Noors hout is goud

Elektriciteitscentrale van Øvre Forsland, Noorwegen ©Bjørn Leirvik

Het in Oslo gevestigde bedrijf Kebony maakt gebruik van gepatenteerde technologie om zachthout de kenmerken te geven van tropisch hardhout en daarmee wordt het regenwoud plank voor plank gered.

Het kan iedereen die de New Yorkse Hunter's Point South Waterfront promenade betreedt vergeven worden als men gelooft dat er op tropisch hout werd gelopen. Het materiaal dat wordt gebruikt voor het nieuwe project in de buurt langs de rivier in Queens is in feite Noors dennenhout.

Het hout is ontwikkeld door Kebony, gevestigd in Oslo, en er wordt een gepatenteerde methode gebruikt waardoor het hout duurzaam wordt en eruitziet en aanvoelt als tropisch hardhout.

Luxe jachtbouwers, architecten en ontwikkelaars omarmen traditioneel tropisch hardhout zoals teak en mahonie voor hun slijtvastheid en esthetische kwaliteiten. Veel van 's werelds tropische houtproductie is echter onhoudbaar.

Ontbossing is een groot milieuprobleem en de wereldwijde vraag naar tropisch hout is daarin een belangrijke factor. Beperkingen op de invoer en het gebruik van vele tropische houtsoorten in combinatie met een toenemende behoefte aan groene certificaten hebben architecten en ontwikkelaars er toe gedreven om te zoeken naar even goede, duurzame alternatieven.

Het bieden van een eco-vriendelijke optie was vanaf de oprichting van het bedrijf in 1997 de drijvende kracht achter Kebony. De technologie voor het modificeren van hout op een milieuvriendelijke manier was baanbrekend werk verricht door de Canadese bosbouwprofessor Marc Schneider van de Universiteit van New Brunswick. Nadat Schneider een bezoek bracht aan de agrarische Universiteit van Oslo raakten Noorse collega's geïnteresseerd in zijn uitvinding en werd Kebony opgericht voor het ontwikkelen en commercialiseren van de technologie. In 2003 begon een proefproductie.

"Het milieu-deel was sinds de start altijd het belangrijkste," verklaarde Christian Jebsen, sinds 2008 CEO van Kebony, en een voormalige investeringsbankier. "Het traditionele impregneren van hout gebruikt veel verschillende chemische stoffen. We wilden gebruik maken van technologie op basis van biologisch afbreekbaar afval."

Kebony maakt gebruik van duurzaam geteeld Noors dennenhout die met druk is behandeld met een vloeistofderivaat uit de suiker- of maïsproductie (deze natuurlijke ingrediënten betekenen ook dat het aan het einde van de levensduur kan worden afgevoerd als normaal hout). Het hout wordt daarna uitgehard en gedroogd om permanent de dikte van de cellen uit te breiden waardoor er meer stabiliteit, hardheid en een langere levensverwachting geboden wordt. Deze duurzaamheid is onderdeel van de reden waarom Kebony werd gekozen voor Hunter’s Point, omdat het bestand is tegen extreme weersomstandigheden zoals die van Orkaan Sandy.

"Het werkt precies zoals tropisch hout," zei Jebsen. "Wanneer het nieuw is, is het donkerbruin. Wanneer het wordt blootgesteld aan zonlicht krijgt het een zilvergrijze deklaag — net zoals alle tropische houtsoorten.” U kunt het wat oliën of iets anders doen om de kleur te behouden maar ik denk dat één van de beste argumenten voor Kebony het onderhoudsvrije aspect is."

Het eindproduct is zo overtuigend dat het een aantal onbedoelde gevolgen heeft gehad. Toen Kebony werd gebruikt als onderdeel van de wandgevelbekleding in een nieuw metrostation in Oslo dienden forenzen een klacht in bij de vervoersautoriteiten omdat ze geloofden dat er gebruik werd gemaakt van illegaal tropisch hout.

Vanaf het begin heeft Kebony architecten in Noorwegen en over de hele wereld aangesproken. Zelfs de kleinste projecten hebben internationale aandacht ontvangen, zoals een boothuis in Aure aan de wilde Noorse westkust, of de waterkrachtcentrale van Øvre Forsland. Beide gebouwen zijn prachtig ontworpen en ontwikkeld en de verweerde look van het Kebony-hout helpt bij het opgaan in de natuurlijke omgeving.

"Op dit moment werken we met toonaangevende hotelketens, toonaangevende projectontwikkelaars en zelfs met bedrijven als Starbucks," zei Jebsen. Grote projecten zoals de Hunter’s Point promenade maken Kebony bekender bij een nog breder publiek.

Maar kwalitatief hoogwaardig hout is geen eenvoudige markt om te veroveren. Jebsen noemt het een enorm conservatieve branche die nooit heeft willen innoveren. Hoewel hij aanvoelt dat het product makkelijk moet kunnen verkopen (Kebony is ook concurrerend geprijsd, in vergelijking met tropische houtsoorten), bleek het voor hem onmogelijk om distributeurs te interesseren voordat hij overging tot de oprichting van een portefeuille van spraakmakende eindgebruikers die garant kunnen staan voor het duurzame houtalternatief.

Ondanks deze uitdagingen, heeft Kebony een gemiddelde jaarlijkse groei getoond van 36 procent sinds in 2009 de eerste fabriek voor grootschalige productie in de Noorse stad Skien is geopend. Het bedrijf wil ten minste gedurende de komende vijf jaar dat jaarlijkse groeitempo behouden. De originele fabriek wordt uitgebreid terwijl er een tweede fabriek wordt gebouwd die begin 2017 actief zou moeten zijn.

Kebony heeft vijf grote investeerders uit verschillende Europese landen en handelt momenteel in 22 verschillende landen met een focus op Scandinavië, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland. Het bedrijf ziet de Verenigde Staten als een belangrijke toekomstige markt.

Jebsen maakt zich echter geen illusies dat Kebony alle tropisch hout zal vervangen.

"De houtmarkt in het algemeen is enorm groot. Wij vormen in principe een zeer klein deel van die markt, de hoogwaardige producten. Zelfs nu, met inkomsten van 20 tot 25 miljoen euro (US$ 22 tot 27 miljoen), praten we over een marktaandeel van bijna niets," zei hij.

"Ik denk dat het belangrijkste dat we doen is dat we een écht alternatief kunnen bieden voor tropisch hout."

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect