Spaarpot voor riolen drijft waterfactuur omhoog

De inkomsten van de rioolbeheerders liggen 37 procent hoger dan hun kosten. ©jonas lampens

De rioolmaatschappijen in Vlaanderen hebben hun inkomsten de jongste jaren stevig opgekrikt. Het bedrag dat ze via de waterfactuur innen, ligt nu een kwart hoger dan hun kosten.

De komende jaren zijn in Vlaanderen miljardeninvesteringen nodig om het rioleringsnet te vernieuwen. Om op die uitgaven te anticiperen rekenen rioolmaatschappijen nu al fors meer aan via de waterfactuur. In 2013 haalden ze net geen 270 miljoen euro uit de saneringsbijdrage die gezinnen en bedrijven via hun waterrekening betalen. Dat bedrag was in 2018 al met de helft opgelopen tot 403 miljoen euro. Daardoor is in zes jaar tijd een kloof ontstaan. De rioolmaatschappijen krijgen nu aanzienlijk meer inkomsten binnen dan dat ze kosten maken, blijkt uit een financiële doorlichting door de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM).

De kosten en opbrengsten zaten in 2013 nog min of meer op hetzelfde niveau. Maar terwijl de kosten bleven hangen op 320 miljoen euro, stegen de opbrengsten tot 438 miljoen euro (zie grafiek). In zes jaar tijd ontstond zo een boekhoudkundig overschot van 37 procent. Meerdere maatschappijen zitten aan een kostendekkingsgraad van meer dan 150 procent en in een uitzonderlijk geval zelfs 200 procent.

©Mediafin

Nochtans zijn rioolbedrijven zoals het Gentse Farys (AquaRio), het Limburgse Inter-Aqua en het Antwerpse Rio-link niet bedoeld om winst te maken. Ze zijn in handen van groepen van gemeenten die de rioleringsuitgaven vooral via de waterfactuur doorrekenen aan de consument. De VMM moet toezien dat niet meer kosten worden aangerekend dan nodig en dat het geld niet voor andere zaken wordt gebruikt, zoals voor de bouw van een sporthal.

Toch vindt de VMM niet dat de rioolinkomsten problematisch oplopen. ‘We zien geen alarmerende tekenen dat middelen opgepot worden’, zegt Peter Aelterman, diensthoofd riolering bij de VMM. ‘De operationele kasstromen tonen dat de inkomsten gebruikt worden om de investeringen en het onderhoud van het rioolnet te financieren. Daarnaast moeten rioolbeheerders ook een stuk lenen, zoals dat past in de normale bedrijfsvoering.’

Overschotten

Dat de rioolmaatschappijen ondertussen met ‘marges’ werken waar zowat ieder privaat bedrijf jaloers op zou zijn, noemt Aelterman vooral een boekhoudkundige kwestie. De inkomsten uit de saneringsbijdrage krijgen de rioolbeheerders onmiddellijk binnen, terwijl de meeste hun investeringskosten via afschrijvingen over meerdere decennia uitspreiden. ‘Als een project af is, wordt de kostprijs daarvan ieder jaar maar voor een vijftigste of soms zelfs een vijfenzeventigste in de boeken opgenomen. Dat de investeringskosten zo trager doorsijpelen dan de inkomsten, verklaart waarom de kostendekkingsgraad boven 100 procent zit.’

De toename van de kostendekkingsgraad is een aandachtspunt. We zitten op het punt waarop die stilaan weer zou moeten dalen.
Peter Aelterman
Diensthoofd riolering VMM

De VMM verwacht dat de overschotten beetje bij beetje verdwijnen en dat de reserves weer afnemen. Uit eerdere ramingen bleek dat 9 miljard euro aan investeringen nodig is om in heel Vlaanderen het rioolnet op punt te stellen. Die investeringen zullen steeds zwaarder doorwegen, waardoor het inkomstensurplus weer zal slinken. ‘Het is niet de bedoeling dat structurele overschotten opgebouwd worden’, zegt Aelterman. ‘De toename van de kostendekkingsgraad is voor ons dan ook een aandachtspunt. We zitten op het punt waar die stilaan weer zou moeten dalen.’

De toename van de rioolinkomsten is vooral het gevolg van de hogere saneringsbijdrage die de Vlaming op zijn waterfactuur betaalt. Die bijdrage maakt 92 procent uit van de totale inkomsten van de rioolmaatschappijen. Om te anticiperen op hogere kosten werd in 2015 het maximumtarief voor de gemeentelijke saneringsbijdrage met ruim een kwart opgetrokken. Bovendien zijn steeds meer gemeenten opgeschoven naar dat tarief. Het resultaat is dat de rioolbeheerders nu voor iedere Vlaming jaarlijks 62,5 euro halen uit de waterfactuur, terwijl de totale kosten nog altijd maar 50 euro bedragen.

Hogere investeringen

Rioleringsprojecten worden pas na de oplevering afgeschreven over minstens 30 jaar. De kosten worden daardoor pas later zichtbaar in de boekhouding.
Carl Heyrman
Directeur Aquaflanders

Carl Heyrman, de directeur van Aquaflanders, de federatie van rioolbeheerders, ziet daarin geen signaal dat overdreven reserves worden opgebouwd. ‘Je moet de kostendekking over een langere termijn bekijken. Rioleringsprojecten kennen een doorlooptijd van verschillende jaren en pas na de oplevering worden ze afgeschreven over minstens 30 jaar. De kosten worden daardoor pas later zichtbaar in de boekhouding.’

Omdat de komende jaren almaar meer geïnvesteerd moet worden in het rioolnet, verwacht Aquaflanders dat op termijn eerder tekorten dan overschotten ontstaan. De Vlaamse rioolmaatschappijen en gemeenten plannen de komende vijf jaar over een afstand van 2.300 kilometer nieuwe en hernieuwde riolering aan te leggen. Tot eind 2024 is daarvoor 3,4 miljard euro uitgetrokken, 1,1 miljard euro meer dan in de periode 2014-2018. Aquaflanders benadrukt dat het geld uit de waterfactuur volledig gebruikt wordt voor die investeringen.

Waterfactuur

Een gemiddeld Vlaams gezin betaalt 468 euro per jaar voor zijn waterfactuur. Een deel daarvan is voor het drinkwater dat uit de kraan komt, maar daarnaast is er een bijdrage voor het afvoeren en verwerken van afvalwater. Voor een doorsnee gezin met een jaarverbruik van 104 m³ bedraagt de drinkwatercomponent 203 euro, 43 procent van de totaalfactuur. Daarnaast is er een saneringsbijdrage aan de rioolbeheerder of de gemeente voor de uitbating van het rioolnet en een bijdrage aan Aquafin, in heel Vlaanderen verantwoordelijk voor de zuivering van het afvalwater. De rioolvergoeding mag maximaal 140 procent bedragen van het saneringstarief voor Aquafin.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud