Van 'double dip' tot misbruik

Bedrijven maken massaal gebruik van de notionele intrestaftrek om zo weinig mogelijk belastingen te betalen. Vooral de double-dipconstructie stelt hen in staat van twee walletjes te eten. Maar die mag niet los van de economische realiteit worden opgezet.

(tijd) - De notionele intrestaftrek werd in 2005 in het leven geroepen om de 'interne banken' van multinationale ondernemingen ook na de afschaffing van het gunstregime voor de coördinatiecentra in België te houden en zoveel mogelijk nieuwe coördinatiecentra aan te trekken. De vennootschapsbelasting bedraagt in ons land 33,99 procent, wat veel hoger is dan in de meeste buurlanden. De intrestaftrek maakt het voor de coördinatiecentra van multinationale ondernemingen toch aantrekkelijk in ons land hun tent op te slaan, want behalve de intresten die ze betalen op leningen, mogen ze sinds 2006 ook intrest aftrekken voor eigen middelen van de vennootschap.

Omdat op eigen vermogen geen intresten betaald hoeven te worden, mogen de bedrijven een fictieve intrest berekenen op het eigen vermogen. De hoogte van de vergoeding is gekoppeld aan de obligatierente op tien jaar. Voor het aanslagjaar 2008 bedraagt die 3,781 procent. Kleine vennootschappen krijgen daar 0,5 procent bovenop.

Hoe groter het eigen vermogen, hoe groter dus de aftrek. Belgische bedrijven hebben er alle belang bij eigen middelen in de vennootschap te stoppen. Cijfers van Belgostat leren dat ze die boodschap begrepen hebben. In 2006 werden in Belgische bedrijven voor 48,7 miljard euro kapitaalverhogingen doorgevoerd, tegenover amper 5 miljard in 2005. Bedrijven financieren hun investeringen vaker met eigen middelen en sluiten geen nieuwe leningen af. Families brengen hun vermogen in nieuwe vennootschappen in, zodat ze kunnen genieten van de intrestaftrek. Kapitaalverminderingen zijn uit de mode, want sinds de notionele impact kosten ze de bedrijven geld.

Helemaal interessant wordt het voor bedrijven als ze van twee walletjes kunnen eten. In het jargon van fiscalisten heet dat een 'double dip'. Daarin kan een belastingaftrek gecombineerd worden met een vrijstelling of de cumul van twee aftrekken. Vennootschap A leent van de bank een som geld, waarmee ze een kapitaalverhoging in dochtervennootschap B doorvoert en daarvoor van B dividenden krijgt. De eerste vennootschap krijgt vrijstelling van belasting van de dividenden en kan de intrest op de lening aftrekken, terwijl de tweede geniet van de notionele intrestaftrek.

Maar bedrijven kunnen nog verder gaan: B kan functioneren als een interne bank die op haar beurt leningen verstrekt aan andere vennootschappen in de groep, die daarop intrest betalen aan dochtervennootschap B. De mogelijkheden om constructies op te zetten zijn eindeloos. Bedrijven kunnen kettingen van vennootschappen opzetten, waarbij de ene vennootschap zich overlaadt met schulden en de andere met eigen vermogen.

Veel bedrijven herschikken hun activiteiten om optimaal gebruik te kunnen maken van de notionele intrestaftrek. Voor de berekening moeten de financiële vaste activa afgetrokken worden van het eigen vermogen van de vennootschap. Een vennootschap met een eigen vermogen van 100 euro en voor 100 euro duurzame deelnemingen in andere vennootschappen kan dus niet genieten van de aftrek. Daarom is het interessant in de groep te schuiven met financiële vaste activa en die bijvoorbeeld onder te brengen in één vennootschap. Dan kunnen de andere vennootschappen in de groep wel ten volle profiteren van de aftrek.

Van die techniek maken vooral beleggingsvennootschappen gretig gebruik. Banken en verzekeringsmaatschappijen herbeleggen dag in dag uit premies en gelden van hun klanten. Dat doen ze deels in aandelen, obligaties, derivaten en leningen aan vennootschappen in de groep, maar ook in financiële vaste activa die uitgesloten worden van de notionele intrestaftrek. Het volstaat de producten die wel een periodiek inkomen genereren voor de vennootschap, zoals bijvoorbeeld obligaties, in een aparte vennootschap te stoppen.

Of ingewikkelde optimalisatieconstructies die bedrijven met behulp van hun fiscale adviseurs opzetten voor de fiscus aanvaardbaar zijn, hangt af van de vraag of ze overeenstemmen met de economische werkelijkheid. Als in het bovenstaande voorbeeld vennootschap B enkel in het leven is geroepen om meerdere keren langs de kassa te passeren, is de kans groot dat de fiscus de constructie verwerpt en het bedrijf extra belastingen moet betalen.

Gwen Declerck

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud