Generatie Schermzombie

©Getty Images

Ja, kinderen spelen nog. Maar steeds meer online, op kleine schermpjes. Hoe erg is dat?

De sint brengt straks weer bergen traditioneel speelgoed. Lego, gezelschapsspellen, speelhuisjes en rolschaatsen zijn vaste prik in de top 10. ‘Klassiekers blijven klassiekers’, zeggen de producten dan. Maar wereldwijd boert de traditionele speelgoedmarkt achteruit. Oude reuzen als Mattel, dat al bijna zestig jaar Barbies maakt, maar ook het onverwoestbaar geachte Lego krijgen klappen.

©Sabine Joosten / HH

Kinderen spelen nog wel, maar steeds vaker op kleine schermen, leert onderzoek. Gamen, zowel online als op consoles als Playstation of Nintendo, is veruit het favoriete tijdverdrijf. Cijfers van Jan Van Looy, professor aan de Universiteit Gent en onderzoeker voor het onafhankelijke Europese onderzoekscentrum Imec, leren dat 17 procent van de 3-jarigen elke dag een onlinespelletje speelt. 80 procent doet dat minstens één keer per maand. Van de 9-jarigen speelt haast iedereen online, meer dan de helft zelfs elke dag. Een schrale troost voor de bezorgde ouder: de piek komt rond 12 jaar, daarna verliest gamen terrein aan sociale media.

‘Voor jonge kinderen is online spelen de belangrijkste activiteit op de computer’, zegt Van Looy. ‘En dan vooral op de tablet. Een op de drie heeft er zelf een. Een tablet is dan ook gemakkelijk te bedienen, zelfs als je nog niet kan lezen.’

Spelen zoals wij dat kennen, is relatief recent. Pas met het afschaffen van de kinderarbeid aan het einde van de 19de eeuw, maar vooral door de invoering van de leerplicht in 1914, kregen kinderen opeens vrije tijd. In dezelfde periode verschenen de eerste speeltuinen in volkse wijken, vaak aangelegd door de burgerij. Fragiel, handgemaakt speelgoed was weggelegd voor de elite.

De industriële revolutie leidde tot de massaproductie van goedkoper speelgoed. Kinderen kregen mechanische auto’s, porseleinen poppen, houten treintjes en speelhuisjes met elektrische verlichting. Wie vandaag door een speelgoedwinkel loopt, stelt vast dat er nog niet gek veel is veranderd. Het gros komt tegenwoordig uit Azië, en het speelgoed kan misschien spreken, draaien of vliegen, maar de archetypes overleven.

CIJFERS

  • 17 procent van de 3-jarigen speelt dagelijks online.
  • Meer dan de helft van de 9-jarigen speelt dagelijks online. Nagenoeg allemaal spelen ze minstens een keer per maand online.
  • Jongens (45%) spelen vaker dan meisjes (35%) elke dag online.
  • 1 op 3 kinderen jonger dan 10 heeft een eigen tablet.
  • 25% van de ouders speelt online wel eens mee. Vooral de papa’s (32%) spelen graag mee.
  • 6% van de ouders denkt dat games ‘slecht’ zijn voor de ontwikkeling.

Volgens Marc Wellens, de conservator van het Speelgoedmuseum in Mechelen, spelen kinderen wel nog met dat ‘echte speelgoed’. Maar hij ziet de interesse sneller afnemen. ‘Vanaf 10 à 11 jaar geven veel kinderen de voorkeur aan computerspellen. Maar hetzelfde geldt voor volwassenen: modeltreinbanen bouwen, constructies maken met meccano, speelgoed verzamelen, het gebeurt steeds minder. Gaming is ook een activiteit geworden voor twintigers, dertigers en veertigers.’

Wie vindt dat zijn kind te veel voor een scherm zit, moet misschien eerst in de spiegel kijken.

De Nederlandse vooruitgangsoptimist en historicus Rutger Bregman schetst in een essay voor het onlinemedium De Correspondent een somber beeld van een maatschappij waarin gestreste kinderen en hun ouders na een lange schooldag van de vioolles naar het voetbal karren. De straat is verboden terrein, omdat het verkeer er gevaarlijk raast en er zich kinderlokkers kunnen ophouden. De schaarse vrije tijd die na de bijles en de nuttige hobby’s overblijft, krijgen kinderen ‘kunstmatige zoethoudertjes’ voorgeschoteld.

‘Verbeelding, creativiteit, fantasie. Het is niet meer nodig, alles is voorgekookt’, schrijft Bregman. Hij vindt dat kinderen geen tijd en ruimte meer krijgen voor het vrije, wilde, vuile, ongeorganiseerde spel. Dat is niet alleen erg voor kinderen maar ook gevaarlijk voor de vooruitgang. Verveling is volgens de historicus een grote bron van creativiteit.

Egoïstisch

Pedro De Bruyckere, pedagoog aan de Arteveldehogeschool, zucht als hij Bregmans essay op zijn bord krijgt. ‘Er klopt geen letter van. Er zijn net sterke aanwijzingen dat kinderen méér spelen. Het hangt er wel van af hoe je spelen definieert. Bovendien brengen ouders vandaag veel meer tijd door met hun kinderen dan in de jaren zestig. En ze spelen veel meer mee.’

Nederlands onderzoek toont aan dat ouders sinds de jaren tachtig bijna dubbel zo veel tijd zijn gaan spenderen aan spelen met kinderen: gemiddeld meer dan drie uur per week. De trend is algemeen maar het meest uitgesproken bij vrouwen - hoewel zij veel meer zijn gaan werken - hoogopgeleiden en ouders van jonge kinderen. Zij spenderen 5,5 uur per week aan boekjes lezen, wandelen en spelletjes.

Wat sterk is afgenomen, is het spelen op straat. Uit een studie van de KU Leuven blijkt dat het aantal buiten spelende kinderen sinds 1983 is gehalveerd. Spelen is vandaag in grote mate georganiseerd. Kinderen zijn meer actief bij sportclubs. Jeugdbewegingen kennen zelfs wachtlijsten. En ook in de tuin wordt veel gespeeld. In de stad is de speelstraat in opmars: zorgvuldig afgebakende oases waar kinderen veilig en onder toezicht kunnen ravotten.

De Bruyckere: ‘Helemaal loslaten, dat vinden ouders moeilijk. In mijn lezingen stel ik steevast de vraag: ‘Wie heeft er als kind iets gedaan dat hij de max vond maar dat hij zijn eigen kinderen niet meer zou toelaten?’ Bijna alle handen gaan dan in de lucht. Dat vind ik, eerlijk gezegd, wat egoïstisch. Maar ik begrijp het ook wel. Het is moeilijk dat als individuele ouder te doorbreken.’

Maakt de digitalisering spelen moeilijker? Of mogen kinderen niet meer spelen?
Pedro De Bruyckere
Pedagoog

Je kan de vraag ook anders formuleren, zegt hij. ‘Maakt de digitalisering spelen moeilijker, of mogen kinderen niet meer spelen? Want uit alle bevragingen blijkt dat kinderen nog altijd het liefst buiten spelen.’

Zijn kinderen dan door de opmars van tablets anders gaan spelen? Dat is niet zo gemakkelijk te onderzoeken. De Leuvense wetenschappers die in 2008 de straat op gingen om kinderen te tellen, hebben het wel geprobeerd. Ze konden vergelijken met observaties uit 1983 en zagen kinderen meer voetballen en lopen, er werd meer tikkertje en verstoppertje gespeeld. Maar het creatieve zelfverzonnen spel, het bouwen van constructies en het bedenken en uitbeelden van verhalen was veel minder populair dan in de jaren tachtig.

Zijn kinderen minder creatief geworden door al die voor hen georganiseerde activiteiten? Is hun verbeelding afgestompt door de visuele overdaad van het digitale universum? Of raken ze hun creativiteit elders kwijt? De Bruyckere schuift een prikkelende stelling naar voren. ‘Er is onder wetenschappers een sterk vermoeden dat er wel nog plekken zijn waar vrijuit, ongehinderd en met veel verbeelding wordt gespeeld: online. Juist omdat het een van de laatste ongereguleerde plekken is.’

Emoties delen

Achter de tablet schuilt een universum dat dieper inwerkt in een kinderleven dan de op het eerste gezicht oppervlakkige spelletjes die ze spelen. Dat ontdekte Lien Mostmans, mediaonderzoeker aan de Vrije Universiteit Brussel, toen ze kinderen tussen 9 en 14 observeerde tijdens het gamen.

‘Games zijn belangrijk in het sociale en het emotionele leven van kinderen. In de bijbehorende chatrooms ontmoeten ze andere spelers, vaak klasgenoten. Ze praten er met elkaar over dingen die ze gaan doen, over hun hobby’s. Maar ook over een opmerking die iemand in de klas heeft gemaakt. Of over iets anders dat ze niet leuk vonden. Het is een plek waar ze emoties delen en aan hun identiteit werken’, zegt Mostmans.

‘Voor 9- en 10-jarigen is zo’n game zelfs de plaats bij uitstek om het te doen. Ze mogen nog niet op sociale media. Maar in een chatroom kunnen ze ook een avatar maken, met een profielfoto en een naam. Kinderen ervaren die als een eigen, veilige wereld. Een jongen zei: ‘Daar kan ik tenminste met mijn vrienden praten, want op school is er altijd een leraar bij.’’

Voorts kan online spelen het zelfvertrouwen opkrikken. Goed kunnen gamen straalt ook af op de speelplaats, net als goed kunnen sporten of rekenen.

Mostmans pleit ervoor het debat over tablets niet te vernauwen tot de ‘schermtijd’. Ouders hebben de neiging daarop te focussen omdat overdaad in verband wordt gebracht met verslavingsrisico’s en gezondheidsproblemen zoals obesitas en verstoorde slaap.

©BELGA

‘Wat heeft het voor zin de schermtijd te beperken tot één uur per dag of x keer per week als je niet weet wát je kind online doet?’, stelt Mostmans. ‘De meeste ouders hebben geen idee waaruit zo’n onlinewereld bestaat, ook niet diegenen die meespelen. Sommigen vertrouwen op filters om hun kinderen weg te houden van bepaalde inhoud op het internet, maar die werken niet feilloos. En kinderen zijn vindingrijk om beperkingen te omzeilen. Beter is te praten over wat je kinderen online zien en horen, zodat ze bij jou terecht kunnen als ze iets minder leuk zien of horen.’

Tegelijk blijven risico’s onderbelicht. Een onderzoek op vraag van de Europese Commissie leert dat jonge kinderen concepten als ‘internet’ of ‘online’ moeilijk kunnen vatten, omdat ze nog geen onderscheid maken met de realiteit. Dat een volwassene zich in zo’n chatroom als een kind kan voordoen, daar denken ze niet aan. Ook in het delen van persoonlijke gegevens zoals naam, leeftijd en woonplaats zijn ze niet altijd voorzichtig, stelde Mostmans vast. ‘Als het over sociale media gaat, zijn ouders vaak bezorgd over de privacy. Bij online gamen moeten ze bijbenen.’

Hebben ze al bedenkingen bij het online gamen, dan kunnen de meeste ouders hun ergernis niet onderdrukken bij de YouTube-kanalen waarnaar hun kinderen úren kunnen kijken. Ze volgen YouTube-sterren als de Nederlander Kwebbelkop en Enzo Knol, pubers die zelf aan het gamen zijn. Of de jongens van Stuk TV, die extreem onnozele grapjes uithalen.

YouTube kijken is níét spelen, het is een passieve activiteit, vergelijkbaar met tv-kijken, stellen pedagogen. Andere onderzoekers wijzen erop dat kinderen ook daarvan leren: door samen te kijken naar iemand die gamet, kan je beter worden. Volwassenen mogen dat dan vreemd vinden, een 9-jarige vindt het razend interessant.

Mostmans: ‘Ik vind die filmpjes persoonlijk ook aanstootgevend leeg. Maar dat is een waardeoordeel. Volwassenen kijken ook wel eens naar een domme serie. Als ouder kan je een breed register aanbieden, maar het hoeft niet altijd hoge cultuur te zijn. Je kan ook naar mooie onlinecontent zoeken. Daar moet je dan wel even zelf mee bezig zijn.’

Barbiehuis met domotica

De grote speelgoedmakers proberen intussen aansluiting te vinden bij de digi-kids door hun klassiekers uit te rusten met technologie. Mattel, dat begin dit jaar zijn nieuwe CEO bij Google wegkaapte, droomt van een barbiehuis met stemgestuurde domotica en een Viewmaster met virtual reality. Lego lanceerde software om stopmotionfilmpjes te maken met eigen constructies.

Kinderen zijn het gewend ‘hybride’ te spelen, stelt Rozane De Cock, mediaprofessor aan de KU Leuven. ‘Alles loopt door elkaar. De tablet neemt niet het volledige spel over. Kinderen die van Lego houden, bouwen doorgaans ook graag werelden in ‘Minecraft’. Meisjes oefenen de danspasjes van ‘Dance Party’ op de speelplaats.’ Dat een online afgekeken spel minder creatief zou zijn, klopt volgens haar ook niet. ‘Kijk naar wat met Lego gebeurt: kinderen maken hele verhalen met poppetjes en maken er stopmotionclips van. Voor hen loopt het spel vloeiend over in schermtijd.’

Ook pedagoog Pedro De Bruyckere hamert erop dat kinderen online uiterst creatief kunnen zijn. ‘Kinderen zullen gestructureerd spel altijd met vrij spel combineren. Op de speelplaats leggen ze ook eigen regels op in zelfbedachte spelletjes. Wie iets met Lego bouwt volgens de handleiding, leert technieken die hij later kan toepassen in een eigen creatie. Een spel als ‘Minecraft’ is een totaal vrije wereld, waar je kan bouwen wat je wil. Het is fout dat onderscheid te maken op basis van het digitale. Het hangt van het spel af.’

Het blijft de taak van ouders om in te grijpen als het scherm de vrije tijd domineert. ‘Je stuurt je kind ook geen zes keer per week naar het voetbal’, zegt De Cock. ‘Maar er zijn ook ouders die hun kind al in de buggy een smartphone geven als virtuele babysit, of die op restaurants de tablets boven halen omdat ze rustig willen eten. Als je dan later die schermtijd wil beperken, zend je een dubbel signaal uit.’

De Cock gelooft niet in met een zandloper afgemeten schermtijd. ‘Slechts een heel kleine groep gamet problematisch. Aan de basis ligt meestal een probleem in hun echte leven: ze ontvluchten problemen op school of thuis.’

In de trend ‘laat kinderen zich een namiddag te pletter vervelen en ze zullen er enorm creatief van worden’, gelooft De Cock evenmin. ‘Onderzoek leert dat de kleine groep die met gameverslaving kampt, net veel ongestructureerde vrije tijd ter beschikking heeft. Die verveling maakt hen vatbaar voor verslaving.’

Sint, doe toch maar een tablet.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud