Ondernemerschapsportefeuille komt er in 2006

(tijd) - De Vlaamse opleidingscheques missen hun doel. 80 procent van de cheques is naar opleidingen gegaan die zonder steun ook hadden plaatsgevonden. En hoewel het merendeel van de cheques is opgesoupeerd door KMO's, heeft amper 6 procent van de kleinste bedrijven er gebruik van gemaakt. Daarom vervangt Vlaams minister van Economie, Fientje Moerman (VLD), de steuncheques door de ondernemerschapsportefeuille.

De ondernemerschapsportefeuille focust op de KMO's en maakt voor hen een bijkomend aantal cheques vrij die tot 2005 door de grote ondernemingen werden ingekocht. Voor de grote ondernemingen overweegt Moerman een nieuwe regeling van strategische opleidingssteun uit te werken.

'Het doel is dat we het ondernemerschap professionaliseren en dat zoveel mogelijk KMO's goed gebruik kunnen maken van de steun ter zake', zegt ze. Om dat laatste te bevorderen, kent Moerman de bedrijven de portefeuille van 5.000 euro slechts om de drie jaar toe. Op die manier zou er een soort beurtrol moeten ontstaan, maar dan alleen onder KMO's. Grotere ondernemingen zijn voortaan uitgesloten van de steun. Ook bedraagt de steun niet langer 50 procent van de investering, maar slechts 35 procent. Door de inbreng van de bedrijven te verhogen hoopt de minister ook het doodgewichteffect te verminderen. Een bedrijf mag maximaal 2.500 euro besteden aan een van de vier vakjes in zijn portefeuille.

Moerman baseert haar beslissing op een analyse van sterktes en zwaktes, van kansen en bedreigingen van de opleidingscheque.

Als sterktes noteert Moerman de hoge penetratiegraad, het toch grote gebruik bij kleine ondernemingen, en de klantvriendelijkheid, toegankelijkheid en administratieve efficiëntie van het elektronische boekingssysteem. Uiteraard vormen het doodgewichteffect van 80 procent en de te geringe extra opleidingsinvesteringen de zwaktes. De opleidingscheque wordt ondermaats gebruikt door de eenmanszaken en kleine ondernemingen, bevredigend door de middelgrote bedrijven en zeer intensief door de grote ondernemingen.

Dat de vraag het aanbod overtreft, is een bedreiging, net als een licht opwaarts prijseffect en een zekere fraudegevoeligheid. Doordat grotere ondernemingen hun cheques snel reserveerden, visten vele kleinere bedrijven achter het net. Het prijseffect zat hem vooral in het afronden van prijzen naar een veelvoud van 30 euro, de nominale waarde van een opleidingscheque. De fraudegevoeligheid betreft het gebruik van de cheques voor catering, logies en buitenlandse verplaatsingskosten.

Moerman bekijkt de opleidingssteun voor werkgevers in de ruimere context van de economische steun die ze aan ondernemers geeft. Ze liet ook effectstudies bij de gebruikers van de andere steunsystemen uitvoeren, met name de gratis opstartcheques, de adviescheques en de durf-na-adviescheques (dna-cheques in de voorbereidingsfase van een starter). Haar conclusies uit de studies zijn bij wijlen radicaal.

'De gratis opstartcheques van 300 euro dekten amper de kosten aan het ondernemingsloket en waren nutteloos als aanmoediging. Van het budget voor dna-cheques vroegen gebruikers slechts een kleine 15 procent op en dan nog vaak voor advies dat de starters sowieso gratis bij een notaris of zo kon opvragen', stelt Moerman.

Ook de adviescheques kenden een oneigenlijk gebruik. 'Vaak werden ze gebruikt voor wettelijk verplicht advies, wat natuurlijk niet de bedoeling was. Meer dan 40 procent van de cheques werd aangevraagd voor bodemsanering, grotendeels voor brandstoftanks en tankstations', stelt de minister vast.

Moerman behoudt in de nieuwe ondernemerschapsportefeuille wel de vakjes advies en opleiding en voegt er twee nieuwe aan toe: kennisoverdracht en mentorschap bij het zoeken van extern risicokapitaal.

Op die punten krijgt het initiatief veel kritiek in de opleidingsbranche. In het systeem van de opleidingscheques konden werkgevers jaarlijks 3.000 euro opgebruiken, goed voor een investering van 6.000 euro per jaar. De opleidingssteun wordt dus fiks verlaagd, luidt de kritiek van onder meer de Sociaal-Economische Raad Vlaanderen (SERV) en de opleidingsverstrekkers.

'Het klopt dat een bedrijf er slechts om de drie jaar gebruik van kan maken, om zoveel mogelijk bedrijven aan bod te laten komen. Maar de investering die wordt gesteund, verlaagt niet. Als een bedrijf bijvoorbeeld 2.500 euro opstrijkt voor zijn opleidingsactiviteiten, investeert het meer dan 7.000 euro, omdat het 65 procent uit eigen zak betaalt', zegt Moerman. Ze maakt duidelijk dat haar budget voor de ondernemerssteun niet is gezakt, maar zelfs lichtjes is gestegen, tot 41,75 miljoen euro.

Met de beurtrol in het gebruik van de portefeuille beperkt de overheid de subsidies per bedrijf. Opleidingsverstrekkers zien dat als een verlies van aantrekkingskracht tegenover het systeem van de opleidingscheques. Maar de beurtrol kan in theorie nieuwe klanten naar opleidingen lokken, wat de opleidingsverstrekkers en het totaal aan opleidingsinvesteringen op lange termijn ten goede moet komen.

Een niet te onderschatten hinderpaal is wel dat niet-opleidende bedrijven nog moeten worden gesensibiliseerd. De opleidingsbranche zal allicht flink wat moeten investeren in communicatie om die bedrijven het belang van en de nood aan opleidingen voor hun mensen en hun organisatie te doen inzien. Want daar wringt het schoentje. Het nieuwe Vlaamse steunsysteem promoot niet de analyse van opleidingsbehoeften, wat nochtans de ideale voedingsbodem kweekt om gemotiveerd en gefundeerd in de meest geschikte leervormen te investeren.

Dat de opleidingsinvesteringen dreigen verdrongen te geraken in de portefeuille is een verantwoordelijkheid die Moerman bij de ondernemer legt. 'Het is aan de ondernemer om uit te maken waarvoor de steun vooral moet dienen. Ook moet het middenveld meer ruchtbaarheid geven aan de steunmogelijkheden', stelt ze.

Dat ze de opleidingsbranche recentelijk niet heeft geraadpleegd, vindt Moerman geen punt omdat ze via het onderzoek de gebruikers rechtstreeks heeft bevraagd. Moerman garandeert de privé-opleidingsverstrekkers ook dat de sterke publieke spelers op die markt volledig marktconform moeten werken.

De kritiek dat ze het opzetten van een opleidingsfonds in de wielen rijdt, pikt Moerman evenmin. 'In de ondernemingsconferentie kwam het opleidingsfonds alleen aan de orde in de context van de hefboomkredieten en de opleidingscheques voor werknemers.' Moerman laat verstaan dat een opleidingsfonds langs de kant van het arbeidsbeleid nog altijd kan en best complementair kan zijn met de ondernemerschapsportefeuille. Ze wijst er ook op dat zij de Talentenbank niet afschiet, maar dat de Inspectie van Financiën dat eerder al had gedaan.

De eerstkomende weken wil Moerman haar voorstel voor de ondernemerschapsportefeuille licht aangepast voorleggen op een Vlaamse ministerraad. Ze mikt op de invoering van het systeem in het voorjaar van 2006.

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud