‘Er is niets Hollands aan onze maatjes'

©Jef Boes

Het land kleurt zwart-geel-rood, alleen de viswinkel lijkt te supporteren voor Nederland. Het is dé periode om een haring te happen. Maar wist u dat uw maatje eigenlijk uit Lokeren komt?

In een klein vergaderzaaltje bij de visgroothandel Parlevliet herinnert een half pak papieren bordjes nog aan een proeverij. Her en der staan dozen vol posters opgestapeld. Dirk-Jan Parlevliet, de CEO van de gelijknamige visgroothandel, haalt er een uit. Mijn zoon, wijst hij lachend naar de foto van een kind dat een visje ‘hapt’. Het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) voert geen promo voor de jonge haringen omdat er in België geen gevist worden. En sinds kort is ook het Nederlands Visbureau opgedoekt door bezuinigingen. Sindsdien neemt Parlevliet de maatjesmarketing in België zelf voor zijn rekening.

Na de ochtendkoffie meteen de visgeur in, het is even wennen. Maar later afspreken was geen optie, de maatjes die Parlevliet ’s morgens fileert, moeten immers al deze middag in de viswinkels en supermarkten liggen. De jonge, vettige haringen hebben een houdbaarheid van vier dagen, dus ze moeten zo snel mogelijk in de rekken. ‘Dat is meteen het bestaansrecht van ons bedrijf in België’, aldus Parlevliet. Het familiebedrijf is al jaren met voorsprong de grootste maatjesverwerker en -leverancier in ons

land. Jaarlijks worden hier zo’n 9 miljoen maatjes gefileerd, verpakt en vervoerd, waarvan 3 miljoen in de eerste weken van het seizoen. ‘De fabriek is eigenlijk gebouwd voor deze drie weken’, zegt CEO Dirk-Jan Parlevliet. ‘De rest van het jaar gebruiken we maar de helft van de capaciteit.’

Parlevliet werd opgericht in de jaren 1980, door Nicolaas Parlevliet, de vader van Dirk-Jan. ‘Mijn vader heeft vroeg zijn ouders verloren en werd op zijn twaalfde bij familie geplaatst in Katwijk, de draaischijf van de maatjes’, aldus Dirk-Jan. Nicolaas wou ook graag ‘de vis in’, maar zijn familie vreesde nieuwe concurrentie - Parlevliet is een belangrijke familie in de maatjeshandel - waarop Nicolaas naar Duitsland trok. ‘Maar mijn moeder kreeg heimwee naar haar familie, waarop mijn vader een job aannam in een Belgische visrokerij.’ Het gezin verhuisde naar Vlaanderen en Nicolaas Parlevliet werkte jaren voor diverse rokerijen. Tot hij na een sluiting op zijn 51ste op straat stond.

‘Het waren de jaren 1980. Iemand van die leeftijd vond niet gemakkelijk werk’, zegt Parlevliet. Zijn vader besloot het gat dat de failliete rokerij achterliet zelf in te vullen, kocht een kleine vrachtwagen en leverde gerookte vis aan zijn oude klanten. Al snel kwamen er ook maatjes bij. Enkele jaren later, in 1989, stapte Dirk-Jan in het bedrijf.

‘Ik had problemen met de kwaliteit van onze maatjes. Nederland beschouwde België op dat moment als een dumpmarkt, waar de goedkope en minder goede haring heen kon. In 1992 zijn we daarom zelf begonnen met de verwerking.’

Vies vet

Na de verplichte desinfectering en gewapend met een blauwe fleecetrui - ‘temperatuur is cruciaal in de fabriek!’- stappen we de grote diepvriesruimte binnen, waar de maatjes binnenkomen. Zoals bijna alle jonge haring, recht uit Noorwegen en Denemarken. Ze worden uit de dozen gehaald, gestapeld in witte kratten en gaan de dooitunnel in, waar computersensoren alles op de graad regelen. De buitenkant mag immers niet veel warmer worden dan de binnenkant.

De meeste maatjes zijn in Scandinavië al onthoofd, ontdaan van organen en voorverpakt in grote, vierkante zakken. ‘Zie je dat?’ Parlevliet wijst naar een stukje van de vis. ‘Dat is de alvleesklier. Die mag er nooit uit, want het zijn de enzymen in die klier die maatjes hun lekkere smaak geven.’ Maar we spotten geen klieren, daarvoor ziet de zak te oranje. ‘Dat is vet’, zegt Parlevliet. ‘Geen vies vet, maar Omega 3’. Hoe vetter de maatjes, hoe beter. ‘Het is een goed jaar. Je denkt waarschijnlijk dat we dat altijd zeggen, maar vorig jaar was het een kleine ramp. De haring is dit jaar gemakkelijk 5 procent vetter.’

De ontdooide maatjes gaan rechtstreeks naar een van de vier fileermachines, waar ze automatisch worden ontveld en ontdaan van graten. De lijn oogt nog opvallend nieuw. ‘Na de dioxinecrisis zijn de veiligheidsregels enorm verscherpt. Daardoor zagen veel kleine verwerkers zich verplicht om er de brui aan te geven’, aldus Parlevliet. Officiële cijfers over marktaandelen zijn er niet, maar op een kleinere speler na, is Parlevliet de enige overblijvende verwerker in België. ‘2008 en 2009 waren topjaren, toen groeide onze omzet met 40 procent per jaar. Het ging zo hard dat we moesten uitbreiden.’ Vandaag verwerkt Parlevliet jaarlijks 1.000 ton haring. In de drie weken van het maatjesseizoen, haalt het bedrijf een derde van zijn jaaromzet (5,49 miljoen euro).

ze zijn er weer!

De naam ‘maatje’ komt eigenlijk van ‘maagdje’, omdat het haringen zijn die gevist worden voor de paringstijd. De vissen hebben zich op dat moment volgepropt met plankton, wat zorgt voor een hoog vetgehalte en de typerende, romige smaak. Vroeger werd de Hollandse Nieuwe ook daadwerkelijk voor de Hollandse kusten gevangen, maar na een vangstverbod in 1977 (omwille van overbevissing), verschoof de vangst geheel naar Scandinavië.

De vangsten worden geveild, al hebben sommige handelaars ook contracten met boten. Na de vangst moeten de maatjes altijd een etmaal rijpen én ingevroren worden. Dat is verplicht sinds 1967 om de gevaarlijke parasiet ‘haringworm’ tegen te gaan.

Jaarlijks worden in enkele weken tijd zo’n 180 miljoen maatjes geproduceerd. Het merendeel, 76 miljoen, verdwijnt in Nederlandse magen. In België worden jaarlijks zo’n 15 à 17 miljoen van geconsumeerd. Het verbruik daalt al enkele jaren, vooral in Nederland. Een maatje kost in de winkel ongeveer 2,50 euro.

 

Na de fileermachine gaan de maatjes naar een band, waar een waaier aan nationaliteiten de restjes huid en graten verwijdert. ‘Door het jaar werken we hier met 15 werknemers, in het maatjesseizoen komen daar gemakkelijk 170 seizoenarbeiders bij.’

Het is een van de moeilijkheden voor Parlevliet. ‘We leiden ieder jaar 300 à 400 mensen op, om maar de helft over te houden.’ De werknemers moeten zeker 100 maatjes per uur kunnen fileren, of het bedrijf is niet rendabel. ‘Mijn winst staat of valt met de werknemers.’ Daarbij kan Parlevliet maar moeilijk goede krachten houden. ‘De goede hebben het jaar erop vaak ander werk en voor anderen weegt het loon niet op tegen hun uitkering.’ Het is ook geen gemakkelijk werk. In het hoofdseizoen begint de shift hier om 4 uur ’s morgens.

In de bakjes met maatjes die van de band komen, liggen plastieken schijfjes met nummers. ‘We houden precies bij wie wat en hoeveel verwerkt’, zegt Parlevliet. ‘Wie meer produceert dan het minimum, krijgt een premie.’ Die motivatie is nodig, want de loonkosten wegen loodzwaar. ‘In Nederland liggen de kosten lager en mogen de bedrijven arbeiders per afgewerkt stuk betalen.’ Dat is een probleem voor Parlevliet, want Nederlandse bedrijven brengen hun maatjes steeds meer naar België, omdat de Noorderburen zelf steeds minder maatjes happen.

Parlevliet pakt een gefileerd maatje uit een krat en geeft het ons met twinkelende ogen aan. ‘Ruik eens. Dat is een product dat we zelf hebben uitgevonden.’ Het zijn gerookte maatjes. ‘Heiligschennis voor de Nederlanders, maar de Walen zijn er dol op. Het is goed voor bijna 7 procent van onze omzet.’ Het gerookte maatje is een van de manieren waarop Parlevliet vandaag nog licht kan groeien, want in België zit het bedrijf stilaan aan zijn plafond. Veel exportmogelijkheden zijn er niet. ‘Maatjes worden enkel gegeten in Nederland, België en Duitsland. Naar Duitsland voeren we een stukje diepvries uit, maar Nederland is conservatief als het om maatjes gaat: ze willen geen Hollandse Nieuwe uit Vlaanderen.’

Naast de grote machinale fileerlijn staan een viertal werknemers apart aan een kleinere tafel. ‘We importeren ook een klein deel maatjes die enkel gekaakt zijn, maar niet onthoofd. Die kunnen we hier met de hand fileren, voor de speciaalzaken.’ Parlevliet toont een maatje: ‘Zie je, die hebben een mooiere structuur dan de machinaal gefileerde.’

Als we naar de etiketteringsmachine lopen, passeren we opnieuw een grote koelruimte. ‘Voor de verpakking’ zegt Parlevliet.‘We proberen stand te houden tussen de concurrentie door heel consequent te zijn met onze kwaliteit. We kopen steevast de betere maatjes aan en zetten genoeg personeel om alle graten en huid te verwijderen. Door de verpakking voor te koelen, vermijden we dat het vet van de vis gaat smelten.’ Maar die strategie wordt moeilijk.

‘Kwaliteit doet er niet meer toe voor veel retailers’, zucht Parlevliet. ‘Ze zeggen wel dat het belangrijk is, maar eisen voortdurend dat we de prijzen laten zakken. Dat is alsof je naar een garage stapt en een BMW eist voor de prijs van een Skoda.’ Hoewel de omzet van Parlevliet nog steeds licht stijgt, met zowat 2 procent per jaar, duwen de krimpende marges het visbedrijf al twee opeenvolgende jaren in het rood (46.000 euro volgens de laatste jaarrekening in 2012).

‘We proberen de maatjes van ons bedrijf meer als merk te promoten’, zegt Parlevliet. ‘Niet als Hollandse Nieuwe dus, maar als verse vis uit Noorwegen van Parlevliet. Want zeg nu zelf, veel Hollands is er niet meer aan.’ Maar het ligt moeilijk. De supermarkten blijven de grootste klant en die doen natuurlijk alleen maar private label. ‘We onderzoeken nu meerdere scenario’s. Zo wil ik door het jaar meer focussen op andere vissoorten. En als dat niet voldoet, vrees ik dat we een deel van de productie, zeker voor Duitsland, naar het buitenland moeten verschuiven.’

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content