Belgische windmakers in Europa

Met de opstart van Belwind en C-Power is de offshorewindsector in ons land definitief van de grond gekomen. Ontwikkelaars maken zich op voor uit- breidingen en de bouw van bijkomende parken. De Belgische bedrijven die meewerkten aan de bouw gaan ondertussen met de binnenlandse referenties op zak op zoek naar buitenlandse klanten.

Offshore windenergie is nu ook in ons land een realiteit. En hoewel het jaren langer duurde dan verhoopt vooraleer de eerste windmolens voor de Belgische kust verschenen - C-Power-topman Filip Martens en de zijnen lanceerden al voor de eeuwwisseling hun eerste plannen - kan België zich nog steeds een pionier in offshore windenergie noemen.

Pioniers met een primeur. C-Power was het eerste park waar de reusachtige windturbines van 6MW commercieel geïnstalleerd werden. En Belwind is voorlopig het park dat het verst in zee is gelegen. Bij beide projecten werden heel wat Belgische bedrijven betrokken, die dit als visitekaartje kunnen gebruiken voor het binnenrijven van andere binnen- en buitenlandse projecten. En dan wordt vooral gekeken naar de andere vijf windparken die er nog voor de Belgische kust bijkomen, maar ook naar tal van projecten in de buurlanden Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

Vooral dat laatste land geldt als het beloofde land voor de windenergiesector. Nadat het land twee kleinere concessierondes had georganiseerd, werden dit jaar in het VK negen reusachtige concessiegebieden geveild. Die ‘Round 3’ biedt ontwikkelaars de mogelijkheid om 32.000 megawatt aan windenergie te ontwikkelen voor de Britse kust. Ter vergelijking, dat komt overeen met ongeveer 200 keer het vermogen van het huidige Belwind-park (165MW).

De Britse markt is de komende jaren goed voor de installatie van duizenden windturbines. En dat betekent dat er minstens evenveel funderingen nodig zullen zijn.

Het Nederlandse staalconstructiebedrijf Smulders maakt zich op om een groot deel van de aankomende orders binnen te halen. En dat betekent werk voor de Belgische dochter Smulders Projects in Hoboken. Daar wordt sinds enkele weken gewerkt aan de 49 funderingen voor de tweede fase van C-Power.

Jackets

Die funderingen zijn zogenaamde jackets, stalen platformen met vier poten. Die zijn veel steviger dan monopiles, lange stalen buizen, die traditioneel als fundering voor windturbines worden gebruikt. Dergelijke monopolies werden ook ingezet voor het Belwindpark, dat bestaat uit windturbines van 3 megawatt.

Maar de toekomst is aan de grotere omvang van de turbines die op zee zullen worden gebruikt. C-Power zal voor zijn tweede fase machines van 6 megawatt gebruiken. Die wegen (mast, turbinekast en wieken) 700 ton. Dat lukt niet meer met één stalen buis.

De jacketfundering is een klassiek recept in de offshore olie- en gasindustrie, en wordt er op maat gemaakt. Smulders wil die funderingen voor offshorewindparken in serie produceren. ‘Het wordt een productieproces dat lijkt op de autoassemblage’, zegt Koen Baeten, directeur van Smulders Projects. ‘We moeten de kosten immers naar beneden krijgen.’

Smulders bouwde daarvoor een nieuwe productiehal in Hoboken, een investering van 35 miljoen euro. De enorme hal van 320 meter lang en 35 meter hoog is uitgerust met kranen die stukken van 480 ton kunnen heffen.

De funderingen voor C-Power worden het visitekaartje van Smulders Projects om buitenlandse orders in de wacht te kunnen slepen. ‘We mikken vooral op de ontwikkelaars van het Britse Round 3. We kunnen hen uitnodigen om te tonen wat we kunnen maken’, zegt Baeten.

Boelwerf

De nieuwe productiehal vergroot de bestaande productiesite van Smulders Projects in Hoboken. Het gaat om de voormalige scheepswerf van Cockerill Yards, later de Boelwerf. Jaren stond de site leeg en kreeg het onkruid vrij spel. Sinds de opkomst van windenergie fabriceerde Smulders Projects er monopiles en zogenaamde transitiestukken, de overgang tussen de fundering en de eigenlijke windturbinemast.

Omdat ook die activiteit nog zal groeien, werd ook de oude productiehal opgewaardeerd.De hefcapaciteit van de kranen verdubbelden naar 40 ton, wat goed is voor een investering van 5 miljoen euro.

Smulders dingt mee naar orders in tal van landen. De komende dagen of weken kan mischien al champagne ontkurkt worden. ‘We verwachten nog dit jaar beslissingen voor Denemarken, Wales en Duitsland’, zegt Baeten.

Vlak bij de site van Smulders Projects, eveneens op voormalig scheepswerfterrein, pikt ook Fabricom een graantje mee van de bloeiende offshore windenergiesector. Het engineeringbedrijf uit de groep GDF Suez is gespecialiseerd in complexe modules van industriële installaties tot boorplatformen.

Een van de indrukwekkendste bouwwerken van de jongste jaren is het transformatorstation van Belwind. Het is een constructie van 1.100 ton en vijf verdiepingen. Fabricom en zijn partners hebben hiervoor nieuwe technologie ontwikkeld, zegt Peter Scheirs, projectdirecteur van de offshorewindactiviteiten van Fabricom.

Omdat onderhoud en herstellingen op zee moeilijk zijn, werd gekozen voor een minimale installatie op zee, en een bijkomend boosterstation aan land. ‘In het station op zee hebben we het aantal beweegbare en gevoelige onderdelen verminderd, zodat een robuuste installatie overblijft’, zegt Scheirs. De investeringskosten van het zeestation en het boosterstation op land zijn wat hoger opgelopen, maar de onderhoudskosten zijn gedurende de 20 jaar dat het park zal draaien gevoelig lager.

Een groot deel van de technologie kwam van het Mechelse CG, beter bekend onder zijn vroegere naam Pauwels Trafo. ‘We hebben een Europees patent aangevraagd voor deze technologie, zegt Koen Van Peteghem, algemeen directeur van de systeemdivisie.

Voor CG is dit Belgische project een enorm belangrijke eerste referentie. ‘De waarde ervan is enorm, want we moeten opboksen tegen grote concurrenten uit Duitsland en Frankrijk’, zegt Van Peteghem. Hij hoopt contracten binnen te halen in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Nederland en Frankrijk, zowel voor de bouw als voor het onderhoud van elektrische installaties.

Belwind was een eerste stap op zee, maar toch is de windmarkt geen onbekende voor het Mechelse bedrijf. ‘We hebben 35 procent van de markt voor kleine transformatoren die in de windturbines ingebouwd zitten’, zegt Erik Driesen, directeur van de servicedivisie van CG.

Referenties

Bij het Belwind transformatorstation was het staalconstructiebedrijf Smulders ook betrokken. Dit keer via zijn Arendonkse dochter Iemants. Het offshoreplatform komt er in de rij met indrukwekkende referenties met onder meer het nieuwe gerechtsgebouw in Antwerpen en de Ferrari Experience in de Verenigde Arabische Emiraten.

Ook technisch directeur Patrick Maes is in zijn nopjes met de referentie van Belwind. ‘We hebben dit in amper 12 maanden gebouwd. En tijdens die periode hebben we geïnteresseerde klanten uit heel Europa kunnen rondleiden op de werf. Het was hier meer een showroom dan een productieplaats’, vertelt Maes.

Voor Belwind hebben enkele Belgische bedrijven zich voor specifieke onderdelen verenigd in tijdelijke verenigingen en joint ventures. Met die structuren wordt ook elders de boer opgegaan. Met succes. Future Energy, een partnerschap van Fabricom Iemants en DEME, leverde twee hoogspanningsstations af voor het prestigieuze London Array windpark.

De baggergroep DEME is wellicht de meest bekende Belgische offshorewindenergieambassadeur. Behalve aandeelhouder van C-Power en andere parken, was het al betrokken bij de bouw van windmolens in Denemarken en Duitsland. Via dochter Power@Sea profileert DEME zich ook als ontwikkelaar van groene energiecentrales in het buitenland.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud