column

In het hoofd van de topsporter

Redacteur Weekend

Tijdens de sportzomer overschouwt Rik Van Puymbroeck wat in en naast de sportarena gebeurt.

Toen Simone Biles afhaakte en liet weten waarom ze dat deed, vielen vele ogen open. Toen postte Cynthia Bolingo het bericht dat ze niet kon lopen in Tokio. Eén zinnetje sprong eruit: ‘Je suis tout simplement exténuée et, peut-être, au bord de la dépression.’ Lang voor deze Spelen vertelde 28-voudig Olympisch medaillewinnaar Michael Phelps dat hij met depressies sukkelde. Dat kreeg aandacht en toen vergaten we het weer. Zoals het misschien met Biles en Bolingo zal gebeuren. We zijn hongerig naar nieuwe records. Wie niet meekan, is zwak.

Weten wij wat in het hoofd van topsporters gebeurt? In de winter voor hij in Atlanta Olympisch kampioen werd, vertelde Fred Deburghgraeve over een wedstrijd die hij in Bastogne zou zwemmen. ‘Atlanta is nog te ver weg’, zei hij. ‘Als ik daar constant moest aan denken, deed ik het in mijn broek.’ Als hij in Bastogne het wereldrecord zou breken, werd hem een Renault Mégane beloofd. Deburghgraeve had nog geen auto. Gelukkig kon hij in Roeselare te voet naar het zwembad. Elke dag. Op zijn schema: om 5.30 u in het water, nadien nog eens twee sessies. Er waren weken van 65 kilometer zwemmen en weken van 90 kilometer. Per jaar zwom hij 3.500 kilometer. Allemaal om Olympisch kampioen te worden.

Dat lukte door die tunnelvisie en later vertelde Justine Henin (goud in Sydney 2000): ‘Toen ik tenniste, zag ik het publiek niet. De pers probeerde ik te vermijden en mijn directe entourage beperkte zich tot drie, hooguit vijf, mensen. (…) Dat ik in zo’n bubbel zat, zag ik pas toen ik eruit was. En ik ben heel blij dat ik eruit ben. Nu voed ik me door contacten met anderen. Toen voedde ik me alleen door mijn vastberadenheid.’ Greg Van Avermaet, de goudenmedaillewinnaar in Rio, zei in 2013 al: ‘De obsessie wordt steeds groter.’

Henin leek een frêle meisje, maar ze was krachtig en in haar blik zat ‘la rage de vaincre’. Hoelang duurde de euforie na een zege, vroegen we. ‘De echte euforie? Eén seconde. Misschien een paar? Dat is éphémère, zeer vluchtig. (…) Natuurlijk voel je je de rest van de dag licht en gelukkig. Sterk ook. Maar de dag nadien herbegint alles. Dat weten alle kampioenen. De dag na je zege op Roland Garros denk je aan Wimbledon.’

Ze stopte een eerste keer toen ze 26 was en definitief toen ze 29 was. ‘Soms was ik té gepassioneerd’, zei ze in 2015 terwijl we praatten in haar Justine Henin Tennis Academy. ‘Ik heb er veel over gelezen en als ik nu moest studeren, dan zeker psychologie.’

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud