Geheime dienst Europa krijgt vrij spel in Brussel

Intcen doet ook onderzoek naar de situatie in Syrië. - REUTERS ©REUTERS

Nooit eerder heeft de Belgische pers een artikel gewijd aan ‘Intcen’. Het is nochtans een inlichtingendienst met 70 leden die in Brussel gevestigd is. Het is Europa’s verborgen ‘geheime dienst’.

Twee analisten van de Belgische Staatsveiligheid werken niet in het hoofdgebouw van de Staatsveiligheid, aan het Brusselse Noordstation. Ze huizen aan het Schumanplein, in het gebouw van de Europese diplomatieke dienst EEAS. De twee Belgische geheimagenten maken er deel uit van het ‘EU Intelligence Center’, afgekort Intcen.

Met 70 zijn ze bij Intcen. De helft van hen zijn Europese ambtenaren, de andere helft ‘spooks’, personeelsleden van verschillende Europese inlichtingendiensten. Zo zit er ook een lid van de Nederlandse geheime dienst AIVD. Ilka Salmi, chef van de Finse geheime dienst, leidt deze Europese inlichtingendienst en rapporteert direct aan de Europese ‘minister’ voor Buitenlandse Zaken, Cathy Ashton.

Het mag verwonderen dat zo’n uit de kluiten gewassen inlichtingendienst gevestigd is op Belgisch grondgebied en al jaren onder de radar kan blijven. Bij de Belgische toezichthouder Comité I zien ze twee heikele kwesties. Griffier Wouter De Ridder: ‘Je kan vragen stellen over de juridische grondslag van deze Europese dienst en het democratisch toezicht erop. Nu ja, daar kunnen wij als Belgische toezichthouder niet in interveniëren. Maar is zeker ook een probleem op Belgisch niveau. Want de Staatsveiligheid kreeg van de regering nog altijd geen richtlijnen om met deze en andere buitenlandse diensten samen te werken. Dat is een probleem dat het Comité I al meermaals signaleerde.’

Het Intcen roept verschillende vragen op. De dienst is hier gevestigd, maar is niet bevoegd voor onze nationale of interne veiligheid. Hoe ver kunnen de gedetacheerde Belgen bij het Intcen dan gaan? De twee analisten van de Staatsveiligheid werken op basis van de Belgische wet op de inlichtingendiensten. Maar welke regels volgen hun buitenlandse collega’s?

En dan is er nog het gebrek aan toezicht. Het Comité i is niet bevoegd, en ook het Europees Parlement staat buiten spel. Europarlementslid Sophie in’t Veld (D66) pleit, met de steun van liberaal fractieleider Guy Verhofstadt, al langer voor ‘het imbedden van Intcen in een degelijk institutioneel kader’: een duidelijke juridische verankering en democratische controle.

Vertrouwelijk

Een uitweg uit die discussie is om Intcen helemaal niet te bestempelen als inlichtingendienst, hoewel de naam (‘Intelligence Center’) net het tegendeel bewijst. Ook minister van Justitie Annemie Turtelboom (Open VLD) gooit het over die boeg. ‘Intcen heeft de middelen noch hetzelfde doel als andere inlichtingendiensten. De dienst identificeert en analyseert bedreigingen. Maar op basis van al gevalideerde inlichtingen die Intcen krijgt van de nationale geheime diensten. En zo informeert Intcen de Europese beleidsmakers vooral voor het buitenlands beleid.’

Navraag leert dat Intcen, behalve in getalsterkte, niet moet onderdoen voor andere inlichtingendiensten. Het produceert ook ‘top secret’-rapporten over bijvoorbeeld de bewegingen van Syrische rebellen en de terreurdreiging. Net als andere geheime diensten. Het mag dan al geen ‘buitendienst’ hebben die echt terreinwerk doet. Maar Intcen kan aan alle Europese geheime diensten de meest vertrouwelijke informatie vragen en de diensten mogen Intcen spontaan voeden met inlichtingen. Die worden dan verwerkt door een 50-tal leden van de analysedienst. De rest van de 70 personeelsleden vergaart op eigen houtje inlichtingen uit ‘open bronnen’.

En dankzij zijn voorgeschiedenis moet de dienst weinig verantwoording afleggen. In 1999 ging een klein ploegje ‘analisten’ aan de slag bij Javier Solana, de eerste EU-vertegenwoordiger voor het buitenlands beleid. Ze konden alleen publieke informatie verzamelen. De ploeg stond bekend als Sitcen (‘Situation Center’).

Maar na de terreuraanslagen van 11 september 2001 besloot Solana de ploeg te versterken en ook rapporten met vertrouwelijke informatie te laten maken. De strijd tegen terrorisme werd daarbij een belangrijke opdracht. En geheime agenten uit onder andere Frankrijk, Nederland en Duitsland versterkten de rangen.

Het verdrag van Lissabon gaf de Europese Unie een eigen ‘minister’ van Buitenlandse Zaken, Cathy Ashton, met een eigen Europese diplomatieke dienst, de EEAS. Het opzetten van die dienst heeft Ashton de voorbije vier jaar wellicht meer tijd gekost dan het echte diplomatieke werk.

Het Sitcen verhuisde naar het gloednieuwe ronde EEAS-gebouw aan het Schumanplein. In maart 2011 vertrouwde Ashton de Europese inlichtingendienst toe aan Ilka Salmi, de chef van een inlichtingendienst in Finland. Salmi nam de functie tijdelijk op en vertrekt over een goed jaar nagenoeg zeker teug naar de Finse staatsveiligheid. Een van de zaken die nauwelijks geregeld zijn in de EEAS, is het statuut van de tijdelijk gedetacheerden. ‘Dat is werk voor de volgende Europese Commissie’, is te horen.

Vanaf 2012 veranderde de naam van de inlichtingendienst in Intcen. In dat jaar kreeg Intcen ook een kleine broer, genaamd ‘Sitroom’, die dienst doet als een echt crisiscentrum. Een dienst van zowat 20 mensen die permanent bemand wordt en de media afspeurt naar mogelijke aanslagen of rampen.

Zo is de dienst die 14 jaar geleden is opgericht met een eenvoudig, intern besluit van Javier Solana in stilte uitgegroeid tot een Europese inlichtingendienst in onze hoofdstad. Toch ziet Turtelboom nog voldoende controlemogelijkheden. ‘Intcen werkt uitsluitend op basis van informatie van nationale inlichtingendiensten. En die laatste zijn wel onderhevig aan een nationale parlementaire controle’, luidt het.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content