Advertentie
analyse

Heeft de Belgische mode nog een toekomst?

©BELGA

Het Belgische atelier van het modelabel Ann Demeulemeester sluit de deuren. Het is een nieuwe klap voor de Belgische topmodewereld. Heeft de sector nog een toekomst? ‘We zijn al zo vaak doodverklaard.’

Het ontwerpwerk dat de 48 werknemers van het atelier van Ann Demeulemeester tot voor kort in België deden, verhuist naar Italië. Daar huist Claudio Antonioli, het Italiaanse bedrijf dat Ann Demeulemeester afgelopen najaar overnam.

Sindsdien stond het in de sterren geschreven dat het Belgische atelier geen lang leven meer beschoren was. Sinds februari krijgen de Belgische modeontwerpers sollicitatiebrieven van de mensen die voor Ann Demeulemeester werkten. Het vertrek voelt ongemakkelijk, want het doet opnieuw de vraag rijzen of de Belgische luxemodesector nog een toekomst heeft.

Zeker omdat de jongste jaren vaker slecht nieuws kwam. Vorig jaar zette A.F. Vandevorst er een punt achter. Dries Van Noten verkocht zijn label aan het Spaanse familiebedrijf Puig. In datzelfde jaar kapte Bruno Pieters met zijn modehuis. Sinds de verkoop van Ann Demeulemeester blijft nog maar één modelabel van de legendarische Antwerpse Zes in Belgische handen: dat van Walter Van Beirendonck.

De Belgische luxemodesector kreeg onlangs klappen

Ann Demeulemeester kwam in Italiaanse handen en sluit zijn Belgische atelier. Dries Van Noten kwam in Spaanse handen en A.F. Vandervorst stopte ermee.

Maar nieuw talent timmert aan de weg

Het gaat onder anderen om ontwerpers die al volop bezig zijn, zoals Christian Wijnants, en om Belgen die na jaren te hebben ontworpen voor grote merken hun eigen label oprichten, zoals Meryll Rogge. Dan zijn er nog het beloftevolle CAP Studio en de talentvolle pas afgestudeerde Marie Martens.

De nieuwe generatie moet anders werken dan de oude

Grote luxehuizen als Kering en LVMH zijn oppermachtig. Tegelijk maken Instagram en co. dat de Belgische ontwerpers met de hele wereld concurreren. Ook andere aanbieders van vertier en schoonheid zetten druk. Jongeren spenderen meer geld aan dure reizen, luxueus eten en dure gadgets zoals smartphones.

Anne Chapelle - de vorige eigenaar van Ann Demeulemeester - sprak bij de verkoop pessimistisch over de toekomst van de sector in België. ‘We hebben veel deuken opgelopen, en veel merken verkocht. Ik geloof wel dat er plaats is voor een Belgische mode, maar we hebben alles uit handen gegeven.’

Die analyse maken niet alle waarnemers. ‘Dat ontwerpers hun labels stopzetten of verkopen heeft vooral te maken met een generatiewissel’, zegt Edouard Vermeulen van het modehuis Natan. ‘Ik blijf doorgaan en heb genoeg jong talent in huis, maar dat geldt niet voor sommige collega’s van mijn leeftijd. Zij moeten de rekening maken: doorgaan, een opvolger aanduiden of verkopen. Als je dan een goed bod krijgt… Er is in België nog altijd heel wat jong talent. Sommigen ontwerpen voor grote modehuizen. Wie weet keren ze op een dag terug naar België en beginnen zij hun eigen label?’ Vermeulen verwijst naar Raf Simons, die al jaren zijn eigen label heeft, en tegelijk bleef ontwerpen voor grote merken als Calvin Klein en Prada.

Ik laat me niet afschrikken door de digitalisering en de grote luxehuizen. Digitalisering schept ook mogelijkheden en grote merken zijn er altijd geweest.
Meryll Rogge
Lid van nieuwe generatie Belgische topontwerpers

Ook volgens Ann Claes, een voormalige salesdirector bij het handtassenmerk Delvaux die nu de modesector opvolgt bij het kenniscentrum Flanders DC, heeft de Belgische luxemodesector een toekomst. ‘Hij is al zo vaak doodverklaard toen bekende ontwerpers ermee stopten. Er staat genoeg jong talent klaar om de nieuwe Ann Demeulemeester of Dries Van Noten te worden. Sommigen zijn al gelanceerd. Christian Wijnants en Jan-Jan Van Essche, bijvoorbeeld. Meryll Rogge ontwierp jaren bij Marc Jacobs en Van Noten en richtte vorig jaar haar eigen label op. Het jonge Belgische Bernadette bewijst dat het kan. Het werd opgepikt door Net à Porter. En dan zijn er nog het beloftevolle CAP Studio en de talentvolle pas afgestudeerde Marie Martens. De Belgische modesector zit heus niet te treuren in een hoekje.’

Een van die nieuwe talenten, Meryll Rogge, laat zich niet ontmoedigen door de leden van de oude garde die er de brui aan gaven. De dertiger slaagde erin haar collectie te verkopen via bekende luxemodeverkopers als Net à Porter. ‘De Antwerpse Zes komen nooit meer terug, maar andere creatieve ontwerpers komen in hun plaats. Ik begon er vorig jaar aan, met het geld dat ik aan de kant zette tijdens de elf jaar waarin ik bij Jacobs en Van Noten in dienst was. Natuurlijk begin ik niet met een eigen winkel of webwinkel en de bijbehorende dure voorraad, want daar heb ik de middelen nog niet voor. Ik begin kleinschalig: ik trek naar boetieks en produceer alleen de stukken die ze effectief kopen. Maar het is de bedoeling op termijn een webwinkel op te starten en een stock aan te leggen.’

De jonge wolven hebben het een pak lastiger om door te breken dan de befaamde Antwerpse Zes. De wereld is veranderd sinds het sextet in het begin van de jaren 80 afstudeerde aan de Antwerpse Modeacademie. Hun terrein was toch vooral lokaal, terwijl de hedendaagse ontwerpers de hele wereld als terrein hebben. Dat heeft voordelen, maar ook nadelen. Op Instagram concurreert een Antwerpse ontwerper met designers uit Londen, Parijs en andere steden wereldwijd.

Oppermachtige luxegroepen

Bovendien werden grote luxegroepen als LVMH (Louis Vuitton) en Kering oppermachtig in de voorbije decennia. Als een onafhankelijk label een koper zocht, dan waren zij niet zelden de kopers. Dat voelen zelfs gevestigde ontwerpers. ‘Onze groei is hoger dan ooit. Maar de industrie is de jongste vijf jaar enorm veranderd, doordat veel leveranciers in handen gekomen zijn van de grote huizen, die nu bijna een oligopolie vormen’, zei Anne Chapelle vorig jaar.

‘De modesector is veel competitiever geworden’, erkent Claes. ‘De grote groepen zijn in het voorbije decennium machtiger geworden. Hun kleding ligt in de multimerkenboetieks naast die van de onafhankelijke ontwerpers. Ze worden ondersteund met grote kapitalen. Qua marketing, maar ook qua productie. De grote luxehuizen kunnen hun kosten drukken omdat ze zo groot zijn, en omdat ze vaak ook zelf produceren. Ze hebben de macht om een betere plaats op te eisen in de modeboetieks.’

De Belgische onafhankelijke ontwerpers konden niet altijd de evoluties volgen die de grote luxemodegroepen in gang zetten. ‘Zij openden hun eigen winkels, waar één merk te koop was’, zegt Claes. ‘De Belgische huizen verkochten vooral bij onafhankelijke boetieks met meerdere merken. Zo’n groothandelsmodel is goedkoper dan een model met eigen winkels, want die uitbaten kost veel geld. Heel wat Belgische labels konden hun eigen winkels openen, maar een pak kon dat niet. Zij misten zo de boot.’

H&M

Rogge blijft er nuchter onder. ‘Concurrentie met grote modemerken is er altijd al geweest. In de jaren 90 waren Prada, Gucci en Louis Vuitton ook al groot. De Antwerpse Zes concurreerden met Armani en Calvin Klein. Telkens bewijzen kleine onafhankelijke ontwerpers dat er plaats is voor hen. De sector is inderdaad veranderd, maar de digitalisering schept ook mogelijkheden, want de drempel om kleding te verkopen daalt. Je vindt er makkelijker een publiek mee.’

Misschien is de groeiende concurrentie met andere aanbieders van schoonheid en vertier nog ingrijpender. ‘Vandaag is mode voor iedereen op een goedkope manier toegankelijk, dankzij Zara en H&M. Die waren er vroeger gewoonweg niet’, zegt Vermeulen. ‘De jeugd hecht minder waarde aan topmode. Goedkopere mode - al dan niet gratis thuis geleverd - volstaat voor hen vaak, zeker voor dagelijkse gelegenheden. Wij verkopen sommige artikelen goedkoper dan vroeger, om jongere klanten te lokken.’

‘De democratisering van de mode is een feit, maar ik denk dat de luxemode vooral nieuwe concurrentie ondervindt van andere vrijetijdsbestedingen’, zegt Claes. ‘Vooral naar reizen gaat meer geld en naar bourgondisch eten.’ Een dure designtrui moet ook vaker het onderspit delven voor de nieuwe geavanceerde iPhone, die meer dan 1.000 euro kost.

De jonge garde pakt het willens nillens anders aan dan de generaties voor hen. Ze moeten de nodige vindingrijkheid aan de dag leggen. ‘Het geld dat ik tijdens het eerste deel van mijn carrière aan de kant zette, volstaat niet om nu alles te betalen’, zegt Rogge. ‘Mijn collecties prefinancier ik met geld dat de banken me lenen.’

Ze zet de tering naar de nering. Ze ontwerpt haar collecties in de tuin van haar ouders in Deinze, in een omgebouwde schuur. Zo spaart ze huur uit. ‘Mijn ouders helpen mij ook in de dagelijkse werking - onbetaald. Tijdens corona zelfs fulltime. Mijn moeder regelt de boekhouding en de administratie en volgt de productie op. Mijn vader regelt de logistiek. Mijn broer is - na zijn uren - financieel directeur. Ik denk ook goed na voor ik personeel aanneem. Ik ga niet over één nacht ijs. Om een webwinkel te lanceren moet ik een team aannemen dat die webshop onderhoudt, en dat kan nu nog niet. Maar op een dag zal het wel mogelijk zijn.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud