Advertentie

‘Ervaringen maken je harder, niet milder'

Patrick De Maeseneire

Op zijn computer staat een lijstje met 20 ‘live by’s’, richtsnoeren waarnaar hij probeert te leven. Ze moeten hem helpen hoger en verder te geraken. Adecco-topman Patrick De Maeseneire, een van de zeldzame Vlamingen die het schopte tot aan de top van het internationale bedrijfsleven, laat weinig aan het toeval over. In zijn geliefde restaurant Hof Van Cleve vertelt hij over de ervaringen en inzichten die zijn leven tekenden. Confidenties van een onverbeterlijke perfectionist.

De nagels en de schoenen. Hij zegt het langs zijn neus weg. Op het terras van het Hof Van Cleve, waar we genieten van wat aperitiefhapjes die je liever zou inkaderen dan opeten. ‘Ik weet dat het maniakaal is’, zegt hij, ‘maar daar let ik op’. ‘Het is zelfs het eerste wat ik zie op een sollicitatiegesprek. Mensen vergeten dat. Ze komen in kostuum of in een mooi kleed, maar ze vergeten hun nagels en hun schoenen te verzorgen. Dat zegt dan genoeg, vind ik. Ik zet nooit een stap buiten zonder mijn schoenen te poetsen.’

Het klinkt inderdaad maniakaal. Maar Patrick De Maeseneire zegt het haast verontschuldigend, met een gemoedelijkheid die geen spaander heel laat van het beeld van de onverschrokken topmanager dat her en der van hem wordt opgehangen.

Het is een warme zomermiddag en het terras van het driesterrenrestaurant van Peter Goossens zit vol. Terwijl we ons een weg banen door het parcours van smaken dat op tafel verschijnt, vertelt de Aalsterse topman van het Zwitserse uitzendconcern Adecco over de dingen die hem drijven en leiden, en die hem brachten waar hij nu zit: aan de top van het internationale bedrijfsleven.

War room

Een handleiding voor de weg daar naartoe moet je van hem niet verwachten. Grootsheid en succes vallen niet te plannen, zegt De Maeseneire, die voordien zeven jaar aan het hoofd stond van de chocoladereus Barry Callebaut. Perfectie wel. En daar is hij dus maniakaal in. Het is ook wat hem zo aanspreekt in Peter Goossens. ‘Ik ken Peter al 15 jaar. Hij is als een bezetene bezig met zijn zaak. Je kunt je niet inbeelden wat voor een discipline hier heerst. Weet je dat hij op elke werkplek een camera heeft hangen? In zijn bureau boven heeft hij een groot tv-scherm waarop hij alles kan volgen. Precies een war room. ‘Patrick’, zegt hij dan, ‘als je op dit niveau werkt, mag je geen enkele steek laten vallen. Je mag geen seconde je aandacht laten verslappen’.’

‘Aan de top van het bedrijfsleven is het net zo. Nooit op je lauweren rusten. Altijd beter doen. In mijn bureau en op de plaatsen waar ik vaak verblijf, hangen pop-art schilderijen van Disney-figuren met daaronder de tekst: ‘You are only as good as your next picture.’ Dat was wat Walt Disney antwoordde toen zijn director hem bij de screening van Sneeuwwitje vroeg: ‘Well Walt, what do you think, isn’t this our best ever?’ Je moet je telkens opnieuw bewijzen. Ik heb aan een bevriende kunstenaar gevraagd schilderijen te maken van Disney-figuren met die slogan erbij. Omdat ik daaraan herinnerd wil worden, overal waar ik kom.’

Van Disney pikte De Maeseneire ook een ander levensmotto. Dat prijkt, sinds hij eind 2008 baron werd, op zijn wapenschild. If you can dream it, you can do it. ‘Voor mij betekent dat: willen, kunnen en durven. Akkoord, je moet geluk hebben met wat je kunt. Maar iedereen heeft een talent, wat het ook is. Je moet het lef hebben ervoor te gaan. Je moet je durven te smijten en soms eens een moeilijke weg te kiezen. Maar het belangrijkste is willen. Ray Kroc, de oprichter van McDonald’s, zei daarover: ‘Luck is a dividend of sweat.’ Als je hard werkt, gaat niemand je tegenhouden. Of zoals mijn moeder ons altijd inpeperde: het geld ligt in de straten, maar je moet je wel bukken om het op te rapen.’

De Maeseneire legt de lat voor zichzelf erg hoog. Te hoog misschien. ‘Ik voel mij soms goed bij een resultaat, maar ik ben nooit tevreden. Ik denk dat ik altijd meer en beter kan. Dat is heel moeilijk voor de mensen die met mij leven. Ik heb dat van mijn moeder. Zij was een heel bijzondere vrouw. Een zelfstandige hoedenmaakster, die werkte van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Maar ze was geen gemakkelijke. Een ros, zoals we in Aalst zeggen. Het was nooit goed. Nooit goed. Als ik de eerste was van de klas, dan was dat niet slecht, maar ik had toch ‘maar’ 91. Tegen anderen was ze heel fier over haar kinderen. Maar aan ons liet ze dat niet merken.’

‘Ik was de tweede thuis, de rebel die moest vechten voor zijn plaats in het gezin. Ik tastte altijd af hoe ver ik kon gaan. Als ze tegen mijn zus zeiden: om elf uur thuis, dan stond ze daar om vijf voor elf. Toen ze dat de eerste keer tegen mij zeiden, kwam ik pas tegen drie uur ’s morgens naar huis. Ik dacht: als ze maar een beetje kwaad zijn, kan ik de volgende keer tot vijf uur wegblijven. Pushing the enveloppe, heet dat in zaken. Je gaat op zoek naar het moment waarop het breekt, maar je toch allebei het gevoel hebt dat je gewonnen hebt. Ik doe dat vrij natuurlijk, er zit niet eens een strategie achter.’

Of hij weet dat perfectionisten de grootste slachtoffers zijn van een burn-out? Hij rolt even gespeeld met zijn ogen. ‘Kijk, ik mag niet meer zeggen dat ik daar niet in geloof, want ik heb iemand gekend die aan een burn-out ten onder is gegaan en zelfmoord heeft gepleegd. Maar ik begrijp het niet. Oké, ik leg de lat altijd hoger. Maar ik doe dat wel enkel en alleen voor mijn eigen rekening. Een vriend van mij is lang partner geweest bij een auditbedrijf. Door de crisis is hij daar moeten weggaan. Die man was met dat bedrijf vergroeid. Na zijn ontslag viel hij in een groot gat. Hij zat echt heel diep. Ik ben dan eens met hem gaan lunchen. Hij zei me: ‘Wat gaan mijn kinderen nu moeten zeggen als iemand hen vraagt wat hun papa doet?’ Toen werd ik kwaad. ‘Maar enfin, waar zijt gij mee bezig?’, riep ik, ‘met wat de anderen denken? Hoe is dat nu mogelijk?’ Als het goed gaat met je, zijn ze jaloers. Gaat het slecht, dan zeggen ze: zie je wel. Neem daarom alleen je eigen geluk als maatstaf. En als je leeft volgens je eigen maatstaven, kun je perfect de druk opvoeren zonder dat de veer springt.’

De Maeseneire pauzeert even wanneer een nieuw gerecht op tafel komt. Een combinatie van varkenswang en langoustine. ‘Ik wil niet posh klinken, maar ik reis de hele wereld af en ga dan drie à vier keer per week op restaurant. Wel, nergens vind je zulke ingrediënten, zulke combinaties als hier. Nergens is een restaurant zo ‘af’. Ik weet het, ik ben niet onbevooroordeeld. Maar toch, dit blijft voor mij het beste restaurant ter wereld.’

Zelf heeft hij ook enkele vrienden bij wie hij voor alles terechtkan, gaat hij verder. Karel De Gucht is daar een van. Johan Vande Lanotte ook. ‘Karel zei me ooit: als je meer dan vijf vrienden hebt, dan heb je er geen. Ik geloof dat ook. Er zijn veel mensen die met me praten voor wat ik ben, niet voor wie ik ben. Zij interesseren mij niet. En hoe meer titels en onderscheidingen je hebt, hoe meer je daarvoor op je hoede moet zijn.’

‘Ik heb soms vragen, dingen die mij overkomen en waar ik met iemand over moet praten. Af en toe heb ik een klankbord nodig. In mijn job is dat zelfs een must. Daarom zou ik nooit een kmo kunnen leiden. Ik heb veel respect voor ondernemers, maar ik zou het zelf niet kunnen. Je moet er eens op letten: meestal omringen die zich met volgers, jaknikkers. Mensen die gewoon zijn dat de baas beslist. Aan jonge managers zeg ik daarom altijd: ‘Ga nooit als eerste CEO werken voor een ondernemer. Uiteindelijk is het hij of jij. Je moet breken of volgen’.’

Blindelings vertrouwen

‘Ik zou dat niet kunnen. Ik heb een directiecomité nodig. Met mensen die hun gedacht durven te zeggen. En die ik ook blindelings kan vertrouwen. Ik vlieg constant de wereld rond om ze te zien. Ik luister en vat in mijn hoofd samen wat ze zeggen. En dan beslis ik: daar gaan we naartoe. Ik laat daar dan geen discussie meer over. Een bedrijf is een zachte dictatuur. Wie niet akkoord gaat, moet maar opstappen. Wie wel meegaat, moet dat doen voor 200 procent. Ik ben daar onverbiddelijk in. Als iemand zegt: ‘Het is goed’, en dan achteraf toch gaat tegenwerken, is het voor mij gedaan. Die vliegt er meteen uit.’

Hier is het punt waar zijn reputatie als kille manager speelt, beseft hij. Dat hij over lijken gaat als het moet. Maar op dat niveau kan het niet anders. ‘Er zijn managers bij wie je punten moet verdienen, vanaf nul. Bij mij start iedereen op 100. Maar als je onder 60 valt, is het gedaan. Als je mijn 100 procent vertrouwen één keer serieus schaadt, is het over and out. Ik reageer dan als een koele robot. Maar ik kan en wil daar niets aan doen.’

Hij vertelt over een van zijn managers bij een van zijn vorige bedrijven, de meest capabele hr-manager die hij heeft gekend. Maar het was iemand die overal zijn hand tussen wilde hebben. ‘Hij had een ondergeschikte opslag beloofd als die hem van een en ander op de hoogte zou houden. Zijn baas, een Amerikaan, kwam daar achter en zei me dat. Ik interpelleerde hem en hij ontkende. Ik zei: ‘Man, denk goed na hé’. Maar met een uitgestreken gezicht bleef hij ontkennen. Toen ik hem zei dat het briefje dat hij daarover geschreven had, op mijn fax lag, gaf hij toe. En toen was het gedaan tussen ons. Ik vond dat verschrikkelijk. Ik was enorm ontgoocheld. Maar in zo een situatie moet je onverbiddelijk zijn. Hoe kun je die man ooit nog vertrouwen? Team, trust and talent. Dat is het enige waar het op dat niveau om draait. Vertrouwen is essentieel. Als je daar compromissen over maakt, ondergraaf je je eigen autoriteit. Je leert het ook snel. Na een uur praten weet ik of iemand te vertrouwen is of niet.’

‘Je wordt harder door de ervaringen die je opdoet’, vindt hij. Niet milder. ‘Ik kom misschien milder over met de jaren, maar ik hoop dat ik het niet ben.’

Marc Hofman, de gedelegeerd bestuurder van Ter Beke, noemde zijn vriend ooit ‘een binair iemand’: alles of niets. De Maeseneire lacht. ‘Dat is toch normaal? Hoe meer ervaringen je hebt met mensen, hoe sneller je iets kan plaatsen. En hoe meer je reacties ook binair gaan worden. Daarin lijk ik steeds meer op mijn moeder. Zij had snel een mening over alles en iedereen. Nu denk ik: ik ben 52, statistisch gezien is twee derde van mijn leven voorbij. Geen tijd te verliezen dus. Dus zeg ik snel waar het op staat. Ik verlies geen tijd meer aan geleuter.’

Aap

Zijn ondergeschikten weten dat hij de muren oploopt als ze niet beslissen of doorgaan. ‘Ik hou van mensen die fouten maken’, zegt hij. ‘Dat betekent dat ze iets doen. Ik zeg altijd: ‘Make a lot of mistakes, make them faster than anybody else, but don’t make the same mistake twice.’ Hij duikt een boekje voor me op. ‘Grinding it out, the making of McDonald’s’, van Ray Kroc. Een kleine, beduimelde paperback. Het is zijn favoriete managementboek. ‘Kroc begon met McDonald’s op zijn 52ste, toen hij zo oud was als ik. In België ga je dan met brugpensioen. Hij stopte op 87 en had 7.500 restaurants. Ik ga af en toe naar een McDonald’s, overal ter wereld. Je kan het goed of slecht vinden, maar één ding is zeker: overal krijg je dezelfde kwaliteit. Dat is een enorme prestatie. Het is een eerlijk boek. Hij verzwijgt zijn fouten en problemen niet. De meesten hebben het enkel over hun successen. Maar je kan geen succes hebben als je geen fouten maakt.’

Met ondermaatse prestaties krijg je De Maeseneire wel op de kast. Hij vertelt over een incident met Massimo Garavaglia, de man die Amerika leidde voor Barry Callebaut. ‘Ik was naar Chicago gevlogen voor zijn kwartaaloverzicht. Hij was bijzonder fier over de resultaten. Hij had 17 miljoen euro winst gehaald, wat 70 procent meer was dan het jaar voordien. Zonder nadenken zei ik: ‘Een aap zou het beter gedaan hebben.’ We deden in België beter dan hij in heel Noord-Amerika. Dat zei ik hem ook: ‘Slechter kon gewoon niet. Je moet kijken naar je potentieel. Jij moet 50 of 60 miljoen halen. Hoe kun je nu al tevreden zijn?’’

Ik ben teruggekeerd naar de luchthaven, en hij is in zijn bed gekropen. Hij was ziek van mij. Zelfs onze financieel directeur, die al wat gewoon was, zei dat ik echt te ver was gegaan. Maar de volgende dag belde Massimo me op. Hij zei: ‘Ik zal bewijzen dat ik geen aap ben.’ En sindsdien deed hij elk kwartaal beter. Een schitterende manager trouwens, een van de beste die ik ken. Ik ben al bijna anderhalf jaar weg bij Barry Callebaut, maar we bellen nog altijd met elkaar.’

Hij zwijgt even en nipt van zijn glas. Is het menselijke dan niet heel ver te zoeken? Hoe ver kun je iemand duwen? Altijd maar hoger en beter? ‘Het is eigen aan de mens om altijd beter te willen doen’, antwoordt hij uiteindelijk. ‘Ik was deze zomer op vakantie in Botswana. Ik heb daar veel beesten geobserveerd. Twee dagen na elkaar heb ik een luipaard een aap zien opeten. Afschuwelijk om te zien, een mooi beest dat een ander mooi beest opeet. Maar ik ben ervan overtuigd dat wij van die beesten voortkomen. Zo zitten wij in elkaar.’

Een safari met vrouw en kinderen - twee jongvolwassenen ondertussen - was het. Voor het eerst in hun leven hadden ze hun vader helemaal voor zichzelf. Geen gsm-ontvangst in de lodges, dus niets om zijn aandacht af te leiden. ‘Dat wist ik niet op voorhand. Ik moet zeggen: dat was al een hele ervaring op zich.’ Hij grijnst. ‘Maar of dat voor mijn vrouw en kinderen nu zo fijn was…’

Ik vraag hem of hij voor zijn eigen kinderen de lat ook altijd zo hoogt legt, zoals zijn moeder destijds bij hem. En hoe zij ooit beter kunnen doen dan een vader die topmanager is bij een multinational. De Maeseneire slikt even.

‘Ik was ontzettend veeleisend toen de kinderen klein waren. De arts bij wie ze gingen, heeft me ooit bij hem geroepen en gezegd: ‘Jij bent een probleem voor je kinderen. Het is nooit genoeg. Je eist te veel. Zij proberen aan je verwachtingen te voldoen, maar je verstikt hen. Je frustreert hen nog meer.’’

‘Ik heb toen geprobeerd mezelf te veranderen en de lat zeer laag te leggen. Verwacht ik nog steeds veel van hen? Ja. Voldoen ze daar altijd aan? Neen. Onze zoon heeft voorlopig zijn studie niet af gemaakt. Doet mij dat zeer? Ongelooflijk. Ik zie daar echt van af. Maar ik heb het aanvaard. Ik ben blij dat ze gezond zijn. Als het over je kinderen gaat, ben je altijd bereid je normen te veranderen. Mijn zoon kan heel goed en hard werken. Hij werkt in de zaak van mijn zus. En hij lijkt gelukkig. Dat is het voornaamste.’

‘En ik weet: zonder diploma geraak je er ook, als je maar genoeg wilt. Steve Jobs en Bill Gates waren ook drop-outs. Maar het is niet de gemakkelijkste weg. Als vader wil je dat je kinderen niet te veel obstakels tegenkomen in het leven.’

‘Ze moeten het niet beter doen dan mij. Daar gaat het niet om. Succes is relatief. Maar ik zou wel willen dat ze hun mannetje kunnen staan. Mijn mama zei altijd: ‘Zorg dat je nooit afhankelijk bent van iemand.’ Dat probeer ik hen bij te brengen: zorg dat je nooit dankjewel moet zeggen.’

Maagzweer

Er komt een fles Italiaanse wijn uit Piemonte op tafel. Hij knikt vriendelijk naar de sommelier, maar ik weet dat dit een afknapper is. Hij had me eerder al toevertrouwd dat hij niet zo van Italiaanse wijnen houdt, omdat die te zuur zijn. ‘Ik heb al 20 jaar een maagzweer’, vertrouwt hij me toe. En na mijn onthutste blik: ‘Stel je daar niet te veel bij voor, dat is gewoon een breuk in de maagwand. Je krijgt dat als je zeer zenuwachtig bent. Inwendig. Ik ben zo. Extern onbewogen, maar intern altijd bezig. Dan produceer je te veel maagzuur, wat inwerkt op het beschermlaagje in je maagwand.’

‘Ze hebben me ooit voorgesteld om een van de zenuwen die dat maagzuur opwekken, door te knippen’, vervolgt hij. ‘Sorry, maar niet met mij. Ik vertrouw dat niet. Van die zenuwen blijven ze af. En trouwens, dan word je zo dik als een ballon. Ik ga er wel mee leven.’

Het glas laten staan, doet hij niet. Beleefdheid of masochisme? Hij grinnikt. ‘Fysiek lijden is niet erg. Mentaal pijn hebben, dat moet erg zijn. Maar dit? Je voelt dat even branden, en dan is het voorbij.’

De mens en zijn lichaam. Hoe onbewogen De Maeseneire ook te werk gaat als topondernemer, zet hem bij een dokter en hij wordt weer een klein jongetje met veel schrik. Dat hoeft eigenlijk niet te verwonderen. Je mag in het leven alles onder controle hebben, vroeg of laat bots je op die onverbiddelijke grens. Als het noodlot toeslaat, heb je zelfs als topmanager geen verhaal. Hij bekent. ‘Ik heb overal artrose. Mijn heupen doen zeer, mijn knieën en mijn hielen. Die heup moet vervangen worden, maar ik heb daar geen tijd voor. En goesting nog minder. Ik heb daar geen controle over, dus dat schrikt mij af. Ik ben vooral bang voor de narcose. Ik weet wel, voor die anesthesisten is het routine. Maar dat is juist het probleem. Ik weet uit ervaring: als iets routine wordt, dan loopt het verkeerd.’

Schrik dat zijn ontembare energie op een dag wegebt, heeft hij niet. Of liever, hij wil er niet aan denken. ‘En als ik ooit wegkwijn, wil ik dat ze het met mij gedaan maken. Ik reken daarvoor op mijn kinderen. Hoe moeilijk dat voor hen ook zal zijn.’

Hersenbloeding

De Maeseneire zwijgt. ‘Ik heb dat zelf voor mijn moeder moeten beslissen’, zegt hij even later. ‘Mijn mama rookte, twee pakken groene Michel per dag. Haar longen waren op den duur heel klein geworden. Tot ze op een dag een hersenbloeding kreeg, 67 was ze. Mijn laatste beeld van haar: kaal, met een hoofddoek. De dokter liet mij foto’s zien van haar hersenen, vol bloed. Wij kunnen daar niets meer aan doen, zei hij. Maar uw mama leeft. We kunnen haar bij bewustzijn brengen, maar ze zal een plant zijn. Ik pleitte bij mijn vader en zus om haar te laten gaan. Omdat ik vond dat we haar, zo een trotse vrouw, dat niet konden aandoen.’ Ze zeiden: ‘Als jij dat zo wilt, zullen we het doen.’ En ik heb het gewild.’

‘Maar het is heel erg. Ik heb haar dood nooit echt verwerkt. Je neemt een beslissing over het leven van de persoon die jou het leven heeft gegeven. Daar moet ik elke dag mee voort. En elke keer als ik papa zie, krijg ik het moeilijk. Hij neemt mij niets kwalijk. Maar ik vrees nog altijd dat hij denkt dat het mijn keuze was.’

Zelf stelt De Maeseneire zich geen ‘moeilijke vragen’ over wat hij verder nog met zijn leven wil doen. ‘Toen ik 20 was, zei ik: ‘Ik ga hard werken tot mijn 40ste.’ Op 40 zei ik: ‘Ik doe door tot 50.’ Toen ik bijna 50 werd, zei ik: ‘Ik ga daar vooral geen uitspraken meer over doen.’ Nu doe ik voort tot ik sterf. Tot mijn 78ste dus, statistisch gezien. Het zou heel slecht aflopen mocht ik met pensioen gaan. Ik golf niet, ik heb geen hobby’s. Wat moet ik dan doen? Op de zenuwen werken van anderen?’

‘Ik denk ook dat je dan ziek wordt. Ik heb het te veel gezien. Ze gaan met pensioen, een jaar later is het gedaan. Ik denk dat het niet goed is voor je lichaam om na zoveel jaren doordraven plots stil te vallen. Ik geloof dat als je snel gaat, het vanbinnen ook allemaal sneller draait. En dat dat veel beter is. Een motor die een jaar stil ligt, die werkt toch ook niet meer?’

Hij wijst nog eens naar het boekje van Kroc dat op tafel ligt. ‘Allez, als je nog zoiets kunt beginnen op je 52ste, dat is toch fantastisch?’ Of is het vooral een geruststellende gedachte voor iemand die de 50 voorbij is? Dat het leven bij wijze van spreken nog kan beginnen? Hij glimlacht. ‘Dat zal wel. Daarom spreken ze ook van een midlifecrisis, wanneer je je die dingen begint af te vragen. Als ik mensen tegenkom die daarover beginnen, geef ik hen dat boekje. Ik heb er nog vijftien liggen. ‘Lees het, en je zult je zo geen onnozele vragen meer stellen’, zeg ik dan.’

‘Je kunt zeggen: ‘Dat is wel dom hé van u, De Maeseneire, dat je u geen vragen stelt.’ Maar ik denk dat je het voor jezelf vooral niet te moeilijk moet maken. Als je je de hele tijd moet afvragen: ben ik goed bezig, kan ik er meer uithalen, is dit wel de juiste job, is dit het nu? Pff. Dan denk je meer dan je leeft. Of is dat te simplistisch?’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud