Vermindering van heffing op afvalwater moeilijk te verkrijgen

Het is niet makkelijk om aan de heffing op de verontreiniging van oppervlaktewater te ontkomen. Zelfs nullozers betalen nog een bedrag van 7,5 euro. Maar ook bedrijven die hun afvalwater enkel laten analyseren in de periode vóór het realiseren van de vervuiling reducerende maatregelen, komen niet in aanmerking voor vermindering van heffingen. De gevolgen van de milieuheffingen, die het Vlaams Gewest invoerde als reactie op de hervorming van de vennootschapsbelasting, laten zich nu pas voelen.

De wasserij- en textielsector kon intussen specifieke compenserende maatregelen in de wacht slepen met betrekking tot de Vlaamse heffing inzake de verontreiniging van de oppervlaktewateren (HVO). Andere industriële sectoren blijven evenwel met lege handen staan: in het op 21 maart 2003 afgesloten Vlaamse werkgelegenheidsakkoord 2003-2004 werd een algemene compensatiemaatregel afgewezen. De financiële gevolgen zullen ingrijpend zijn.

De heffing inzake verontreiniging van de oppervlaktewateren (HVO) is vervat in hoofdstuk III bis van de wet van 26 maart 1971 inzake de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging. Ze werd eind 1990 in deze wet ingevoegd door de Vlaamse decreetgever en werd sedertdien talloze malen gewijzigd. De Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) berekent en int de HVO. Zij stort de ontvangen heffingsbedragen integraal door aan het MINA-fonds.

Al wie in Vlaanderen water afneemt van een openbare drinkwatermaatschappij, water verbruikt via een eigen waterwinning, of water loost, is heffingsplichtig en moet een HVO betalen. Een aantal waterverbruikers zijn evenwel omwille van sociale redenen vrijgesteld van HVO. Ook gezinnen die beschikken over een particuliere zuiveringsinstallatie kunnen vrijstelling van de HVO bekomen als ze aan een aantal voorwaarden voldoen. Bovendien is vanaf het heffingsjaar 2000 geen HVO verschuldigd op het lozen van opgepompt grondwater in het kader van bodemsaneringswerken waarvoor een conformiteitsattest werd afgeleverd. Ten slotte is ook de NV Aquafin vrijgesteld van HVO op het afvalwater afkomstig van de door haar geëxploiteerde waterzuiveringsstations.

De HVO voor de grootverbruikers wordt berekend door het aantal vervuilingseenheden N te vermenigvuldigen met het eenheidstarief T (HVO = N x T). Het eenheidstarif is vastgelegd op 22,3 euro per vervuilingseenheid en wordt jaarlijks geïndexeerd. Het geïndexeerde eenheidstarief T bedraagt 26,36 euro per vervuilingseenheid voor het heffingsjaar 2002 en 26,72 euro voor het heffingsjaar 2003. De minimumheffing werd op 7,5 euro vastgesteld. Voor het vaststellen van het aantal vervuilingseenheden kan ieder bedrijf kiezen tussen een forfaitaire berekeningsmethode of een berekening op basis van meetgegevens van het geloosde afvalwater. Hierbij moet worden opgemerkt dat de VMM desgewenst kan overgaan tot een heffing op basis van meet- en bemonsteringsgegevens en dit ongeacht het door de heffingsplichtige gekozen regime. Wanneer vanuit het productieproces geen afvalwater geloosd wordt, krijgt het bedrijf het statuut van nullozer. Het betaalt dan de minimumheffing van 7,5 euro.

Uiteraard moet het bedrijf daarvoor aan een aantal criteria voldoen: de niet-lozing moet een feit zijn op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar; op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar mag het bedrijf ook niet (meer) beschikken over een milieu- of lozingsvergunning voor ander dan normaal huishoudelijk afvalwater; de nullozing moet blijken uit een rapport van een erkend milieudeskundige dat bij de aangifte gevoegd moet worden; en de bevoegde administratie mag in de loop van dat jaar geen lozing afkomstig van het productieproces vastgesteld hebben.

Bedrijven die geen afvalwater afkomstig van het productieproces lozen, maar wel sanitair afvalwater lozen, komen eveneens in aanmerking voor het statuut van nullozer. Zij betalen dan enkel een heffing op hun sanitair waterverbruik.

Natuurlijk kan een bedrijf investeren in een milieuvriendelijker productieproces of een zuiveringsinstallatie plaatsen en zo de vervuiling sterk en blijvend reduceren. Zij kunnen aanspraak maken op een vermindering van heffing. U moet hiertoe de nodige bewijzen leveren door metingen uit te voeren op het afvalwater geloosd in de periode voor én in de periode na het doorvoeren van de aanpassing. De geplande maatregelen moeten ook tijdig - minstens één maand voor het doorvoeren van de wijziging - én schriftelijk gemeld worden aan de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). Bedrijven die hun afvalwater enkel in de periode vóór het realiseren van de maatregelen laten analyseren komen niet in aanmerking voor deze opsplitsing. Voor zij die het afvalwater enkel na realisatie van de vuilvrachtreductie laten analyseren wordt de heffingsberekening wel opgesplitst, nl. een forfaitaire berekening voor de periode vóór de aanpassing en een berekening op basis van analyses voor de periode na het doorvoeren van de maatregelen.

De HVO moet betaald worden binnen 2 maanden na de verzending van het heffingsbiljet. Laattijdige betalingen geven aanleiding tot verwijlintresten a rato van 7 procent op jaarbasis en bijkomende kosten. Bij niet betaling van de HVO gaat de VMM over tot het invorderen van de heffing.

Wie het niet eens is met zijn HVO, kan een bezwaar indienen door binnen 3 maanden na de verzending van het heffingsbiljet een gemotiveerd schrijven, vergezeld van een kopie van het betwiste heffingsbiljet te richten aan de VMM. Belangrijk hierbij is dat het indienen van een bezwaar de betaling niet automatisch opschort. Wel kan uitstel of spreiding van betaling aangevraagd worden in het bezwaar. In het kader van een bezwaar kan men eveneens vragen om gehoord te worden om alzo een mondelinge toelichting te geven bij het bezwaarschrift. De bezwaren worden door de VMM chronologisch, volgens datum van ontvangst behandeld. Door deze werkwijze wordt de behandeling van de bezwaren volledig gescheiden van de inkohiering (het vestigen van de HVO) en is een objectieve afhandeling van de bezwaren mogelijk.

Na afloop ontvangt de bezwaarindiender de beslissing per aangetekende zending. Deze beslissing kan worden betwist door tegen de VMM een vordering in te stellen bij gemotiveerd verzoekschrift bij de Rechtbank van Eerste Aanleg die in eerste aanleg uitspraak doet over iedere betwisting inzake de milieuheffingen, ongeacht het heffingsbedrag. De territoriale bevoegdheid van de rechtbank wordt bepaald door de plaats waar de heffing wordt geïnd. Vermits de inning van de heffing gecentraliseerd is op het hoofdbestuur van de VMM is enkel de Rechtbank van Eerste Aanleg, Koophandelsplein 23 te Gent bevoegd. De uitspraken van de rechtbank zijn (ongeacht het bedrag) steeds vatbaar voor beroep.

Tegen een vonnis van de rechtbank is hoger beroep mogelijk bij het hof van beroep van Gent. Ingeval van schending van de wet of van substantiële procedurevormen kan de uitspraak in hoger beroep worden aangevochten voor het Hof van Cassatie.

Hoogleraar Milieu-, Energie- en Bouwrecht, KU Leuven

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud