Kleine politici maken grote schuldenberg

Wilfried Martens tijdens een begrotingsconclaaf in 1990.

Nu de Belgische schuldgraad opnieuw aanschurkt tegen de grens van 100 procent, kijken de financiële markten bezorgd naar wat zich in ons landje aan de Noordzee afspeelt. Voor de Belg is de hoge staatsschuld vooral de aberrante erfenis van een politieke elite die vanaf de tweede helft van de jaren 70 toekeek hoe de schuld explodeerde.

De Belgische staatsfinanciën komen gehavend uit de Tweede Wereldoorlog. De economie is onder de Duitse bezetting geïmplodeerd, en de oorlogsleningen die de regering aangaat, slaan diepe putten in de schatkist. Putten die ze na de oorlog plichtsbewust dempt, in tegenstelling tot Duitsland. Dat erkent de schuld van het Derde Rijk niet, en begint dus met een schone lei. Onze Noorderburen gebruiken de hun toegekende middelen van het Marshallplan om een deel van de openbare schuld af te lossen. België zet zijn deel van de Amerikaanse geldpot vooral in om de economie er weer bovenop te helpen. Dat zet zoden aan de dijk. Ons land krijgt de economie vrij snel aan het draaien.

Met de golden sixties breken ook gouden tijden aan voor de schatkist. (zie grafiek)

(1) In de loop van het decennium slaagt de Belgische overheid erin haar schuldratio - de verhouding van de totale schulden ten opzichte van het bruto binnenlands product (bbp) - af te bouwen. Dat is in grote mate te danken aan de snelle economische groei, die het bbp sneller doet stijgen dan de schuld.

(2) Op 16 oktober 1973 komt er met de eerste olieschok bruusk een einde aan de hoogconjunctuur. Na het oplaaien van het Arabisch-Israëlische conflict, voert het oliekartel OPEC eenzijdig een prijsverhoging door. In België dalen de olieleveringen in drie maanden tijd met 30 procent, de prijs verdrievoudigt. De wereldeconomie verzandt in een recessie. Door de indexering van de lonen ontstaat een opwaartse spiraal, waardoor ons land kennismaakt met stagflatie, het samengaan van hoge inflatie met economische stagnatie. De werkloosheid stijgt van 2,4 procent in 1973 tot 10,2 procent in 1981. Dat weegt zwaar op de uitgaven in de sociale zekerheid. Bovendien gaan door de hoge inflatie ook de gewone overheidsuitgaven flink de hoogte in.

Sneeuwbal

(3) In 1977 start een schulddynamiek die de overheidsschuld 16 jaar lang bijna ononderbroken doet stijgen en waarvan we tot vandaag de gevolgen dragen. De combinatie van hoge rente, lage economische groei en zwakke budgettaire discipline leidt tot een sneeuwbaleffect van stijgende rentelasten, toenemende begrotingstekorten en een explosieve groei van de schuld. De rollende rentesneeuwbal doet de rentelasten oplopen tot uiteindelijk meer dan 10 procent van het bruto binnenlands product.

In 1979 volgt de tweede olieschok. Door het omverwerpen van het regime van de sjah valt het Iraanse aandeel in de OPEC-export van de ene op de andere dag weg. Hoewel de wereld opnieuw in recessie belandt, is het dal minder diep dan in 1973.

De overheid reageert in die periode volledig in lijn met het contemporaine denken met een keynesiaans beleid. Om de daling van de werkgelegenheid in de industrie te compenseren, werft de overheid tienduizenden ambtenaren aan en creëert ze jobs met een tijdelijk en uitzonderlijk statuut. Dat kost handenvol geld.

Daarnaast blijkt ook de wafelijzerpolitiek - als Vlaanderen 1 frank krijgt, moet ook Wallonië 1 frank krijgen, en omgekeerd - een dure en vaak zelfs nutteloze grap. Vlaanderen krijgt geld voor de uitbouw van de haven van Zeebrugge en Wallonië mag nieuwe autosnelwegen aanleggen. En wat te denken van de zo goed als ongebruikte scheepslift in het Waalse Strépy-Thieu of de twee bruggen die niet zijn aangesloten op een weg in het West-Vlaamse Varsenare?

De steun aan de vijf zogenaamde nationale sectoren is wellicht het duurste voorbeeld van de wafelijzerpolitiek. De regeringen spenderen aan het einde van de jaren 70 en in het begin van de jaren 80 enorme bedragen aan de wankele sectoren staal (vooral Wallonië), steenkool (Vlaanderen), textiel (Vlaanderen), scheepsbouw en scheepsherstelling (Vlaanderen) en holglas (Wallonië). De federale overheid draagt later de verantwoordelijkheid over die sectoren over aan de gewesten om een verdere ontsporing van de kosten te voorkomen.

Het geheel van de overheidsuitgaven piekt in de vroege jaren 80. De staat geeft dan meer dan 60 procent van het bruto binnenlands product uit. Daarbij bouwt hij schulden op, een onhoudbare situatie. Al is niet iedereen daar even snel van overtuigd. Legendarisch is de uitspraak van de toenmalige minister van Begroting Guy Mathot (PS). ‘De schuld is er vanzelf gekomen, en zal vanzelf ook weer verdwijnen.’

(4) Het jaar 1981 is een rampjaar voor de overheidsfinanciën. Het begrotingstekort stijgt tot 15,9 procent van het bbp. Ter vergelijking: in 2009 piekt het Griekse overheidsdeficit op 15,4 procent. Premier Wilfried Martens (CVP) legt een saneringsplan voor dat de socialistische coalitiepartners van tafel vegen. Er komt een nieuwe regering onder leiding van Marc Eyskens (CVP), maar die blijft gevangen in de politieke impasse. Na de verkiezingen van 1981 is het opnieuw de beurt aan Martens, die de socialisten inwisselt voor de liberalen.

In 1982 is het duidelijk dat er dringend iets moet gebeuren. De loon-prijsspiraal heeft de concurrentiekracht van de bedrijven helemaal uitgehold. De Belgische regering devalueert de frank met 8,5 procent. Zeer tegen de zin van de toenmalige gouverneur van de Nationale Bank, Cecil de Strycker. Die heeft steeds beklemtoond dat een devaluatie geen oplossing is.

Er volgen verschillende topontmoetingen in het Ardense dorpje Poupehan, waar Fons Verplaetse een buitenverblijf heeft. De vicekabinetschef van Martens en architect van de devaluatie werkt er samen met Martens, ACV-voorzitter Jef Houthuys en Hubert Detremmerie, topman van de bank BAC, het herstelbeleid van de regering uit.

Daarbij horen ook maatregelen die de burger rechtstreeks in de portefeuille raken. Zo komen er drie indexsprongen waarbij de lonen niet aangepast worden aan de stijgende levensduurte.

De focus van het economisch beleid ligt aanvankelijk vooral op het herstel van de concurrentiekracht van ondernemingen. Ook gaat de budgettaire tering naar de nering. In de tweede rooms-blauwe regering (1985-1987) krijgt Guy Verhofstadt (PVV) als harde minister van Begroting de bijnaam ‘Baby Thatcher’.

(5) Eind 1987 valt de regering en mogen de liberalen hun biezen pakken. Na Dehaenes ‘Sire, geef me 100 dagen’ heist Martens de socialisten weer aan boord. Onder het motto ‘retour du coeur’ valt de sanering van de overheidsfinanciën stil.

In de jaren 80 wordt ook grondig gesleuteld aan de staatsstructuur. Daardoor vermenigvuldigen de bestuursniveaus (gewesten, gemeenschappen, commissies,…) en zijn de kiemen voor een steeds complexer, en duurder, staatsapparaat aanwezig.

Globaal Plan

(6) Het grootste deel van de jaren 90 staat in het teken van de toetreding tot de eurozone. Als België wil meedoen, moet de buikriem aangehaald worden. Om gedelibereerd te kunnen worden, moet de schuldratio - die in 1993 piekt op 134 procent van het bbp - omlaag. Voorts moet het begrotingstekort manu militari onder 3 procent worden gehouden. De regering onder leiding van Jean-Luc Dehaene (CVP) stelt met het Globaal Plan een drastisch saneringsbeleid op en slaagt in 1998 in zijn opzet: België kwalificeert zich als een van de elf stichtende leden van de eurozone.

(7) In 2000 gebeurt wat al enkele decennia onmogelijk lijkt: de Belgische begroting sluit in evenwicht. Ook de volgende jaren is dat min of meer het geval, met dank aan het betere kunst- en vliegwerk. Paars I, dat sinds 1999 aan de macht is, draait immers zijn hand niet om voor een eenmalige maatregel meer of minder. Door overheidsgebouwen te verkopen en prompt terug te huren of de pensioenpotten van onder meer Belgacom en de NMBS in te lijven, vermijdt de regering structurele ingrepen. Maar hoewel die operaties op korte termijn grote inkomsten opleveren, impliceren ze op lange termijn enorme kosten.

Paars II (2003-2007) gaat voort op dat elan. De kiezer moet geplezierd. Voor de socialisten is een toename van de sociale uitkeringen prioritair, de liberalen zetten in op een daling van de fiscale en parafiscale lasten. Door de budgettaire ruimte die ontstaat dankzij de dalende rentelasten is er ruimte voor beide. Het primair overschot (begrotingsoverschot zonder rentelasten) daalt onder de paarse regeringen sterk: van 6,8 procent van het bbp in 2001 tot 2,4 procent in 2008. De rentebonus verdampt vooral in extra uitgaven.

Als er spanning dreigt, komt er geld op tafel. Zo staat de regering bijvoorbeeld elke twee jaar in voor de nodige financiële smeerolie om de sociale partners tot een inter-professioneel akkoord te bewegen. In 2007 klokt de staatsschuld niettemin af op 84 procent, het laagste peil sinds 1980.

(8) Eind 2008 breekt de financieel-economische crisis uit. Meteen komt ook een einde aan de schuldafbouw. De regering moet de wankelende banken Fortis, Dexia, KBC, alsook de verzekeraar Ethias redden van de ondergang. Het gaat om een investering van 20 miljard euro.

Ambtenaren

Tussen 1995 en 2009 zijn er in de overheidssector 100.000 banen bij gekomen, bijna exclusief in de lokale besturen, de gemeenschappen en de gewesten. Weinig verrassend werken nergens in Europa verhoudingsgewijs zoveel ambtenaren in de publieke administratie als in ons land.

De roep naar een efficiënter overheidsapparaat weerklinkt met de regelmaat van een klok. Volgens professor-emeritus Wim Moesen van de KULeuven kan de Belgische overheid 7,9 procent van het bruto binnenlands product besparen als ze efficiënter te werk zou gaan. Voor 2010 zou het gaan om een besparing van 27,7 miljard euro.

In 2010 daalt het begrotingstekort dankzij het economisch herstel, de lage rente en de politieke verlamming (geen regering betekent geen nieuwe uitgaven). Maar dat is niet meer dan een fata morgana. De overheidsschuld blijft stijgen en nadert stilaan 100 procent van het bruto binnenlands product. De politieke besluiteloosheid staat ook budgettaire uitdagingen in de weg. Tot hoeveel kostenbesparingen zou een sluitende migratiewetgeving niet leiden?

Bovendien vraagt Europa het begrotingstekort tegen 2012 terug te dringen tot 3 procent en tegen 2015 naar een begrotingsevenwicht te gaan. Maar zelfs als de regering haar begrotingsdoelstellingen haalt, zal de schuld in 2015 volgens het Planbureau nog steeds zowat 91 procent van het bbp bedragen. Meer dus dan voor de recessie in 2007.

Ons land kijkt door de vergrijzing de komende decennia tegen een uitgavenberg aan. Meer pensioenen, maar minder werkenden om die te financieren. Meer kosten in de gezondheidszorg, want er zijn niet enkel meer ouderen, ze worden ook steeds ouder. Bovendien staat de vooruitgang in de geneeskunde niet stil. Echte voorzorgen zijn er niet genomen. Het Zilverfonds is niet meer dan een mooi opgemaakte lege doos gebleken.

Na 216 dagen zonder regering, klinkt de roep om een politiek akkoord steeds luider. Als er geen volwaardige regering komt, moet het maar met een noodregering, opperen sommigen.

Maar als we één les is die moeten onthouden uit het Belgische schuldenverhaal is het wel dat het hebben van een regering wel een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde is om een ontsporing van de overheidsfinanciën te vermijden. Elke regering, ongeacht haar samenstelling, moet de discipline hebben het begrotingstekort beperkt te houden, ongeacht de economische omstandigheden. En elke regering moet de moed hebben impopulaire besparingsmaatregelen te nemen, als die zich opdringen.

door Daan Ballegeer, Wouter Vervenne en Stefaan Michielsen

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content