Koersen Belgische holdings blijven achter op intrinsieke waarde portefeuilles

©Photo News

De koersen van de Belgische holdings zijn in 2007 ver achtergebleven op de evolutie van hun beleggingen. Dat blijkt uit cijfers van Bank Degroof. De holdings noteren nu gemiddeld 20 procent onder hun intrinsieke waarde. Toch genoten de aandeelhouders van de holdings voor het negende jaar op rij een hoger rendement dan de houder van een Bel20-fonds, leren gegevens van KBC Securities.

(tijd) - De holdings op de Brusselse beurs realiseerden in 2007 een gemiddeld rendement (koersevolutie plus dividend) van 2,6 procent, 6 procentpunt beter dan de Bel20 returnindex. Het gemiddelde wordt dan nog fors gedrukt door de monoholding Tubize (-41%) die uitsluitend in UCB investeert, en door RHJ (-30%), de durfkapitalist die gespecialiseerd is in Japanse aandelen.

De gemiddelde koersreturn van 2,6 procent ligt nog ver onder de stijging van de intrinsieke waardes. Die stegen gemiddeld 9,4 procent, leren berekeningen van Bank Degroof. Daardoor is de onderwaardering van de Belgische holdings opgelopen tot 20 procent. De sectorkorting varieert enorm in de tijd: in 2002 lag ze op 35 procent, in het voorjaar van 2006 op 10 procent. Holdings zijn van oudsher stevige dividendbetalers. Het gemiddeld dividendrendement ligt volgens KBC Securities op 3 procent bruto.

GBL is de grootste holding. Het aandeel sloot 2007 licht negatief af (-2%), maar had dat niet aan zichzelf te wijten. De beleggers besloten de holding tegen een grotere discount te laten noteren. GBL noteert nu 27 procent onder de intrinsieke waarde, tegen 20 procent eind vorig jaar. 'Albert Frère realiseerde met enkele meesterzetten een economisch rendement van 9,2 procent', zegt Hans D'Haese, analist van Bank Degroof. Het economisch rendement staat voor de toename van de intrinsieke waarde, vermeerderd met het brutodividend. Frère bouwde posities op in de Franse cementgroep Lafarge en verzilverde een gedeelte van zijn belang in de Spaanse nutsgroep Iberdrola.

Ook de andere Bel20-holding van Frère, NPM, presteerde voortreffelijk. De onderliggende portefeuille werd 10 procent meer waard, met dank aan de oliehausse. De Franse olieproducent Total en de energiehandelsgroep Transcor (een volle dochter) vertegenwoordigen samen 51 procent van de portefeuille. Woensdag maakte NPM een investering bekend van 36 miljoen euro in European Gas Limited (EGL) via Transcor. Daardoor wordt NPM actief in het winnen van methaangas uit oude steenkoolmijnen. In vergelijking met GBL bleef de return van NPM (+2%) iets minder achter op de intrinsieke waarde.


Schone slaapster

Sofina, de schone slaapster van de Brusselse beurs, zag net als GBL een mooi economisch rendement (+12,6%) niet vertaald in een positieve return op het aandeel (-2%). De grootste participaties van Sofina - Suez (+23%), Richemont (+6%), SES (+37%), Danone (+5%) en Colruyt (+4%) - gingen er vorig jaar op vooruit. De korting van Sofina ten opzichte van de intrinsieke waarde is opgelopen tot 33 procent. Niet verwonderlijk dat KBC Securities een koopadvies op de holding kleeft. Maar Sofina is door het gebrek aan communicatie naar de pers en de analisten altijd fors ondergewaardeerd geweest. Volgens Bank Degroof noteerde Sofina de voorbije vijf jaar gemiddeld 28 procent onder de intrinsieke waarde.

De veel kleinere holding Mitiska realiseerde met 93 procent het hoogste economische rendement dankzij de verkoop van de belangen in A.S. Adventure en Brantano. Mitiska noteert nu een kwart onder zijn intrinsieke waarde. Analisten schrijven de grote korting toe aan het 'reinvestment risk', het risico dat Mitiska zijn berg cash zal gebruiken om te dure overnames af te sluiten. Zowel Bank Degroof als KBC Securities bevestigt het koopadvies voor Mitiska.

Het grootste verschil tussen de prestatie van de holding en die van de onderliggende portefeuille vinden we terug bij RHJ. Terwijl RHJ de waarde van zijn beleggingen zag terugvallen met 10 procent, zakte de beurskoers met 31 procent. Daardoor is de discount opgelopen tot 23 procent. Ook RHJ zit op een berg cash: 430 miljoen euro of 31 procent van de intrinsieke waarde volgens de berekeningen van KBC Securities. Het beurshuis vindt de investeerder in vooral Japanse bedrijven koopwaardig.

Liquiditeit

De monoholdings Solvac (-17%) en Tubize (-41%) incasseerden in verhouding tot hun intrinsieke waarde het grootste economische verlies. De investeerders in respectievelijk Solvay en UCB zagen ook hun beurskoers fors terugvallen waardoor de discount uitkomt op respectievelijk 23 en 18 procent. De grotere discount bij Solvac heeft wellicht te maken met het feit dat die aandelen uitsluitend op naam zijn, waardoor het aandeel minder liquide is.

De derde monoholding op het Brusselse koersenbord, KBC Ancora, zag de liquiditeit dankzij de verhuizing naar de continumarkt en de opname in de DJ Stoxx 600 met ruim een kwart opveren. Maar dat vertaalde zich niet in een kleinere discount op de intrinsieke waarde, integendeel. Die bedraagt 18 procent, terwijl dat de voorbije 12 maanden gemiddeld 14 procent was. Die evolutie bracht Bank Degroof ertoe het advies onlangs te verhogen tot 'kopen'.

CDR

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud