Aansprakelijkheid van bestuurders en beheerders: nieuwe tendenzen

Financiële moeilijkheden bij vennootschappen en bij VZW's die lonen aan hun personeel uitbetalen, leiden vaak tot het achterwege blijven van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. De fiscus tracht bij faillissement of vereffening van de rechtspersoon de bestuurders of beheerders van de vennootschap of de VZW persoonlijk tot schadevergoeding aan te spreken voor de onbetaald gebleven bedrijfsvoorheffing. Hoewel de fiscus met deze vordering in de praktijk vaak succes boekt, staan de bestuurders en beheerders niet machteloos.

De uitkering van bezoldigingen en lonen brengt in principe steeds de verplichting met zich mee om de bedrijfsvoorheffing in te houden en door te storten aan de Schatkist. Deze regel geldt uiteraard eveneens voor de vennootschappen of VZW's die aan hun bestuurders, beheerders of werknemers lonen uitbetalen. Financiële moeilijkheden kunnen er echter toe leiden dat de bedrijfsvoorheffing niet is doorgestort. Denken we bijvoorbeeld aan een voetbalclub, opgericht onder de vorm van een VZW, die in financiële moeilijkheden verkeert en wel de lonen aan de spelers uitkeert, maar geen bedrijfsvoorheffing aan de Schatkist doorstort.

Niet zelden blijken de financiële moeilijkheden uiteindelijk uit te lopen op de vereffening van de VZW of het faillissement van de vennootschap. Ook de fiscus is dan schuldeiser en heeft een schuldvordering op de vennootschap of VZW voor de niet betaalde bedrijfsvoorheffing. Vaak echter vist de fiscus achter het net aangezien er bij de vereffening niet voldoende actief overblijft om de niet gestorte bedrijfsvoorheffing te betalen.

De fiscus legt zich echter niet bij deze situatie neer en richt zich in zo'n gevallen soms tot de voormalige bestuurders of beheerders van de vereffende vennootschap of VZW om hen persoonlijk aan te spreken tot schadevergoeding voor de onbetaalde bedrijfsvoorheffing. De achterliggende redenering is vrij eenvoudig. De fiscus evalueert de geleden schade aan de hand van de niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing. Die schade is te wijten aan een fout van de voormalige bestuurders of beheerders die de bedrijfsvoorheffing niet hebben doorgestort. Bijgevolg vordert de fiscus van hen een schadevergoeding waarvan het bedrag even groot is als de niet betaalde bedrijfsvoorheffing (plus de interesten).

De administratie steunt de vordering in schadevergoeding op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel verplicht diegene die schade heeft veroorzaakt (de 'dader') tot een schadevergoeding aan diegene die de schade heeft geleden (het 'slachtoffer'). Een succesvolle toepassing van artikel 1382 B.W. vereist van het slachtoffer een drievoudig bewijs. Ten eerste moet hij de fout van de dader kunnen aantonen.

Deze fout kan bestaan uit de schending van een wettelijke of reglementaire bepaling of uit een inbreuk op de voor iedereen geldende algemene zorgvuldigheidsnorm. In dit laatste geval moet het slachtoffer wel bewijzen dat de 'dader' niet als een normaal en zorgvuldig persoon heeft gehandeld.

Naast het bewijs van de fout moet het slachtoffer ook het bestaan van de schade en van het oorzakelijke verband aantonen. Dit element vergt het bewijs dat de schade zich zonder de fout niet, of althans niet in die mate, zou hebben voorgedaan.

Is er schending van een wettelijke of reglementaire bepaling

De administratie zal in eerste instantie trachten aan te tonen dat de fout van de bestuurders of beheerders uit de inbreuk op een wettelijke of reglementaire bepaling bestaat en, meer bepaald, uit een schending van artikel 86 van het Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen (hierna KB). Dit artikel bepaalt letterlijk dat 'de natuurlijke personen en rechtspersonen, net als alle personen die geheel of ten dele de leiding of het beheer van vennootschappen, verenigingen, instellingen of lichamen zonder rechtspersoonlijkheid waarnemen, de bedrijfsvoorheffing op de door hen betaalde of toegekende bezoldigingen aan de Schatkist moeten storten'.

De administratie heeft een tijd volgehouden dat de verplichting tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing niet enkel op de vennootschappen en de VZW's (de rechtspersonen) van toepassing is, maar dat bestuurders en beheerders hier persoonlijk toe verplicht zouden zijn. Dit standpunt kreeg kritiek te verduren in de rechtsleer. Een aandachtige lezing van artikel 86 KB leert immers dat de verplichting tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing enkel berust op drie categorieën van belastingplichtigen. De eerste twee categorieën betreffen de in artikel 86 KB vermelde 'natuurlijke personen' en 'rechtspersonen' die personeel tewerkstellen. Zij moeten de bedrijfsvoorheffing op de door hen betaalde lonen inhouden en doorstorten aan de Schatkist.

De derde categorie bestaat uit 'alle personen die, geheel of gedeeltelijk, de leiding of het beheer waarnemen van vennootschappen, verenigingen, instellingen of lichamen zonder rechtspersoonlijkheid.' Het is deze zinsnede die tot verwarring leidde. De administratie leidde de persoonlijke verplichting voor bestuurders en beheerders van rechtspersonen tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing af uit het feit dat er in artikel 86 van het KB sprake is van hen die 'het beheer of de leiding waarnemen van vennootschappen'.

Deze zienswijze veronderstelt dat de woordgroep 'zonder rechtspersoonlijkheid' in artikel 86 van het KB enkel betrekking heeft op de in datzelfde artikel bedoelde 'lichamen'. Nochtans lijkt dit geen zinvolle interpretatie te zijn. Waarom zou de wetgever immers enkel de lichamen zonder rechtspersoonlijkheid hebben bedoeld? Indien bovendien enkel de lichamen zonder rechtspersoonlijkheid zouden zijn bedoeld, hoe moet men dan het begrip 'vennootschappen' en 'verenigingen' in artikel 86 van het KB interpreteren? Er bestaan immers vennootschappen en verenigingen met en zonder rechtspersoonlijkheid. Een zinvolle interpretatie leidt er dan ook toe dat artikel 86 van het KB enkel de vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid bedoelt, aangezien diegenen met rechtspersoonlijkheid reeds onder categorie 2 (de 'rechtspersonen') vallen.

Uit deze interpretatie volgt dat enkel bij een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid de verplichting tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing rust op diegenen die het beheer of de leiding waarnemen. Deze interpretatie van artikel 86 van het KB is overigens in overeenstemming met de opzet van het Wetboek van Inkomstenbelastingen dat geen afzonderlijk fiscaal bestaan aan entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid toekent. Indien een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld een burgerlijke vennootschap of een feitelijke vereniging) inkomsten verwerft, dan belast de belastingwet deze inkomsten niet bij de burgerlijke vennootschap of vereniging zelf, maar wel bij de vennoten van deze burgerlijke vennootschap of de leden van de feitelijke vereniging (artikel 29 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen).

Belangrijk is dat de fiscus in recente zaken uitdrukkelijk heeft erkend dat de verplichting tot doorstorting bij rechtspersonen in principe op de rechtspersoon zelf rust en niet op de bestuurders of beheerders persoonlijk.

Kan de fiscus een beroep doen op de orgaantheorie?

De administratie verwijst daarnaast echter naar de zogenaamde orgaantheorie. Volgens deze theorie handelt een rechtspersoon noodzakelijk door zijn organen of lasthebbers. Toegepast op deze problematiek betekent dit het volgende. De wet legt de verplichting tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing weliswaar bij de rechtspersoon zelf, maar deze rechtspersoon handelt via haar organen of lasthebbers: de bestuurders en beheerders. Het is dan ook aan hen om de bedrijfsvoorheffing door te storten. Door dat niet te doen, handelen zij niet als zorgvuldige bestuurders of beheerders.

Ook op grond van deze theorie lijkt de fiscus echter bot te vangen. De orgaantheorie leidt er immers toe dat de fout die een orgaan begaat in de uitoefening van zijn functie rechtstreeks wordt toegerekend aan de rechtspersoon zelf. Bestuurders of beheerders kunnen dan ook niet persoonlijk aansprakelijk zijn ten aanzien van derden voor fouten begaan in de uitoefening van hun functie. Enkel voor de schending van verplichtingen die persoonlijk op hen rusten, zijn de bestuurders en beheerders aansprakelijk. Maar ze hebben geen persoonlijke wettelijke verplichting tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing.

Het Hof van Cassatie besliste bovendien onlangs dat de fout die een orgaan begaat in de uitvoering van zijn functie en die geen strafrechtelijk misdrijf uitmaakt, niet de bestuurder maar wel de vennootschap tot een vergoeding verplicht. In principe maakt de opzettelijke schending van een bepaling van het wetboek van inkomstenbelastingen een strafrechtelijk misdrijf uit, maar aangezien de fiscus erkent dat de verplichting tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing niet op de bestuurders of beheerders persoonlijk rust, kan er voor hen - wegens gebrek aan schending van een wettelijke verplichting - van een misdrijf geen sprake zijn. Ook indien men dus aanvaardt dat de niet-doorstorting van de bedrijfsvoorheffing een fout zou kunnen vormen van de bestuurders in de uitoefening van hun functie, dan nog verplicht deze fout enkel de vennootschap of de vereniging tot schadevergoeding en niet de bestuurders of beheerders persoonlijk.

Accountant en docent aan het departement handelswetenschappen en be-

stuurskunde van de Hogeschool Gent

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud