Het spirituele van abstracte kunst

Kandinsky wordt beschouwd als de voedstervader van de abstracte kunst. Waarom, bedacht de Russische schilder, zou een schilderij ook niet abstract kunnen zijn? Muziek is toch ook abstract?

(tijd) Waarom zouden kleurtoetsen ook geen compositie kunnen vormen, zoals muzieknoten in een symfonie? Een tentoonstelling in de Londonse Tate Modern schetst hoe Kandinsky tot die abstracte schilderkunst kwam. Vassili Kandinsky was al 30 jaar toen hij in 1896 begon te schilderen. Als zoon van een rijke theehandelaar, had hij rechten en economie gestudeerd en was hij docent aan de rechtsfaculteit van de universiteit van Moskou geweest. Maar de ontdekking van de impressionistische doeken van hooimijten van Claude Monet en de opvoering van 'Lohengrin' van Richard Wagner veranderden zijn leven. Muziek bleef altijd een belangrijke rol spelen in zijn kunstzinnige ontwikkeling; ook zijn levenslange vriendschap met de Weense componist Arnold Schönberg had een sterke invloed op zijn werk. In de beginjaren van de 20ste eeuw waren Kandinsky's schilderijen een mozaïek van vibrerende toefjes verf, erfpachtig aan het postimpressionisme en het fauvisme maar ook aan de Russische volkscultuur, die hij als student uitgebreid had bestudeerd. In 1906 schilderde hij 'Chant de la Volga', zowaar een naïef beeld vol heimwee naar de Russische tradities en legenden.

Kandinsky reisde veel, ook in de Arabische wereld zoals sommige schilderijen getuigen. Hij verbleef vaak in München waar hij landschappen en - als fervent tuinier - zijn eigen tuin vormgaf. Die Zuid-Beierse landschappen en bergzichten werden alsmaar gestileerder. De geobserveerde werkelijkheid verschoof geleidelijk naar een meer abstracte weergave. Een kijk op de wereld uitgedrukt in straffe kleuren: intens diepblauw, warm bordeaux, frisgeel, donker violet. Maar die veelkleurigheid zit vaak vervat in een strakke belijning, en die 'klare lijn' verdwijnt nooit helemaal uit Kandinsky's werk. De reeks 'Improvisaties' zijn nog altijd landschappen op doek, met vervormde huisjes, kinderlijke proporties en scheefgetrokken landschappen.

Ongeschoolden en kinderen

Kandinsky was van mening dat ongeschoolde kunstlui en kinderen de capaciteit hebben op een ongekunstelde manier het innerlijke leven van dingen tot uiting te brengen. Dat zoeken naar een meer spirituele kant van kunst werd nog extra gestimuleerd door de oprichting - samen met mensen uit de muziek- en theaterwereld - van de kunstkring 'Die Blaue Reiter' in 1911. Een ontwerp voor de affiche van Kandinsky hangt op de tentoonstelling.

In zijn essay 'Over het spirituele in de kunst' dat hij datzelfde jaar schreef, deelde hij zijn werk in drie categorieën op: 'Impressies' zijn observaties van de omringende wereld; 'Improvisaties' zijn expressies van gemoeds- en gevoelstoestanden en ten slotte 'Composities' die innerlijke visies op grote schaal weergeven. En aan die grote stukken werkte hij hard om kleurcombinaties en dieptewerking optimaal te krijgen. Er zijn maar een tiental Composities bewaard; een aantal zijn de vernieling in gebombardeerd maar de voorstudies geven een hint van het uiteindelijke resultaat.

Die kleinere voorontwerpen werden in Tate Modern in een zaaltje gegroepeerd. Daar hangt ook een merkwaardig sprookje geschilderd op een stukje glas zoals dat de traditie was in Beieren. Die naïeve expressie en de luminositeit van het glas als drager spraken Kandinsky erg aan.

Licht en vooral ademruimte krijgen zijn grotere doeken in deze expositie. En die ruimte maakt dat de toeschouwer in sommige doeken bijna meegezogen wordt; zoals in 'Compositie VII' een groot apocalyptisch doek dat hij in 1913 op drie dagen schilderde maar dat hij twee maanden voorbereidde. Het is een visionair doek waarin hij bijbelse thema's - nog licht herkenbaar - verwerkt: het laatste oordeel, de zondvloed, de verrijzenis, het paradijs. Schilderen was voor Kandinsky 'als een donderende botsing van verschillende werelden die bestemd zijn om door en met conflicten een nieuwe wereld te creëren. Een nieuwe wereld met de naam van Het Werk'.

Nog een somber werk is 'Twilight' (Schemering), erg donker met veel zwart en weinig kleurstippen. Hij schilderde het in 1917, het jaar van de Russische Revolutie. Nadien schilderde hij gedurende twee jaar niet meer, deels omdat er geen geld voorhanden was, deels omdat hij in diverse kunstinstituten van het nieuwe Bolsjewistische bewind zitting had.

De sombere periode eindigde in 1919 toen hij kennismaakte met de Russische avant-garde, met Malevitch en Rodchenko. Zijn werk vereenvoudigde van vorm, de structuur was begrijpelijker en minder chaotisch, de kleuren lichter en helderder en er dook veel wit op in zijn werken, zodat de zwarte lijnen meer gaan zweven. Maar vooral van Rodchenko kreeg Kandinsky kritiek omdat hij een te bourgeois en te individualistisch kunstenaar zou zijn. Te weinig collectivistisch dus.

In 1921 verliet hij de Sovjet-Unie om nooit meer terug te keren. Hij werd leraar aan het Bauhaus in Dessau. En toen verdwenen de fluïde vormen, de vibrerende kleuren en doken geometrische cirkels en vierkanten op. Maar voor Kandinsky hadden zelfs rationele vormen hun eigen innerlijke 'klank'. Zijn werken werden op dat moment wereldberoemd, maar de tentoonstelling beëindigt haar overzicht in 1921, op een keerpunt van zijn zoektocht naar abstract. Al bij al een emotionele, ontroerende abstractie.

Stéphane MEYS

De tentoonstelling 'Kandinsky: The path to abstraction' is tot 1 oktober te zien in Tate Modern, in London. 00-44-20/788.780.00, www.tate.org.uk , www.eurostar.com

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud