‘We genieten ons te pletter. Maar niemand is tevreden'

Paul Verhaeghe

Een snoeihard betoog tegen het neoliberalisme is het. Van een psychoanalyticus die in de praktijk ziet hoe het economische systeem dat we als de Bijbel beschouwen, ons als mens en als maatschappij kapotmaakt. Paul Verhaeghe houdt ons allemaal een spiegel voor. En wat we daarin zien, is geen fraai beeld. ‘Het Systeem, dat zijn wij allemaal.’

Hij staat er zelf ook van te kijken. In enkele weken tijd is hij een referentie geworden. De man die de vinger op de wonde legt. Over hoe het eigenlijk niet helemaal lekker aanvoelt, de manier waarop wij hier bezig zijn. Dat er fouten zitten in Het Systeem, maar dat we dat zo moeilijk kunnen grijpen. Er zijn heel veel losse flodders van ontevredenheid. Slechts weinigen slagen erin die te verenigen in een samenhangend verhaal.

Paul Verhaeghe doet dat wel. Hij schreef de voorbije jaren enkele essays waarin hij het neoliberale maatschappijmodel haarfijn fileert. Opmerkelijk: zijn betoog wordt gretig opgepikt door links én rechts. Vorig jaar kreeg hij de prijs voor het ­beste essay van de liberale denktank Liberales - niet bepaald een groep linkse rakkers. De tekst die hij onlangs als keynote speaker voorlas op We Strike Back, het event dat de Gentse Vooruit organiseerde op de dag van de algemene staking, wordt vermenigvuldigd via Facebook-­pagina’s en mailboxen. Ook ondernemers van Vlaams-Brusselse vereniging De ­Warande raakten geprikkeld. ‘We willen dat je dit brengt voor ons’, vroegen ze hem. ‘Omdat het stof tot discussie zal opleveren.’

Ontregeling

Nochtans begeeft Paul Verhaeghe zich op gevaarlijk terrein. Als professor psycho­analyse aan de Gentse universiteit - hij verwierf vooral renommee als Freud- en Lacan-kenner - rekent hij af met de manier waarop wij ons economisch systeem hebben vormgegeven. Niet met de economie as such, maar met de neoliberale invulling daarvan. Een ideologie die ons hele denken en handelen is gaan bepalen, en efficiëntiestreven als hoogste doel stelt. Een meritocratisch systeem bovendien, waarbinnen iedereen verantwoordelijk wordt geacht voor zijn eigen succes of falen.

Dat een psychoanalyticus op dit domein is verzeild geraakt, lijkt vreemd maar hoeft niet te verwonderen. ‘Het begon allemaal in mijn praktijk’, zegt hij. ‘Ruim vijftien jaar geleden al stelde ik vast dat wat ik daar zag, niet meer overeenstemde met wat ik geleerd had. Klassieke neurosen maakten plaats voor persoonlijkheids- of identiteitsstoornissen. We zagen met de jaren veel meer eetstoornissen opduiken. Depressies ook. Een soort veralgemeende ontregeling.’

‘We weten nu dat elke maatschappij haar stoornissen bepaalt. Als de maatschappij verandert, ent zich daar een ander soort identiteit op, met andere normen en waarden, en dus ook andere stoornissen of afwijkingen. De oorzaak van die problemen moet dus in het maatschappijmodel worden gezocht.’

Om dat te begrijpen, sloeg de psychoanalyticus aan het studeren. Hij maakte een tour d’horizon langs de sociologie, de moraalfilosofie en de economie. Van de arbeidssocioloog Richard Sennett leerde Verhaeghe dat de competitieve manier waarop onze arbeidsverhoudingen georganiseerd zijn, dodelijk is voor onze so­ciale verhoudingen. De Nederlandse filosoof Hans Achterhuis en de Britse socioloog Richard Wilkinson (auteur van het alomgeprezen ‘The Spirit Level’) toonden dan weer aan dat hoe neoliberaler het beleid is, hoe hoger de inkomensongelijkheid, hoe groter het aantal mentale stoornissen en tienerzwangerschappen, hoe meer criminaliteit en drugsgebruik, enzovoort. Een neoliberale meritocratie, concludeerde Verhaeghe, is op termijn nefast, zowel voor het individu als voor de samenleving.

Vandaag ervaren we de negatieve bijwerkingen van het model. Niet alleen in de wachtkamers van psychologen, maar evengoed in onze collectieve gemoedstoestand. We hebben nog nooit zoveel keuzevrijheid gehad. Maar eigenlijk is die vrijheid een illusie. ‘De boodschap is: je bent verantwoordelijk voor je eigen succes en falen. Als je je maar voldoende inzet, ga je het maken. Maar ook: als het niet lukt, is het je eigen schuld. Het ­gevolg is dat steeds meer mensen gebukt gaan onder vernedering, schuld en schaamte.’

Is dat wat u bedoelt met de mythe van de Selfmade Man?

Paul Verhaeghe: ‘Als eye-opener zeg ik tegen mijn studenten: de eerste belangrijke keuze die je moet maken in het leven, is die van je ouders. Als je daar verkeerd kiest, heb je een probleem. Om maar te zeggen: er zijn veel dingen die je níét kiest. Je omgeving en je afkomst zijn bijzonder determinerend. En toch zijn we ervan doordrongen dat je succes volledig in eigen handen hebt. Ook kinderen denken zo. Weet u dat het voornaamste scheldwoord op de speelplaats vandaag ‘loser’ is? We willen allemaal winnaars zijn. Maar dat gaat natuurlijk niet. Vanaf acht à tien jaar begint een groot deel uit de boot te vallen. Die maken ‘het’ niet. En al heel snel krijgen ze een label opgeplakt. Om het met een boutade te zeggen: we hebben nog twee soorten kinderen, hoogbegaafde en gestoorde. Waar is de middengroep naartoe?’

U verwijt het onderwijs de reproductiemachine te zijn van het neoliberale denken.

Verhaeghe: ‘In de eindtermen is uitdrukkelijk gedefinieerd: alle leerlingen moeten ondernemers van zichzelf worden. Ze moeten zichzelf als bedrijf beschouwen, en vaardigheden ontwikkelen om hun marktwaarde te verhogen. Dat zou op zich niet slecht zijn, ware het niet dat het individueel competitief wordt ingevuld. Je moet het halen ten koste van de ander. Sociale banden en solidariteit worden systematisch doorbroken. Het is zo niet bedoeld, maar het is wel een ­neveneffect van het competentiestreven. En dan zijn we verbaasd dat jongeren egoïstisch en materialistisch zijn. Dat ze onrealistische verwachtingen hebben. Maar we hebben ze zo gemaakt.’

Is vrijheid ook een illusie in ons professionele leven?

Verhaeghe: ‘Ja. Het neoliberalisme is mijlenver afgedreven van het liberalisme, dat autonomie van het individu vooropstelt. Neoliberalisme is een blind efficiëntiestreven dat alles in cijfers giet. Eigenaardig: men gaat kwaliteit uitdrukken in kwantiteit. Terwijl dat net een contradictio in terminis is. Dat heb ik geleerd van de Schotse moraalfilosoof Alasdair Mac­Intyre: de nieuwe morele norm is ‘effectiviteit’. Maar eigenlijk bedoelen we ‘winst’. We zijn niet geïnteresseerd in beter, maar in meer.’

‘Dat heeft gevolgen voor de manier waarop we werken. We moeten voldoen aan output targets die top-down gede­finieerd worden. De werknemer heeft daar nauwelijks iets over te zeggen. We krijgen verantwoordelijkheid zonder macht. Er zijn formats, processen, protocols die tot op de komma vastleggen wat je moet doen, en hoe. Autonomie en creativiteit vallen weg. En binnen de kortste keren kan het ons niets meer schelen. We vervreemden van onze arbeid.’

U spreekt nogal provocerend over een nieuwe sociale vierdeling: de overbodigen, de werkmieren, de évolués en de Madoffs.

Verhaeghe: ‘De overbodigen zijn de werklozen, een onderklasse die onderhouden wordt door de samenleving en zich daar schuldig over hoort te voelen. De werkmieren zijn het gros van de werkenden. Het zijn de working poor die amper rondkomen, maar ook jonge advocaten, docenten, middenkaders die zich de ziel uit hun lijf werken. Hoog opgeleiden van wie verwacht wordt dat ze voor een normaal maandloon anderhalve maand presteren. Dan zijn er de évolués, die opgeklommen zijn uit de werkmieren en ‘het’ gemaakt hebben. Het zijn de jongens en meisjes van de financiële topjobs, maar ook de vroegere mei 68’ers die nu angstig de koers van hun aandelen in de gaten houden. Zij zijn de overtuigde verdedigers van het systeem dat ze mee in stand helpen houden. En dan is er nog het selecte clubje post-évolués of ­Madoffs, mensen die ‘het’ gemaakt hebben ten koste van alle anderen.’

Dat hele systeem, zegt u, is zelfs in zijn corebusiness niet efficiënt. U noemt het neoliberalisme een mislukking op economisch vlak. Een boude stelling voor een psycholoog.

Verhaeghe: ‘De belofte was: betere producten en diensten, die goedkoper zouden zijn. De ervaring leert dat het ­allesbehalve zo is. Elektronica en kledij zijn misschien goedkoper geworden, maar ze zijn minder goed. Gsm’s worden niet meer gemaakt om lang mee te gaan. Dat zeggen verkopers zonder verpinken als je er een gaat kopen. Hetzelfde voor de diensten: onderwijs, spoorwegen, energie: het is duurder geworden, en de kwaliteit kalft af.’

Het probleem is dat dit denken een deel van ons collectief bewustzijn geworden is.

Verhaeghe: ‘Zelfs van onze identiteit, en dat maakt het zo moeilijk ertegen te ageren. Vroeger kon je nog zeggen: het is de patron. Vandaag wijzen we beschuldigend naar de ratingbureaus, de banken, de aandeelhouders. Maar ook dat gaat niet op. Want het systeem, dat zijn wij allemaal. Het gaat over de manier waarop we met ons geld en met de anderen omspringen, de manier waarop we overal ons eigen voordeel proberen uit te halen.’

‘Ethisch gezien is er geen verschil tussen losgeslagen jongeren die Londense winkels plunderen of Britse parlementariërs die sjoemelen met onkostennota’s. Die laatsten verdedigden zich met het ­argument dat het niet tegen de regels was, wat ze deden. Het was volstrekt onethisch, maar niet verboden. We zijn een intrinsieke ethiek kwijtgeraakt. En we hebben die vervangen door contracten en regels.’

U sluit zich dus aan bij de conservatief Theodore Dalrymple, die zegt: we moeten opnieuw normen en waarden onder dat systeem schuiven.

Verhaeghe: ‘Dat moeten we inderdaad. Maar het is onmogelijk om, zoals hij predikt, terug te keren naar de normen en waarden van vroeger. Dat is geen setje leefregels dat daar ligt en dat je even terug kunt opnemen. Want het zou impliceren dat je ook terug moet naar de maatschappij van toen. De vraag is hoe je een nieuwe ethiek eigentijds kan invullen. Ik denk dat je moet aanknopen bij het gegeven van de individualisering. En dat je een moderne ethiek moet baseren op het gegeven van ‘zorg voor zichzelf’. Dat is iets anders dan eigenbelang. Ethiek gaat altijd over matiging, inperking. Als je zorg voor zichzelf koppelt aan zelfbeheersing, krijg je een totaal andere maatschappij.’

Wat betekent dat concreet? Dat je uit de ratrace stapt? Dat je stopt met bonussen opstrijken?

Verhaeghe: ‘Dat kan een gevolg zijn. Vandaag is de ‘morele’ boodschap: je moet zo veel mogelijk genieten. Het ­resultaat is dat er van langsom minder plezier is. Dat is de diagnose van onze ­algemene mentale toestand: depressief genot. We genieten ons te pletter, en ­eigenlijk is niemand nog tevreden. We willen en krijgen alles onmiddellijk, waardoor we slaven worden van dat ­depressief genot.’

We moeten van consumenten weer burgers worden. Iedereen zal het met u eens zijn. En toch doen we met zijn allen voort.

Verhaeghe: ‘Het klinkt bijna als een spreuk van Phil Bosmans, maar we zullen moeten beginnen bij onszelf. Dat is het voordeel van deze crisis: mensen veranderen pas wanneer ze in crisis zijn en daardoor voor keuzes komen te staan. Ook werkgevers zullen niet anders kunnen. Het zou hen moeten verontrusten dat mensen zich steeds minder identificeren met het bedrijf waarvoor ze werken. Bedrijven waar een hoge graad van participatie is, halen hogere rendementscijfers en hebben minder absenteïsme. Het kan dus. Meer algemeen merk je dat meer egalitair georganiseerde economieën, zoals in Scandinavië, productiever zijn. Het zal dus moedige politieke keuzes vragen om de inkomensverschillen terug naar normale proporties te brengen, met lagere lasten op arbeid en hogere op kapitaal. Dat is fundamenteel, want het bepaalt welk soort maatschappij je krijgt.’

U zegt niet alleen dat we kapitaal meer moeten belasten, maar ook dat we moeten ophouden leerlingen kant en klaar af te leveren voor de arbeidsmarkt. Uw discours zal in ondernemerskringen niet meteen met open armen ontvangen worden.

Verhaeghe: ‘En toch moeten we dat competentiedenken in het onderwijs verlaten. Het is onzinnig toekomstige ingenieurs al te gaan selecteren in de lagere school. De digitale revolutie heeft technische kennis voor een groot stuk overbodig gemaakt, en zelfs gespecialiseerde kennis wordt overgenomen door computers. De vaardigheden die we wel nodig hebben, zijn dan weer zo specifiek en veranderen zo snel dat ze op de job geleerd moeten worden. We zullen vooral veel moeten bijscholen. Maar het impliceert ook dat we in de basisopleiding opnieuw aan Bildung kunnen doen. Vorm jongeren breed, geef ze een ruime culturele bagage en ze zullen zowel privé als professioneel hun weg vinden. Maar houd er vooral mee op van de school een voorafspiegeling van de ratrace te maken.’

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content