Wie de oorlog overleeft, overleeft ook corona

William Van de Velde.

75 jaar geleden eindigde de Tweede Wereldoorlog op 8 mei 1945. Nu maandag 4 mei zit de strengste lockdown erop. Tijd en strijd zijn onvergelijkbaar, maar net als toen moeten leven en werk heropstarten. Vier familiebedrijven die het in 1945 al deden, doen het nu opnieuw.

‘Toen wisten we waar we aan begonnen, nu niet'

 

William Van de Velde

Lingerie Van de Velde in Schellebelle

 

William Van de Velde.

 

Toen wisten we waar we aan begonnen, nu niet’ William Van de Velde Lingerie Van de Velde in Schellebelle Een haag scheidt zijn tuin van het bedrijf Van de Velde en er is plaats genoeg voor een gesprek met social distance. Zijn stem, aan de telefoon een beetje brokkelig, herwint hier alle kracht. 95 is William Van de Velde, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog 20 dus, een student die zag hoe vader Achiel de korsetten door lastige jaren sleepte. ‘In de Eerste Wereldoorlog had hij aan het front gezeten. Meteen daarna richtte hij in 1919 het bedrijf op’, zegt hij.

‘Toen WO II eraan kwam, had hij zoveel mogelijk grondstoffen ingekocht. Een deel ervan liet hij op twee plaatsen in ons huis inmetselen. ( lacht ) Ze konden het niet vinden.’ ‘Ze’, dat zijn natuurlijk ‘de’ Duitsers, zij die het leven hier bepaalden en textiel rantsoeneerden. ‘Mensen kregen bonnen, maar korsetten en beha’s waren voor de Duitsers geen levensnoodzakelijke kleiding. Pas op: er was ook niet veel nodig. Er was honger, iedereen was mager, wie had dan een gaine nodig? Korsetten waren heupproducten die alleen op doktersvoorschrift gekocht konden worden.’

Zelf zat William in 1942 in Leuven om rechten te studeren, maar de bezetter verbood examens en dan ook de lessen. Na één semester werd William verplicht zes maanden te werken voor de door de bezetter gecontroleerde Arbeidsdienst of - en dat deed hij - in een ijzergieterij in Wetteren die voor de Duitsers werkte.

Van de Velde, het lingeriebedrijf, lag niet stil. Samen met Raoul Laureys, de schoonbroer van William die in 1943 in de zaak kwam, leidde zijn vader Achiel de onderneming. Onder hoge Duitse druk trouwens. ‘We werden verplicht voor de Duitsers te produceren. Hun eigen, belangrijke korsettenindustrie werd ingezet om andere producten te maken voor het leger. Voor de korsetten in Duitsland moesten bedrijven in de bezette landen zorgen. Ook wij, al gebeurde dat via een confectieorganisatie.

’Er was nog iets: ‘Er was een verplichting om werklozen naar Duitsland te sturen, ook vrouwen. Voor de oorlog hadden wij 50 mensen in dienst, na de oorlog nog zo’n 25. Van de Kommandatur kreeg mijn vader een lijst van zo’n 10 mensen die hij naar Duitsland moest sturen. Het strafste was: hij mocht zelf één naam schrappen, maar moest dan wel een plaatsvervangster aanduiden. ( glimlacht ) Mijn vader was niet iemand van wie er dertien in een dozijn gingen: hij heeft dat nooit gedaan. Gelukkig is ook nooit iemand moeten gaan.’

Veel werd nadien niet meer over de oorlog verteld. Achiel zag een Joodse klant in Charleroi naar Duitsland vertrekken, die keerde nooit terug. De Joodse dame die in Stuttgart PrimaDonna leidde (vandaag een van Van de Veldes topmerken) gaf het bedrijf nog in handen van haar schoonzoon (‘een Ariër’, zegt Van de Velde), maar ze ontsnapte niet aan transport naar Theresienstadt. Zoveel wonden. Van de Velde overleefde.

‘Men vergeet dat de geallieerden België al in 1944 bevrijdden en dat de economie in principe toen al kon worden heropgestart. Maar het kon niet meteen, de oorlog woedde nog. Grondstoffen bleven schaars voor de privésector. Tegelijk creëerde de aanwezigheid van Britse en Amerikaanse troepen extra vraag. Camille Gutt, de toenmalige minister van Financiën, probeerde de hoge oorlogsprijzen naar het peil van mei 1940 terug te dringen met een drastische vermindering van de in omloop zijnde bankbiljetten, maar dat mislukte. Tot de vrede in 1945 bleven de prijzen stijgen.’

Door de oprichting van de Benelux in 1944 opende voor Van de Velde de Nederlandse markt. Zo kon het bedrijf voor Hunkemöller produceren. ‘Die orders voor Hunkemöller maakten 50 procent van onze omzet uit, dat was heel belangrijk.’ In 1947 kwam William in het bedrijf. ‘Voor design en productie’, glimlacht zijn vrouw Livine. ‘Hij had daar nochtans geen opleiding voor!’

We zijn 75 jaar na 8 mei, de dag waarop Duitsland capituleerde. We zijn twee dagen voor 4 mei, ook voor Van de Velde de eerste postcoronadag. Het bedrijf produceerde na de uitbraak van de coronacrisis al snel medische mondmaskers en schorten voor de ziekenhuizen van Aalst en Wetteren. Ook voor de al geopende retailers in verschillende landen en voor het eigen personeel maakte het mondmaskers. ‘Het initiatief kwam van de mensen van het atelier’, zegt dochter Greet. ‘Al hebben wij niet zoveel katoen. Alleen voor een laagje in de slipjes en een dubbele zijde in de beha’s gebruiken we dat. De voorraad die we hadden, hebben we gebruikt. Het effect van de crisis valt nog af te wachten, maar we hebben vertrouwen.’

Is deze heropstart te vergelijken met die na de veel langere Tweede Wereldoorlog? ‘Ik weet het niet’, zegt William Van de Velde. ‘Toen wist men waar men aan begon, nu niet. De oorlog was gedaan, we wisten dat we voluit aan de toekomst konden denken. Nu kan niemand zeggen hoe het voortgaat. Het grootste verschil is dat de economie na de oorlog gezinsgericht was, terwijl die later geëvolueerd is naar een consumptie-economie. Wat zal daarop de impact zijn?’

 

 

 

 ‘Met lege frigo's zou een oorlog ontstaan'

Ruben Van de Walle

Slagerij Van de Walle in Kluisbergen

 

©katrijn van giel

 

‘Je kan dat virus niet relativeren’, zegt Robert Van de Walle, 92. ‘De homo sapiens is te groot geworden. In mijn kindertijd waren we met 2 miljard. Mensen leefden verder uit elkaar en ze reisden niet. Corona had niet die invloed gehad. Maar bang? Nee. Met kennis gaan we dat indijken.’

Robert is de oom van Ruben Van de Walle, nu de zaakvoerder van Slagerij Gaston Van de Walle. Robert hielp als kind al in de slagerij die al 160 jaar op dezelfde hoek in Kluisbergen ligt. Aan de voet van de Oude Kwaremont. Roberts broer Paul nam de slagerij over en nu is Ruben er. De vijfde generatie op deze plek, maar misschien de zevende, want in 1777 was een voorvader al slager.

Ooit was er nog het hotel-restaurant Au Saumon bij, wat bleef waren de slagerij én de eigen slachterij. ‘Als enige in Vlaanderen. Op maandag haal ik Brasvar-varkens in Nevele en die slachten we zelf. In de jaren 80 besliste mijn vader zelf schapen te kweken. Dat was een goede zet.’ 

Slagerij Van de Walle.

Ook tijdens WO II was Slagerij Van de Walle hier dus al. Al zegt Robert: ‘Je kan dat niet vergelijken. Vlees was toen een luxeproduct. Mensen kwamen dat niet elke dag kopen. Op vrijdag, ja. En in het weekend. Maar ‘binst’ de week aten ze hun eigen kiekens op.’

Ruben: ‘De slagerij deed het goed. Alles moest officieel wel via ‘den Duitser’ gebeuren, je moest jetons hebben. Mijn grootvader zat nog in ‘de bak’ omdat hij toch vlees bezorgde aan mensen die het nodig hadden. Wijzelf moesten niet hamsteren. Als je slager bent, is honger geen probleem. Op de boerenbuiten was iedereen wel familie van een boer. Mijn oma vertelde dat er geen schaarste was.’

Meteen legt Ruben, vader van drie zonen van wie de jongste ook Gaston heet en ‘misschien de zaak ooit ‘verderdoet’’, de link met 2020. ‘Door corona viel alles stil, alleen de voedingssector niet. Dat zei ik hier al snel: ‘Maak je niet te veel zorgen, mensen moeten blijven eten.’ Gelukkig. Als de frigo’s leeg zouden raken, ontstond weer oorlog. Je zou rap zien dat de mens iets eigenaardigs is.’

'Mensen die anders drie, vier keer per week komen, kopen nu één keer voor de hele week.'
Ruben Van de Walle

Werd er gehamsterd bij de slager? ‘Mensen kopen veel. Even deed het gerucht de ronde dat er een kiptekort zou zijn. Dat merkten we. Mensen die anders drie, vier keer per week komen, kopen nu één keer voor de hele week. Onze barbecues en leveringen aan restaurants vielen weg. Alleen Vrijmoed, dat nu catering doet, bestelt nog. Maar we zijn weer wat meer aan huis gaan leveren. Zoals vroeger eigenlijk.’

De vraag is: hoe zal deze slagerij na corona verder gaan? ‘Ik vrees dat iedereen zijn oude gewoontes zal opnemen’, zegt Ruben. ‘Maar ik zal tegen de stroom in blijven zwemmen. Ons eigen slachthuis houden is een vorm van anarchie. Ik hoop dat iedereen die nu lokaal koopt, niet vergeet dat de grootwarenhuizen van deze crisis gebruikmaakten om duurder te worden. Met corona kregen we in ons gezicht wat we zelf zochten: iedereen wil goedkope cruises, selfies op Machu Picchu voor Instagram, en een Ferrari. Dat Ryanair overheidssteun vraagt, is hetzelfde als dat ik dat zou doen als ik mijn ‘gekapt’ voor 2 euro verkoop. Ik hoop dat corona de mensen dat leert: dat een beetje sparen ook niet slecht is.’

 

‘De zondagse preek was de beste reclame'

Willy-Paul Carlier

Reisbureau De Blauwe Vogel in Sint-Truiden


Willy-Paul Carlier van reisbureau De Blauwe Vogel.

 

Exact 408 keer reisde Willy-Paul Carlier naar het Franse bedevaartsoord Lourdes, de eerste keer was in 1946. ‘Ik was 6 en dit was de eerste reis van De Blauwe Vogel na de oorlog. In 1939 was het onze laatste reis geweest.’ Lourdes - zelf zeg hij ‘Loert’ - was in 1609 niet de eerste bestemming van Jean-Nicolas Carlier, een nazaat uit een stam die Charrelier heette, het Franse dialectwoord voor ‘wagenmaker’. In 1609, dat op de manchet van zijn linkermouw geborduurd staat (rechts zijn het zijn initialen WPC), begon die Carlier met postdiensten tussen Marseille en Toulouse. ‘In 1815 was één Carlier generaal in het leger van Napoleon. Toen die in Waterloo verloor, vluchtte hij met wat karren naar Engelmanshoven bij Sint-Truiden en daar begon hij postdiensten naar Maastricht, Luik en Antwerpen.’

 De oorlogen die de familie Carlier overleefde, zijn ontelbaar, zelfs de Franse Revolutie dus. Willy-Paul is de 17de generatie. Zijn zoon Trudo, die nu de reisorganisatie De Blauwe Vogel leidt, de 18de. Van postdiensten is al lang geen sprake meer. In 1903 had Veron-Leopold Carlier de eerste bus gekocht, in 1929 werd voor het eerst naar Lourdes gereden. ‘Er waren twee bestemmingen: de Azurenkust voor wie het geld had en Lourdes voor wie het geloof had. We reden met bussen met chauffage, een radio en elektrische ruitenwissers. Dat is nu normaal, maar toen...’ 

In 1929 namen ze de bisschop en zijn gezelschap zelfs mee naar Lourdes om de bisschop te overtuigen dat de nieuwe naam ‘De Blauwe Vogel’ (‘mijn grootvader nam die over van de Brit Donald Campbell, die met zijn racewagen Blue Bird een snelheidsrecord brak’) niets met het blauw van de liberalen te maken had. Een reis van 13 dagen, met drie dagen stilstand door bandenpech in Clermont-Ferrand. ‘Alle kapelaans vertelden er nadien in hun preek over, de beste reclame die je je kon indenken. Vanaf toen reden we van Pasen tot oktober elke week naar Lourdes. We hebben meer dan 400.000 mensen naar daar gebracht.’

©katrijn van giel

Maar niet tijdens de oorlog. Van reizen naar het buitenland was geen sprake. De Blauwe Vogel vervoerde in die jaren de voetbalploeg van Sint-Truiden naar Visé, Tongeren en Seraing en deed arbeiderstransport naar de mijnen van Waterschei, Winterslag en Zwartberg. Met twee Mercedessen en een Opel. ‘Dat vonden de Duitsers niet slecht, maar we moésten die mijnwerkers in opdracht van de bezetter ook vervoeren. In 1942 waarschuwde een mijnwerker mijn vader. Hij zei: ‘Jan, morgen mag je niet langs Alken rijden.’ Die man zat in het verzet en wist dat de Britten het transport zouden mitrailleren.’

Ook deze oorlog overleefde De Blauwe Vogel, waarna de busreizen naar Lourdes opnieuw begonnen. Nadien explodeerden het toerisme en Carliers bureau. Zijn broer splitste het busbedrijf af (‘dat heette vanaf dan De Witte Merel’), zelf veroverde Willy-Paul de wereld. De topbestemmingen zijn Zuid-Afrika, de Verenigde Staten, Mexico en de cruises. ‘Lourdes is nog goed voor minder dan een halve procent.’ 

Hij is er wel ereburger, zoals van 42 andere steden in de wereld. Dat vermeldt tenminste zijn overlijdensbericht. Zijn wat? Uit een witte envelop haalt Carlier een A3-print, en inderdaad: ‘Ann-Marie en Trudo hebben de spijtige plicht U het verschijnen van Willy-Paul Carlier voor de Eeuwige rechter aan te kondigen’, lezen we. ‘Ik heb dat vorige week laten maken. Ik word 80 en die corona jaagt me schrik aan. In Sint-Truiden zijn 32 mensen gestorven. Het is een ramp. Van onze 28 bedienden zijn er 24 tijdelijk werkloos. Maar De Blauwe Vogel zal corona overleven, al hadden we voor dit jaar al 17.000 betalende reizigers. Al die mensen hebben we gegarandeerd dat ze volgend jaar in dezelfde week naar dezelfde bestemming kunnen.’

Het overlijdensbericht is een uitnodiging voor de afscheidsviering én afscheidsvlucht naar Lourdes. Met mis en asverstrooiing aan de grot. Waarom toch Lourdes? ‘Ik heb er mijn vrouw leren kennen en mijn zoon Trudo is gemaakt in Hotel de Nevers. Daarom. Lourdes is mijn leven.’

 

‘Biljarttafels in de stoof'

Chris Thissen

Thissen Biljarts in Antwerpen

 

Thissen Biljarts, sinds 1898.

 

Het cliché viel al vaker: ‘Never waste a good crisis.’ Onwillekeurig deden en doen ze dat bij Thissen Biljarts, een familiezaak die teruggaat tot 1898, toen Peter Michael Thissen vanuit Nederland in Antwerpen belandde. Dat was nog voor de Grote Oorlog, die het bedrijf ook al overleefde. Goed zelfs, in oude verkoopboeken leest huidig zaakvoerder Chris Thissen dat ze in 1927 één biljarttafel per dag verkochten. 

‘Net voor de Tweede Wereldoorlog hadden mijn grootvader Jules en zijn broer Albert liefst 32 beeldhouwers in dienst. Uit massieve eik sculpteerden die fantastische tafels. Tijdens de oorlog werkten ze nog, maar minder. De voorraad ivoor voor de ballen en het topje van de keu werden in de kelder in Borgerhout opgeslagen en de deur werd dichtgemetseld. De Duitsers hebben die nooit gevonden.’

Maar hoe zat dat met die crisis? ‘Veel rijkere particulieren hadden voor de oorlog een eigen tafel in hun herenhuizen of zelfs kasteeltjes’, zegt Chris. ‘Hoe langer de oorlog duurde, hoe moeilijker ze het hadden. Ook om hun huizen te verwarmen. Uiteindelijk moest de biljarttafel eraan geloven: ze werd in stukken gezaagd en in het vuur gegooid. Na de oorlog wilden die mensen allemaal een nieuwe biljart.’

©katrijn van giel

Cafés werden heropgebouwd en ingericht, ook daar moesten nieuwe biljarts komen. Thissen diversifieerde en timmerde togen, lambriseringen, stoelen, tafels, sjoelbakken, pitjesbakken... Een gouden houten periode. ‘Nog iets later begonnen we caravans te maken. We hebben een foto van prins Albert en prinses Paola die onze stand op Expo 58 bezochten. Daar stelden we onze Casetta voor, een uitplooibare caravan. Dat zijn we niet blijven doen. Volgens mijn grootmoeder waren we er te vroeg mee, het massatoerisme kwam pas later. Of we stopten er te vroeg mee.’

Vandaag werken geen beeldhouwers meer bij Thissen, maar met zijn zoon Andy is wel de vijfde generatie aan boord. Thissen Biljarts houdt nog altijd de vinger aan de pols. ‘20 jaar geleden zijn we al begonnen met in te zetten op de online verkoop. Dus toen corona kwam, waren we gelukkig dat onze amusement.be al zo goed draaide. De productie van tafels ligt stil, het heeft geen zin stock te blijven opbouwen. De cafés die er een huren, hebben we vrijgesteld van de huurfactuur. In onze tafels in de cafés, die nu dicht zijn, wordt natuurlijk ook geen euro meer gestoken. Enkele mensen zijn tijdelijk werkloos, maar twee mensen bemannen onze webwinkel en sinds de lockdown is de verkoop daar verdrievoudigd.’

Van biljarttafels? ‘Nee, we hebben een vijftal survivalpakketjes, van pitjesbakken tot wat luxueuzere pakketten met ook Monopoly in. Maar ook kleine biljarttafeltjes. Om de paar minuten is er een bestelling. Dus net als tijdens WO II met dat hout voor die stoven, hebben we nu weer geluk.’ En na corona? ‘Misschien gaan mensen nog wat meer thuisblijven dan vroeger en komen er, zoals in Amerika, nog meer mancaves. Waar dan een privébiljart in past.’

 




 


Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud