De bewijskracht van een boekhouding zonder ontvangstendagboek

De fiscus heeft het recht de boekhouding van een ondernemer te onderzoeken om de winst of het verlies te controleren. Als daarbij de boekhouding niet bewijskrachtig is of leemten vertoont, kan de administratie de winst verhogen of het verlies aanpakken. Maar betekent het ontbreken van een ontvangstendagboek meteen dat de boekhouding niet bewijskrachtig is? Niet noodzakelijk, bleek recentelijk uit het antwoord van de federale minister van Financiën, Didier Reynders.

Opdat een boekhouding als regelmatig kan worden bestempeld met volledige bewijskracht tegenover de fiscus is vereist maar volstaat het dat de voorgelegde boeken en stukken een samenhangend geheel vormen aan de hand waarvan de belastbare inkomsten kunnen worden bepaald. Daarnaast moeten alle geschriften gestaafd zijn door bewijsstukken. Tot slot moeten alle geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen. Deze normen gelden ongeacht de aard van de onderneming en gelden zowel voor directe belastingen als BTW.

Is een boekhouding niet bewijskrachtig, dan kan de fiscus kiezen uit een aantal sancties. De meest bekende is de mogelijkheid voor de fiscus een taxatie bij vergelijking op te zetten. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd door de belanghebbenden, hetzij door de administratie, wordt voor directe belastingen de winst of de baat voor elke belastingplichtige bepaald naar de normale winst of baat van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen. Dit met inachtneming van het aangewende kapitaal, de omzet, het aantal werklieden, de benuttigde drijfkracht, de huurwaarde van in bedrijf genomen gronden, alsmede alle andere nuttige inlichtingen.

Kan de fiscus de bewijskracht onderuit halen, dan mag ze de gevreesde vergelijkingsprocedure opstarten en dus de winst van de onderneming bepalen in vergelijking met drie collega's. Maar alvorens de fiscus deze methode mag toepassen, moet hij vooraf aantonen dat de boekhouding niet bewijskrachtig is. Deze methode is in de zeventiger jaren veelvuldig gebruikt. Met wisselend succes. Probleem daarbij is dat de fiscus drie belastingplichtigen moet weten te vinden die vergelijkbaar zijn. Vroeger was het trouwens zo dat de geviseerde belastingplichtige de ondernemingen waarmee hij vergeleken werd helemaal niet kende. Nu kan dit geremedieerd worden door toepassing te vragen van de wet van 11.04.1994 (B.S., 30.06.1994) betreffende de openbaarheid van bestuur. Deze voorziet, naast een voorlichtingsplicht van de overheid (actieve openbaarheid), vooral in de mogelijkheid voor een belastingplichtige om op verzoek alle bestuursdocumenten waarover de administratie beschikt in te zien en ze zo nodig te laten verbeteren. Deze laatste twee aspecten noemt men de passieve openbaarheid. Ook de federale fiscus moet dit aspect toepassen. Via deze procedure zou de belastingplichtige nu wel de hoedanigheid kunnen te weten komen van de drie belastingplichtigen waarmee hij wordt vergeleken.

Vandaag wordt taxatie bij vergelijking bijna niet meer toegepast. De fiscus moet niet alleen goede argumenten vinden om de boekhouding te verwerpen. Het is trouwens geen sinecure drie soortgelijke belastingplichtigen te vinden. Meer en meer maakt de fiscus gebruik van het feitelijk vermoeden. Een gemeenrechtelijk bewijs dat in fiscale zaken is toegestaan (art. 340 W.I.B. 1992). Hij kan uit een bekend feit een onbekend feit afleiden. Het bekende feit moet daarbij werkelijk bekend zijn. Rond dat feit mag dus geen enkele discussie bestaan nopens de materiële werkelijkheid. Stel dat een vennootschap glas verkoopt. Binnen dat gamma leveren zij ook spiegels 'tailor made'. In zo'n geval kan de fiscus de aankopen van spiegelglas optellen die gedurende het boekjaar zijn gedaan. Neem aan dat dit 1.000 m2 is. De beginvoorraad spiegels was 100 m2 en de eindvoorraad 200 m2. Dan mag geconcludeerd worden dat 900 m2 spiegelglas is verwerkt. Op de verkoopfacturen telt de fiscus maar voor 500 m2 verkocht spiegelglas. Waar zijn de overige 400 m2 dan naartoe? Een pientere glashandelaar met gevoel voor humor kan dan misschien argumenteren dat nogal wat spiegels worden gebroken bij het transport en de montage ervan onder het adagium 'scherven brengen geluk'. De fiscus zal uiteraard bereid zijn een verliespercentage aan te nemen. Maar goed de helft verliezen, neemt hij wellicht niet aan. Op basis van deze hoeveelheidcontrole vertrekt de fiscus van het bekende feit dat 900 m2 spiegels zijn verwerkt en maar 500 m2 spiegels zijn verkocht. Daaruit zal hij het onbekende feit afleiden dat een stuk van de verkochte spiegels niet zijn ingeschreven in de boekhouding. Via dit krachtige feitelijk vermoedenbewijs kan hij taxeren zonder eerst de boekhouding formeel te moeten verwerpen.

Een andere tactiek van de fiscus is een aantal elementen aan te halen die leiden tot een niet bewijskrachtige boekhouding en van zodra dit is gebeurd, een eigen berekende winst voor te houden zonder over te gaan tot een taxatie bij vergelijking. Meteen is de vraag of dit kan. Principieel niet. Als de boekhouding niet bewijskrachtig is, zondermeer stellen dat een aannemer 2.000 uur per jaar heeft gewerkt aan een tarief van 30 euro per uur, zal moeilijk zijn. Tenzij die 2.000 uur en de 30 euro per uur bekende feiten zijn binnen het feitelijke vermoedenbewijs. Maar als de 30 euro per uur door de fiscus wordt genomen uit een of ander vakblad van aannemers, dan zal de rechter zo goed als zeker deze berekening verwerpen. Dat is geen bekend feit in hoofde van de betrokken belastingplichtige.

Om tot zo'n redenering te komen beperkt de fiscus zich soms tot één enkel gebrek in de boekhouding. Maar wat als de fiscus vaststelt dat een BTW-belastingplichtige met contante verkopen geen contante ontvangstendagboek heeft? Dat dagboek moet bijgehouden worden per bedrijfszetel waarin de ontvangsten moeten ingeschreven worden met betrekking tot de handelingen waarvoor zij gebruik maken van de ontheffing van de factureringsplicht. Dit is dus een cruciaal boek waar dagelijks de contante verkopen moeten in genoteerd worden. Als dergelijk boek niet bestaat, vormt dat een inbreuk op de BTW-wetgeving.

Maar brengt dat automatisch de bewijskracht van de boekhouding in het gedrang? Deze vraag werd onlangs gesteld aan minister Reynders. De minister antwoordt dat de boekhouding haar bewijskracht verliest als het dagboek met gedetailleerde ontvangsten ontbreekt en dit als gevolg heeft dat een controle op de ontvangsten onmogelijk is door gebrek aan gedetailleerde aanduiding van de geleverde goederen of diensten. Als de belastingplichtige met andere middelen zijn contante verkopen kan detailleren, kan de fiscus op basis van aankopen, voorraden en eventuele personeelsbezetting de aangegeven verkopen controleren.

Een hoeveelheidcontrole is dan toch mogelijk ook al is geen contant ontvangstendagboek voor handen. Een paar voorbeelden. Eén van de specifieke vereisten van het contante ontvangstendagboek is dat het vastbladig moet zijn. Stel dat het niet vastbladig is. Dan kan de boekhouding toch bewijskrachtig blijven. Als ze maar controleerbaar is. Anderzijds: neem aan dat een perfect bijgehouden vastbladig contante ontvangstendagboek bestaat maar dat daar per dag maar één totaal wordt in geschreven. Dan dreigt die boekhouding niet bewijskrachtig te zijn. Tenzij de belastingplichtige per dagtotaal een detail kan geven van de verkochte goederen of diensten. Waarmee nog maar eens is bewezen dat niet de vorm, maar de inhoud van de boekhouding telt.

Accountant, docent Hogeschool Gent en gastprofessor Universiteit Gent

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud