Tussen Luik en Lokeren

©RV

Politiek was voor Wilfried Martens geen beroep, maar een roeping. De publieke belangstelling en de vragen van de mensen, soms toevallige passanten, hielden hem ook na zijn premierschap gaande. Die vragen beantwoorden hoorde voor hem bij zijn politieke en pedagogische opdracht.

Door Rik Van Cauwelaert, columnist

‘Politiek is krachtig en langzaam boren in harde planken, met gedrevenheid én inschattingsvermogen.’ Die definitie van de politiek komt van Max Weber in diens bekende rede, Politiek als beroep, en was Wilfried Martens op het lijf geschreven. Blijven uitleggen, blijven overtuigen, altijd blijven verdedigen, dat beschouwde hij als zijn opdracht. Eigenlijk was dat ook zijn roeping. Of om Weber nog eens aan te halen: ‘Alleen wie er zeker van is dat hij niet ten gronde gaat als de wereld, vanuit zijn standpunt gezien, te dom of te laag is voor wat hij haar wil bieden, alleen wie ondanks dat alles kan zeggen ‘En toch’, alleen zo iemand heeft de ‘roeping’ tot de politiek.’

Goed een jaar geleden tijdens een debat in Luik over de jaren 1960, met Franstalige kopstukken als Charles Michel, Jean-Claude Marcourt, Jean-Maurice Dehousse en Hervé Hasquin, stapte Martens met volle overgave in het krijt, als gold het een verkiezingsdebat. Hij verraste daar de aanwezigen met zijn stelling dat Walen en Vlamingen de kans misten om na de grote Winterstaking van 1960-’61, die was uitgelokt door de socialistische vakbondsman en federalist André Renard, tot een beslissende staatshervorming te komen en de institutionele problemen definitief te regelen. Hij werd prompt bijgetreden door Marcourt en Dehousse, en door een deel van het Luikse publiek dat hem naderhand met vragen bestormde.

Die publieke belangstelling en de vragen van de mensen, soms toevallige passanten, hielden hem ook na zijn premierschap gaande. Die vragen beantwoorden hoorde volgens Martens bij zijn politieke en pedagogische opdracht.

Terwijl andere politici van zijn internationale formaat zich afschermen en zich op hun prerogatieven laten voorstaan, was het niet ongewoon Martens na een terugvlucht uit verre buitenlanden ergens op een metro- of spoorperron geduldig naast zijn koffer te zien wachten op de trein naar huis, vaak minzaam koutend met medereizigers. Zoals die avond in Luik genoot hij altijd van dat contact met het publiek, dat hij bovendien een opmerkelijk inkijkrecht gunde in zijn privéleven en zelfs in zijn huwelijkslevens.

Tijdens de lange nachtelijke autorit van Luik terug naar Lokeren zonk Martens verder weg in zijn herinneringen aan de Winterstaking en de impact daarvan op de Vlaamse Volksbeweging waar hij in die jaren deel van uitmaakte. Het was Paul Daels geweest die de welbespraakte studentenleider Martens naar de Vlaamse Volksbeweging haalde. Want die VVB kon best wat nieuwe inzichten gebruiken.

Omloop Het Volk

Die periode vormt een scharniermoment in Martens’ politieke opgang en voedde uiteindelijk zijn keuze voor het christen-democratische kamp. In die Vlaamse Volksbeweging zaten toen nogal wat mannen van CVP-signatuur. Sommigen onder hen werkten mee aan Het Pennoen, het maandblad van de Oostendenaar Jan Olsen. Wilfried Martens maakte deel uit van de Pennoen-redactie, die ijverde voor het federalisme. Dat was toen niet zo vanzelfsprekend. Zelfs niet in de Vlaamse Beweging, waar een invloedrijk publicist als Leo Picard het federalisme afdeed als ‘een complicatie die de macht van de heersende bourgeoisie over de gewone mensen zou vergroten’.

In 1964, enkele jaren na de grote staking, zette Martens de stap naar de CVP. ‘Uit pure berekening’, werd beweerd door sommigen die hem liever bij de Volksunie zagen. Maar die keuze heeft zich nooit gesteld, verzekerde hij tijdens de nachtelijke autorit naar Lokeren. Eric Van de Casteele, die werkt aan een biografie van Hugo Schiltz, twijfelt er zelfs aan of Martens ooit door de Volksunie werd gevraagd.

Nog geen tien jaar nadat hij lid was geworden van de partij, werd Martens tot voorzitter van de CVP gekozen. Zijn tegenstander was de wat ruige conservatief Gerard Van den Daele, op dat moment burgemeester van Gent en boegbeeld van de lokale christelijke arbeidersorganisaties.

Als flamingant moest Van den Daele, die in 1963 samen met Gaston Eyskens tegen de invoering van de faciliteiten had gestemd, niet onderdoen voor Martens. Maar Martens genoot meer steun in de katholieke pers en vooral bij de politieke redactie van de ACV-krant Het Volk. Nadat Martens met 83 procent van de congresstemmen als nieuwe CVP-voorzitter was geïnstalleerd, zou zijn tegenstander Van den Daele fijntjes opmerken: ‘Het is hier vandaag precies den Omloop Het Volk.’

Martens is de krant waar hij mee opgroeide altijd trouw gebleven. Als premier drukte hij ooit in ernst zijn kabinetschef Fons Verplaetse, de latere gouverneur van de Nationale Bank van België, op het hart: ‘Maar Fons, hoe kunt ge nu weten wat er in het land gebeurt, als ge ‘t Volkske niet gelezen hebt?’ Verplaetse nam die terechtwijzing ter harte en verzekert tot op vandaag: ‘Ik ben wellicht de enige gouverneur van de Nationale Bank geweest die een abonnement had op Het Volk.’

Het stoorde Martens dat zijn stap naar de CVP als opportunisme en berekening werd afgedaan. Onderweg naar Lokeren kwam hij terug op wat echt zijn politieke keuze had bepaald. Zoals hij dat ook deed als nieuwe partijvoorzitter in zijn aanvaardingstoespraak die hij in zijn memoires ‘Luctor et emergo’ opnam.

Martens zei toen tot de congresgangers: ‘U hebt een voorzitter gekozen van wie de ouders niets anders hadden dan hun handen om te werken. Van wie de vader hem ontviel in volle oorlog, toen hij een jongen van zeven jaar was. Van wie de moeder gedurende jaren alleen de last droeg van een gezin van vijf kinderen, tot ook zij bezweek vooraleer haar kinderen een nieuw tehuis hadden gevonden. En toch hebben zij alle vijf een kans gekregen in het leven, naar de maat van hun talenten. Ze werden geholpen door een onderwijzer of een onderpastoor, die hen de weg wees naar voortgezet onderwijs, door een studiebeurs die hen toeliet te studeren, door de inspiratie en het voorbeeld van een eminente leraar, een proost, een vakbondsman of een politicus. Dat is de levende christendemocratie in Vlaanderen.’ Hij nam daar nooit een woord van terug.

Zijn afkomst heeft hem politiek blijvend getekend en sterkte zijn afstandelijkheid. Die afstandelijkheid maakte dat hij, ondanks zijn langdurig premierschap en zijn internationale invloed via de Europese Volkspartij, eigenlijk nooit tot het partij- laat staan het Wetstraat-establishment heeft behoord Zijn echte vrienden waren op één hand te tellen.

Op de stoep

De belangrijkste beslissingen nam hij veelal alleen, zoals het definitieve besluit dat een devaluatie de onvermijdelijke aanzet was voor een doortastend herstelbeleid. Tot die beslissing kwam Martens nog tijdens het premierschap van Mark Eyskens, na een toevallige ontmoeting op de stoep van de Wetstraat met ACV-voorzitter Jef Houthuys en Fons Verplaetse, die toen nog op de studiedienst van de Nationale Bank werkte.

Rijdend door de verlaten straten van Lokeren en gevraagd waarom hij, een kortstondige en moeizame passage bij de Nederlandse Begemann Groep niet te na gesproken, nooit zoals andere politici goed gehonoreerde bestuursmandaten had opgenomen, antwoordde hij stilletjes: ‘Dat is mijn wereld niet.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect