heeft amper geld om promotie te voeren, zegt hij. De grootste hap uit zijn budget (van 1,5 miljoen euro, red.) gaat naar onderhouds- en personeelskosten. Ook hij rekent op extra inspanningen van het Waals Gewest. 'Zo'n internationale erkenning is fantastisch, maar we kunnen dit niet alleen dragen.'

Blegny Mine (18 km van Luik)

De baas van Bois-du-Cazier heeft gelijk: vier mijnen, vier werelden. Blegny Mine vaart duidelijk de meest 'commerciële' koers. Op topdagen bezoeken 1.500 mensen de mijn. Het merendeel komt naar Blegny voor de 'put'. Samen met een mijnterrein in Polen is Blegny de enige mijn met schacht op het Europese vasteland waar bezoekers ondergronds kunnen gaan.

Het is fijn toeven in de donkere diepte. Gids Roland was kompel in Winterslag, maar zijn grootvader heeft 33 jaar in Blegny gewerkt. Zijn rondleiding brengt ons 60 meter onder de grond. Dieper gaat niet, door het almaar stijgende mijnwater. Dat Blegny Mine zo zwaar op toerisme inzet, was meteen de bedoeling, zegt directeur Jacques Crul. 'De beslissing om de put als museum open te stellen was al twee jaar voor de sluiting genomen. In 1980 sloot de mijn. Hetzelfde team dat haar voor de laatste kompels openhield, ging daarna gewoon voort. Het voordeel was dat alle machines er nog stonden. De meeste andere mijnen werden na hun sluiting leeggeroofd. Blegny baadt het meest in de mijnsfeer van toen.'

Elk jaar dalen zo'n 95.000 mensen af in de mijn. Maar ook hier: zorgen. 'Voor Blegny is de Unesco-erkenning meer een plicht dan een cadeau', bekent Crul. 'Onze manier van werken zal grondig moeten veranderen. Bezoekers gaan hogere kwaliteitseisen stellen door het Unesco-label.' De Unesco vraagt ook om de druk van het toerisme te verlichten. Er moet meer aandacht zijn voor onderzoek, publicaties en educatieve programma's. Crul blaast. 'We hebben nu al moeite om onze archiefdienst en ons studiecentrum wat financiële slagkracht te geven.'

Daar is hij weer, voor de vierde keer in dit verhaal: de belastingbetaler. 'De Waalse regering kan misschien al eens beginnen met het aanstellen van één coördinator voor de vier mijnsites', zegt hij. 'Nu is er amper overleg. De kracht van de Unesco-erkenning schuilt net in de complementariteit tussen de vier mijnen. Je moet het als één getuigenis lezen over hoe Wallonië en België van fysionomie zijn veranderd tussen de Industriële Revolutie en de jaren tachtig.'

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect