Advertentie
analyse

Rijkste Belg Frère laat povere economische erfenis na

Albert Frère heet de rijkste Belg te zijn. Maar de Waalse financier laat bij zijn vertrek als CEO van de investeringsmaatschappij GBL het land een povere economische erfenis na.

Albert Frère (89) heeft zo’n dertig jaar lang, van 1970 tot 2000, een stempel gedrukt op het bedrijvenlandschap in ons land. Als baas van de Charleroise staalgroep Hainaut-Sambre stemde hij in 1981 in met de fusie met het Luikse Cockerill tot Cockerill-Sambre, nu deel van Arcelor-Mittal. Maar hij gaf het aandeelhouderschap van de verlieslatende staalgroep in handen van de overheid en begon aan een carrière als financier. Hij kocht zich in in de Groep Brussel Lambert (GBL), de tweede holding van het land. En met enkele zakenpartners hielp hij de Franse groep Paribas belangrijke activa buiten de nationaliseringsoperatie te houden die de Franse president François Mitterrand in 1981 oplegde. Op die basis ontwikkelde Frère zijn economische macht.

Het systeem-Frère was gebaseerd op drie pijlers. De eerste: bondgenootschappen. De Waalse zakenman slaagde er altijd in sterke bondgenoten te vinden. De Canadese ondernemersfamilie Desmarais is zijn partner in het Zwitserse vehikel Pargesa, waarlangs ze de controle over GBL uitoefenen. De Franse groep Paribas was jaren medeaandeelhouder van Erbe, de spilholding uit het Frère-imperium. De Franse verzekeraar UAP was medeaandeelhouder in Royale Belge, de Franse reclamereus Havas en later het Duitse Bertelsmann in de tv-groep RTL, het Franse nutsbedrijf Compagnie Générale des Eaux (nu Vivendi, Veolia) in Tractebel.

Brussel was te klein voor Frère, hij wilde meetellen in Parijs.

De tweede pijler is een cascade van (beursgenoteerde) holdings. Die stelde Frère in staat met beperkte financiële middelen toch een reeks belangrijke bedrijven te controleren. Want hij maakte wel dat hij het voor het zeggen had. ‘Petit actionnaire minoritaire, petit con. Grand actionnaire minoritaire, grand con’, is een uitspraak die aan hem wordt toegeschreven. De derde pijler is de toegang tot een rijke financieringsbron. Frère gebruikte de verzekeraar Royale Belge - de uitgebreide beleggingsreserves ervan - om zijn controlepositie in bedrijven te helpen verstevigen. De verzekeringsbusiness interesseerde hem niet, daar mocht UAP zich mee bezighouden.

Controlepremies

GBL was in de jaren tachtig een belangrijke holdingmaatschappij in ons land, maar moest zich tevreden stellen met de tweede plek, na de Generale Maatschappij. Ook wat participaties betreft. De Generale bezat de grootste bank (Generale Bank), de grootste verzekeringsmaatschappij (AG), de grootste vastgoedgroep (Immobel). GBL was telkens tweede: met BBL, Royale Belge en Bernheim-Comofi. Het was voor Frère een overwinning dat GBL in 1989 de grootste aandeelhouder werd van de oliegroep Petrofina, toen de grootste onderneming van het land, en dat hij er zich in 1990 tot voorzitter van de raad van bestuur kon laten kronen.

Maar de hoogdagen van het holdingmodel waren toen al voorbij. Dat had de overname van de Generale Maatschappij door Suez duidelijk gemaakt. Door de ontwikkeling van de kapitaalmarkten hadden bedrijven de holdings niet meer nodig om zich te financieren. En omdat die holdings zich aan hun controlebelang vastklampten, waren ze ook een hinderpaal voor de groei van de bedrijven. Door de evolutie naar een eengemaakte Europese markt werd het bedrijvenlandschap bovendien internationaler. En door de grotere aandacht voor deugdelijk bestuur en de rechten van de minderheidsaandeelhouders konden de holdings hun wetten niet meer zomaar opleggen aan de bedrijven waarin ze aanwezig waren.

Frère werd in 2007 gekroond tot Manager van het Jaar. ©BELGA

Frère besefte dat en begon GBL om te vormen van een holding met controledeelnemingen naar een gediversifieerde participatiemaatschappij. Alle belangrijke dochtermaatschappijen werden verkocht. Daarbij zorgde Frère er telkens voor dat hij een controlepremie kon opstrijken, een meerprijs die de overnemer moest betalen omdat hij een controlebelang verwierf.

Zo kwamen Belgische industriële en financiële kroonjuwelen in buitenlandse handen terecht: Frère verkocht Petrofina aan Total, Royale Belge aan AXA, BBL aan ING, Tractebel aan Suez, en RTL uiteindelijk aan het Duitse Bertelsmann. Frère telde zijn winst, en de beleggers in GBL met hem. Maar België verloor daardoor cruciale economische beslissingscentra. De hardnekkigheid waarmee Frère de controlepremie wilden binnenrijven, torpedeerde de plannen om Generale Bank en BBL te fuseren tot een Grote Belgische Bank. Beide banken zijn nu in buitenlandse handen.

Francofiel

Opvallend is ook dat Frère bijna altijd voor een Franse overnemer koos. ‘Ik ben francofiel’, verklaarde hij ooit in een zeldzaam interview. Brussel was te klein voor Frère, hij wilde meetellen in Parijs. Daarom investeerde hij de opbrengst van de verkopen vooral in Franse groepen, en kocht hij er een plek mee in hun bestuurskamers: bij Total, GDF Suez en andere. Daar speelde hij niet de eerste viool, maar hij mocht wel dat aanschuiven aan het jaarlijkse diner van de Franse president voor het kruim van de Franse bedrijfsswereld. Om erbij te horen had Frère optrekjes in Parijs, in het skioord Courchevel en in Saint-Tropez. En om helemaal mee te tellen kocht hij ook een prestigieus wijndomein: Cheval Blanc in Saint-Emilion.

‘GBL is de tweede grootste participatiemaatschappij van Europa’, klinkt het trots op de website van de groep. Maar één die nagenoeg geen rol speelt in België. Van het geld dat de uitverkoop van de kroonjuwelen Frère heeft opgeleverd, is weinig opnieuw in ons land geïnvesteerd, op enkele kleine initiatieven na zoals IJsboerke en staalpanelenbedrijf Joris Ide - beide zijn alweer verkocht.

Frère is een selfmade man die zich heeft opgewerkt van ijzerhandelaar tot de rijkste man van België. Hij heeft persoonlijk grote successen behaald. Maar de economische erfenis die hij in België nalaat, is pover. Onbestaande zelfs. Frère heeft voor onze economie meer waarde vernietigd dan gecreëerd.

Zijn ‘vriend’ Bernard Arnault, de topman van de luxegroep LVMH, schonk Parijs onlangs het presigieuze museum Fondation Louis Vuitton. De Franse zakenman François Pinault toont zijn kunstcollectie aan de wereld in het Palazzo Grassi in Venetië. Zelfs op dat vlak laat Frère niets na.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud