Hollywoods favoriete slechterik, Jack Palance, overleden

Acteur Jack Palance, Hollywoods favoriete "slechterik", is dood. Hij overleed vrijdag in zijn woning in Montecito, Californië, op 87-jarige leeftijd.

(belga) Met zijn rauwe, spichtige uiterlijk bleek hij ideaal als cowboy met de zwarte hoed en als psychopaat, moordenaar of gangster in de film noir. Merkwaardig genoeg dankt hij zijn bekendheid bij het jongere filmvolk aan een komedie: "City Slickers" (I en II). Deel 1 van die film leverde hem overigens een Oscar voor de bijrol op.

Palance heette eigenlijk Walter Palahnuik. Hij werd op 18 februari 1919 geboren in Lattimer, Pennsylvania, als kind van weinig bemiddelde Oekraiense migranten. In zijn eerste films prijkte hij als Walter Jack Palance op de generiek.Voor zijn filmdebuut kwam Palance onder meer aan de kost als mijnwerker en profbokser. Tussendoor studeerde hij journalistiek en toneel. In de Tweede Wereldoorlog liep hij als piloot van een gevechtsvliegtuig zware brandwonden in het gezicht op. Hij had verscheidene operaties nodig om weer toonbaar te worden. Ergens bleken die ingrepen zijn geluk: het gegroefde, uitgemergelde gezicht dat hij aan het ongeval overhield, bezorgden hem de ideale "look" als "bad guy" in Hollywood. Zo schopte hij het zelfs tot antagonist van stripheld Lucky Luke: Phil IJzerdraad in het gelijknamige album.

Bij zijn filmdebuut, in 1950, was het meteen raak: in "Panic in the Streets" van Elia Kazan speelt hij een moordenaar die zonder het te weten geïnfecteerd is met de builenpest. Voor Kazan had hij eerder al, op de toneelplanken, de rol van Anthony Quinn en later Marlon Brando overgenomen als Stanley Kowalsky in "A Streetcar named Desire". Daarna volgden twee films die hem evenveel Oscarnominaties opleverden: de noir-thriller "Sudden Fear" waar hij Joan Crawford verleidt met de bedoeling haar om te brengen, en de wat zeemzoeterige western "Shane". Ander hoogtepunt uit de vroege carrière van Palance: de Hollywood-over-Hollywoodfilm "The Big Knife" (1955) van Robert Aldrich, een psychologische studie waarin Palance een Hollywoodacteur op zijn retour speelt, wiens huwelijk ook al op de klippen dreigt te lopen. Een jaar later draaide hij met diezelfde Aldrich de verbluffende (anti-)oorlogsfilm "Attack", over echte heldenmoed versus carrièrejacht. In het begin van de jaren zestig speelde hij zelfs mee in een Godard-film: het beroemde "Le Mépris".

In de loop der jaren incarneerde Palance in bioscoop- en tv-films verscheidene bekende figuren, van graaf Dracula over Hunnenkoning Attila ("Sign of the Pagan") en Fidel Castro (in "Che") tot Jack the Ripper.Palance, misantroop en vijand van de lege glitterwereld, kwam uiteindelijk -en onvermijdelijk- in aanvaring met Hollywood, ook al omdat hij het beu was getypecast te worden als antipathieke antagonist. De klaterwereld van nepgoud spuwde helm uit, en jarenlang was Palance enkel nog te vinden in derderangsfilms en goedkope spaghettiwesterns, met uitzondering van "Barabbas" (1962) en de harde western "The Professionals" (1966).

De ommekeer, en Palance's "tweede carrière", kwam er met de kleine film "Bagdad Café" (Out of Rosenheim) van Percy Adlon, waar hij als amateurschilder in een verlaten gat een relatie begint met de Duitse toeriste Marianne Sägebrecht. Een jaar later reeds kon hij zich weer uitleven in A-films als "Batman" en "Young Guns". Maar ook als herontdekte celebrity gaf Palance er de voorkeur aan, zich in het isolement van zijn ranch in Californië ver van het gewoel te houden en zich aan de schilderkunst te wijden.

Foto Belga

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud