‘400 tenten per dag voor rampen'

‘Een beetje overal in de wereld liggen producten van ons klaar’, zegt Glenn Verborgh van Alpinter.

Wanneer Glenn Verborgh uit zijn bed wordt gebeld en recht naar zijn bedrijf rijdt, weten zijn buren dat er weer een wereldramp is gebeurd. Verborgh leidt Alpinter, Europa’s grootste voorraadbedrijf aan noodhulp. Of het nu gaat om aardbevingen in Turkije of Haïti, of om overstromingen in Pakistan, Alpinter levert er in twee dagen tenten en dekens.

Dat Europa’s grootste voorraad aan noodhulp voor rampgebieden - dekens, tentzeilen, waterreservoirs en keukengerei - in het Belgische Ronse te vinden is, wou ik met mijn eigen ogen zien. Daar staat daar inderdaad een moderne loods van 2.500 m2 met goederen in, maar voorts is Alpinter een zeer low-profilebedrijf. Vijf werknemers in het kantoor en that’s it. ‘Dat is een bewuste keuze’, zegt Glenn Verborgh, de managing director van Alpinter. ‘Ik hoef ook niet met mijn portret in de krant, integendeel. Na de aardbeving in Haïti zei een kennis smalend tegen me dat ik nu waarschijnlijk een zeer goed jaar zou hebben. ‘Volgende week een nieuwe auto voor de deur?’, vroeg hij. Dat soort opmerkingen krijg ik heel vaak. Ik kan daar alleen maar op antwoorden dat wij inderdaad een commercieel bedrijf zijn en dat we verdienen aan rampen, maar we proberen daar professioneel mee om te gaan. Tenten en dekens van goede kwaliteit voor de best mogelijke prijs.’

Alpinter is begonnen als een spin-off van Heddebaut, bekend van zijn scoutstenten van het merk Alpino, gerund door de familie Heddebaut. Eind jaren 90 ontmoette Didier Heddebaut Glenn Verborgh, die ervaring had opgedaan bij een Antwerpse scheepsbevoorrader. ‘Ik had tijdens de oorlog in Joegoslavië voedselpakketten verstuurd en wou daarin voortgaan. Ik had mijn ervaring, Didier de financiële middelen, en we hebben de handen in elkaar geslagen. We zijn kleinschalig met ons tweeën begonnen, maar toen in 1999 de oorlog in Kosovo begon, en later de aarde beefde in Turkije, waren we pas goed vertrokken.’

Hoe komt zo’n levering van noodhulp tot stand?

Glenn Verborgh: ‘Wij worden gebeld, of we nemen zelf contact op, dat varieert. Onze belangrijkste partners zijn het Rode Kruis en de Verenigde Naties, maar ook andere organisaties doen geregeld een beroep op ons. We spreken af wat nodig is en dan moet dat er zo snel mogelijk staan. Enkele weken geleden werden we gebeld met de vraag of we tenten konden leveren na de aardbeving in Turkije. Donderdagmorgen is de telefoon binnengekomen en vrijdagavond zijn de 1.300 tenten van op de luchthaven van Luik vertrokken. Vijf vrachtwagens waren dat, plus nog enkele vrachtwagens die over de weg naar Turkije reden. In een half uur kunnen we een vrachtwagen laden, met één man.’

U had hier alles in voorraad?

Verborgh: ‘Ja, hier in Ronse hebben we onze meest strategische voorraad. Maar soms vertrekken onze goederen vanuit landen waar we produceren. We maken dekens in Pakistan, tenten in China en in Pakistan, en produceren ook tentzeilen in China. We hebben ook een voorraad in Panama, een bijkantoor in Bulgarije en binnenkort komt daar nog Dubai bij. Ook ngo’s hebben voorraad van ons liggen. Een beetje overal in de wereld liggen dus producten van ons klaar.’

Die voorraden moeten gigantisch zijn.

Verborgh: ‘In cijfers komt dat neer op een capaciteit van 40.000 dekens per week, 400 tenten per dag en een hele reeks andere producten zoals jerrycans, potten en pannen, hygiënepakketten met shampoo, waspoeder, toiletpapier, noem maar op. We hanteren het principe van ‘first come, first served’, want anders wordt het te veel.’

Kampt u met concurrentie?

Verborgh: ‘In Europa niet, maar hier is ook geen productie meer van noodhulpproducten. Pakistan, China en India zijn de landen die sterk staan in onze niche. Daarom zijn wij ook vooral daar aanwezig. We moeten het vooral opnemen tegen de concurrentie daar, maar dat valt al bij al nog mee omdat we betere kwaliteit leveren. Ik geef een voorbeeld: we verdelen nu potten en pannen van uit India, maar we overwegen die ook zelf te fabriceren omdat we vinden dat we het beter zouden kunnen. Ik moet niet weten van dat sweat-shopgedoe.’

Hoezo?

Verborgh: ‘Wij produceren of organiseren ons met onze Europese mentaliteit toch op een andere manier dan de lokale bedrijven daar. We schenken meer aandacht aan veiligheid op de werkvloer, waardoor er minder arbeidsongevallen gebeuren. We waken ook meer over de kwaliteit, waardoor we vermijden dat goederen teruggestuurd worden omdat ze niet aan de verwachtingen voldoen. Lokale producenten hebben daar minder oog voor. Daardoor moeten ze de productie vaak opnieuw beginnen, met alle extra kosten vandien. Op het einde van de rit produceren wij even goedkoop.’

Zijn de ngo’s veeleisend?

Verborgh: ‘Steeds meer. We ondertekenen steeds meer raamcontracten met organisaties voor twee of drie jaar. Daar hangen concrete lastenboeken aan vast. Een tentzeil bijvoorbeeld, dat moet waterdicht zijn, daarom wordt het eerst getest. Om de waterdichtheid te bewijzen wordt er gedurende vijf uur 9.000 liter water over gegoten. Idem voor een jerrycan in plastic. Die moet een val van 2,5 meter aankunnen. Je mag niet vergeten dat onze goederen in rudimentaire omstandigheden en veel intensiever worden gebruikt. De vereisten liggen dan ook hoger dan voor een retailproduct.’

U sprak over 3.000 tenten na de aardbeving in Turkije. Was dat een grote bestelling?

Verborgh: ‘Nee, dat was een kleine urgentie. Na de aardbeving in Pakistan werden 100.000 tenten geleverd. Dat was pas een flinke bestelling.’

Welke nieuwe producten zitten binnenkort in de noodhulppakketten ?

Verborgh: ‘Zonnepanelen wellicht. Ik kan me perfect indenken dat zonnepanelen worden geleverd bij een tent. Die kunnen dan worden ingeschakeld om de omgeving van elektriciteit te voorzien. We zijn dat nog aan het onderzoeken.’

Wordt u hier rijk van?

Verborgh: ‘We zijn een commercieel bedrijf natuurlijk, maar de winst staat onder druk omdat we steeds meer raamcontracten afsluiten, waarvoor we moeten deelnemen aan aanbestedingen. We moeten daarvoor wel wat inboeten op de prijs, maar de schaalgrootte is belangrijk. Het geeft ons ook wat continuïteit en dat is nodig, want onze business is zeer volatiel. Terwijl we in 2009 nog een zakencijfer haalden van 14 miljoen euro, was dat 21 miljoen euro het jaar nadien. We hopen nu dankzij die raamakkoorden rond 25 miljoen euro te blijven, maar eigenlijk is dat moeilijk in te schatten. Rampen zijn natuurlijk niet voorspelbaar.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect

Gesponsorde berichten

n