Stille revolutie

©Saskia Vanderstichele

In juni 2010 had Europees Commissievoorzitter José Manuel Barroso het in een toespraak in Florence over ‘een stille revolutie’. Hij hoopte dat de lidstaten hadden begrepen welke bevoegdheden ze aan de Europese instellingen hadden overgedragen. De regeringen hadden het kennelijk niet begrepen. De Europese kiezers onderhand wel.

In het licht van de komende Europese verkiezingen is het een wat gênante vaststelling: na een voortreffelijke groei van het bruto binnenlands product (bbp) van 3,6 procent in 2000 ging het gestaag bergaf met het bbp in de Europese Unie. In het crisisjaar 2008 was er helemaal geen groei. En een jaar later werd zelfs een afname met 4,6 procent opgetekend. Na een lichte stijging in 2010 en 2011 ging het bbp in 2012 en 2013 opnieuw neerwaarts. Zelfs Duitsland, de aandrijver van de Europese economie, ondervindt nu hinder van die vertraagde groei.

De Europese theologen - zoals Gideon Rachman ze onlangs in Financial Times bestempelde - trachten de ongelovigen ervan te overtuigen dat er meer Europa nodig is om de economische machine opnieuw aan te zwengelen. Wat een vreemde stelling is, omdat de integratie nooit zo snel en zo ver ging als de voorbije jaren.

In juni 2010 wees Barroso tijdens een toespraak voor de Europese Universiteit in Florence op de kleine stappen voorwaarts die in de Unie vaak de belangrijkste zijn. Hij voegde er voor de duidelijkheid aan toe: ‘Lees aandachtig de conclusies van de Europese Raad. Wat te gebeuren staat, is een stille revolutie op vlak van een sterker economisch bestuur in kleine stappen. De lidstaten hebben ermee ingestemd - ik hoop dat ze dat goed hebben begrepen - om de Europese instellingen zeer verregaande bevoegdheden te geven betreffende het toezicht op de lidstaten en een veel striktere controle op hun overheidsfinanciën.’

Naderhand is gebleken dat de regeringen van de lidstaten, en zeker die van de eurolanden, dat niet hadden begrepen, hun nationale parlementen al evenmin. Alleen de Europese burgers hebben het onderhand begrepen, want zij ondervinden de gevolgen van die heimelijke kleinestappenpolitiek van de Europese Unie aan den lijve. De werkloosheid in de eurozone steeg sindsdien naar meer dan 12 procent. In Spanje en Griekenland kijken ze aan tegen een werkloosheid van 26 en 27 procent, met een jeugdwerkloosheid op het schandelijke niveau van 57 en net geen 60 procent.

De Europese Unie kampt met een jeugdwerkloosheid van 23,5 procent - in de eurozone ligt die zelfs hoger dan in de rest van de unie. De werkloosheid onder jongeren vormt momenteel een van de grootste bedreigingen voor het voortbestaan van de unie. Om een probleem van die omvang aan te pakken moeten andere middelen worden ingezet dan de schamele werkcheques van federaal minister Monica De Coninck.

Eigen agenda

Bij die zogenaamde kleine stappen werden de Europese Commissie en de Europese Raad voortdurend aangestuurd en geleid door Business Europe, de vereniging van de Europese werkgevers, en door de European Round Table of Industrialists, de machtigste van alle lobbygroepen.

De Europese elite, die zich duidelijk heeft neergelegd bij het einde van de ideologieën, koestert haar eigen agenda, die nooit aan de kiezers werd voorgelegd. Van de bankencrisis werd handig gebruik gemaakt om die nogal eenzijdige plannen voor een afbouw van het sociaal systeem en de verdere overdracht van soevereiniteit in marstempo door te voeren. Daarbij werden ze op geen enkel moment gehinderd door een Europees vakbondsfront.

In ‘Europa 2050’*, een interessante bundel opstellen, schrijft Europees Parlementslid Saïd El Khadraoui (sp.a): ‘Naast een analyse van de excessive macroeconomic imbalances zouden ook de excessive social imbalances in kaart gebracht moeten worden door de Europese Commissie, zoals academicus Frank Vandenbroucke terecht bepleit. Concreet wil dat zeggen dat we wel nog moeten streven naar een begrotingsevenwicht op middellange termijn, maar dat het behalen van sociale doelstellingen - zoals de vermindering van armoede, de versterking van de onderwijsprestaties of de stijging van de werkgelegenheid - met evenveel vuur verdedigd en afgedwongen moeten worden als de vermindering van de loonkosten en de overheidsschuld.’

Voor een versterkt toezicht op de Europese agenda is een betere samenwerking nodig tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement, zegt El Khadraoui. Hij wordt daarin bijgetreden door Frans Van Daele, de gewezen kabinetschef van Europees voorzitter Herman Van Rompuy en huidig kabinetschef van koning Filip.

Ook bij Van Daele roepen de toegenomen macht van de Europese Unie en de afstand van staatssoevereiniteit steeds meer vragen op. Als ex-kabinetschef van Van Rompuy weet Van Daele dat het verzet tegen een verdere eenmaking sterk zal blijven zolang de Europese Unie haar geloofwaardigheid niet met werk en economische groei herwonnen heeft.

Populistische barbaren

Tot die geloofwaardigheid herwonnen is, hebben de voortrekkers van de Europese Unie weinig in te brengen tegen de zogenaamde populistische barbaren die voor de poorten van het Europees Parlement staan. Want de kloof tussen wat economisch noodzakelijk is en wat politiek verdedigbaar is, wordt gevaarlijk groot, zo concludeerde onlangs Jochen Bittner, de politiek commentator van het Duitse weekblad Die Zeit. ‘Jammer genoeg’, voegde Bittner eraan toe, ‘zijn het momenteel de verkeerde mensen - de populisten - die de juiste vragen stellen’. Die vragen moeten een antwoord krijgen. Want zelfs Martin Wolf, de bekende chroniqueur bij Financial Times die de Europese gedachte genegen is, heeft dezer dagen twijfels bij de Europese elite, die met haar recente aanpak in heel West-Europa een boos, veelal rechts en xenofoob populisme heeft ontketend.

Charles de Gaulle legde al vroeg de vinger op die Europese zere plek: ‘Europa zal alleen tot stand komen als de bevolking erbij betrokken wordt. Nu wordt een heel andere weg bewandeld. Men sluit zich op in comités. Technieken worden uitgewerkt. Er wordt vergaderd in besloten raden met gespecialiseerde auguren. Maar de bevolking wordt erbuiten gelaten.’

Dat laatste wil Van Daele duidelijk niet gezegd hebben. Volgens hem is het democratische tekort dat Europa kenmerkt vooral een probleem van burgernabijheid. Een gevolg, zegt hij, van de ontbrekende wisselwerking tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement. Van Daele gaat niet zover als de Britse politiek filosoof Larry Siedentop, die voorstelt om het Europees Parlement te bevolken met afgevaardigden uit de nationale parlementen. De nationale parlementen, zo oordeelt Van Daele, moeten de Europese Unie veel hoger op hun prioriteitenlijst inschrijven en de eigen regering strenger controleren op haar Europees beleid.

En dat zal na 25 mei nodig zijn. De economische crisis heeft in Europa een aantal gevaarlijke klippen blootgelegd. De anti-Europese partijen zullen de kiezer, die zich de afgelopen jaren vaak bedrogen heeft gevoeld en die zich op 25 mei moet uitspreken, daar voortdurend op attenderen.

De Europese politieke leiders blijven verbonden met hun nationale kiezers. En die zijn duidelijk niet bereid hun sociale en andere verworvenheden op het spel te zetten voor Europese experimenten. Die stille revolutie hebben ze in de Europese hoofdkwartieren te laat zien aanrollen.

*Saïd El Khadraoui red. - Europa 2050. Visies voor een betere toekomst, Antwerpen, Houtekiet, 19,95 euro.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect