Geloven in de meerwaarde van het competentiebeleid

“Vlaanderen op weg naar 2020. Denk en doe mee!” Dat is de slogan van het plan ‘Vlaanderen in actie’. Hiermee moet Vlaanderen tegen 2020 uitgroeien tot een succesvolle regio op wereldvlak. Het accent ligt onder meer op het ontdekken en ontwikkelen van talent, zowel in het onderwijs als op de werkvloer. Maar hoe doen we dat? Of hoe doen we het nog beter? Twee experts geven uitleg: Ann Demeulemeester voorzitter van talent forum VIA en Karel Van Eetvelt, SERV-voorzitter.

De Vlaamse overheid wil talent maximaal inzetten. Want alleen zo kunnen we het hoofd bieden aan de alsmaar krapper wordende arbeidsmarkt. Ann Demeulemeester is algemeen secretaris van het ACW, de koepel van de christelijke werknemersorganisaties. Zij onderkent het belang hiervan: “Elk talent telt. De hamvraag is niet of we talent nodig hebben. Maar wel: hoe kunnen we het talent aanboren?” Karel Van Eetvelt, gedelegeerd bestuurder van de zelfstandigenorganisatie Unizo, deelt deze mening. “Onlangs nog hoorde ik de uitspraak: Vlaanderen heeft haast geen grondstoffen, maar we hebben wel onze grijze massa. Heel terecht. Net die grijze massa is zeer waardevol voor onze economie en onze samenleving. De kunst bestaat erin om ze ook op langere termijn te behouden. Binnen een context die voortdurend verandert.”

2020 wordt dus een belangrijke streefdatum voor de Vlaamse overheid. Maar bevindt Vlaanderen zich nu al niet in een sterke positie op mondiaal vlak?

Van Eetvelt: “Vlaanderen bevindt zich inderdaad in een toppositie. Die hebben we bereikt door de combinatie van welvaart en welzijn. Bovendien wordt onze regio gekenmerkt door een economische groei en een goed sociaal beleid. Dit alles zorgt voor een heel stabiel klimaat. En dat is een sterke troef.” Demeulemeester: “Toch zijn er nog een heleboel knelpunten. We worden geconfronteerd met het weglekken van talent. Dat gebeurt al in het onderwijs: jongeren volgen niet altijd het traject dat ze optimaal zouden afleggen. Maar ook op de arbeidsmarkt is er een onderbenutting van talent. Terwijl talent net zo belangrijk is. Het is het menselijk kapitaal, dat je verder kan vertalen in economisch, sociaal en cultureel kapitaal. Het belang van dit talent moeten we goed beseffen, vooraleer we economische en sociale problemen kunnen aanpakken. Daarom moet elk talent tegen 2020 maximaal benut zijn. Zodat iedereen op de juiste plaats zit.”

Belangrijk bij ‘Vlaanderen in actie’ is de uitbouw van de zogenaamde ‘School van de 21ste eeuw’. Wat moeten we ons daar concreet bij voorstellen?

Demeulemeester: “De kwaliteit van het Vlaamse onderwijs staat buiten kijf. Maar aan de top zijn de verwachtingen erg hoog. In vijftien jaar tijd zijn we er alvast in geslaagd het aantal laaggeschoolden te halveren en het aantal hooggeschoolden bijna te verdubbelen. We moeten dus optimistisch zijn: door inspanningen te doen, bereik je heel wat. De overheid heeft geïnvesteerd in een startkwalificatie (een minimaal onderwijsniveau dat nodig is om kans te maken op duurzaam werk, red.). Ook hier boeken we vooruitgang. Toch verlaat nog steeds 10 procent van de jongeren het middelbaar zonder dat getuigschrift. Het kan dus beter.” “Een andere uitdaging is de nog te traditionele opdeling tussen het cognitieve en het technische in het onderwijs. Tussen hoofd en handen, zeg maar. Daardoor bestaat er een onderwaardering van technische beroepen en zijn er te weinig afgestudeerden in die richting. Andere landen doen het op dat vlak beter dan wij. Uiteindelijk moeten we ernaar streven om van de school een open leercentrum te maken.”

Van Eetvelt: “Het onderwijs in Vlaanderen is zeer democratisch. De combinatie van een lage drempel en een hoge kwaliteit moet we bewaren. Onderwijs moet bovendien centraal staan. Twintig jaar geleden ging men ervan uit dat kennis overal vergaard kon worden. Dus niet noodzakelijk binnen de schoolmuren. Vandaag zijn we opnieuw bewust van het belang van onderwijs als centrale plek in een samenleving waarin je kennis vergaart. Het is dus niet alleen een uitdaging voor het onderwijs zelf, maar voor de hele maatschappij. Iedereen moet hieraan meewerken. Dat vergt uiteraard een grote flexibiliteit van ieder individu. Maar ik maak me weinig zorgen: de Vlaming heeft een aanzienlijk aanpassingsvermogen. Dat is een groot voordeel in onze snel veranderende samenleving.”

De taak van de leerkracht is in deze context niet onbelangrijk. Krijgt hij een nieuwe rol in de ‘School van de 21ste eeuw’?

Demeulemeester: “Bij het opstellen van beleidsplannen wordt er nog te veel over de hoofden van de leerkrachten gekeken. Nochtans is die leraar erg belangrijk. Zijn takenpakket moet wellicht voor een stuk herzien worden. Hij moet meer en meer een ‘innovator’ zijn, en moet met alle veranderingen kunnen omgaan. Hij moet niet alleen zijn kennis overbrengen, hij moet ook de competenties kunnen overdragen. Kortom: hij moet die kennis ook kunnen toepassen. En daar wringt het schoentje soms.” Van Eetvelt: “Het verwachtingspatroon van de leerkracht stijgt. Maar we moeten ons afvragen wat we van hem mogen verwachten. Misschien kunnen we de druk wat verlichten door andere mensen hun ervaringen met hem te laten delen. Mensen van buitenaf dus, zoals ondernemers en werknemers. Hun expertise kan zeer verrijkend zijn. Alleen: dit alles organiseren is niet altijd makkelijk. Ik zie het alvast als mijn verplichting om geregeld een en ander te gaan uitleggen in scholen.”

Demeulemeester: “Die diversiteit vereist een aanpak op verschillende fronten. We moeten er alle onderwijsniveaus bij betrekken. Momenteel is de doorstroming in het onderwijs slechter in zwakkere groepen. Ik denk aan allochtone en kansarme gezinnen. Die doen het algemeen slechter - ook als we de vergelijking maken in Europa. De verschillen tussen kinderen uit andere milieus zijn dus te groot. In het verleden hebben we daar al extra middelen voor ingezet: bijkomende taallessen, een doorgedreven begeleiding van de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB), enzovoort. Al deze inspanningen blijven cruciaal voor de toekomst.” “De doelstelling van de Vlaamse overheid is: tegen 2020 komen tot een evenredige participatie in het onderwijs. Maar daarvoor moeten de instrumenten nog voort verfijnd worden. Goede opties zijn taallessen, buddies en netwerken waardoor allochtone kinderen gestimuleerd worden. Ook belangrijk is het nieuwe financieringsmechanisme van het onderwijs: bij de financiering van scholen wordt nu rekening gehouden met de doelgroepen. Dat geldt trouwens ook voor het hoger onderwijs. Daar is er zelfs een koppeling aan de resultaten.”

Van Eetvelt: “We mogen ook de rol van de ouders niet onderschatten. Opvoedingsondersteuning is cruciaal in deze context. Ouders die de taal niet spreken, weten niet wat er precies gebeurt op school. Als je dit luik over het hoofd ziet, bereik je met alle andere inspanningen sowieso geen resultaten. Geen enkel element mag in het systeem ontbreken.”

We hadden het tot nu toe voornamelijk over onderwijs. Maar ook op de werkvloer moet een en ander gebeuren. Hoe pakken we hier de diversiteit aan?

Van Eetvelt: “Op de arbeidsmarkt is het heel belangrijk dat je alle talenten maximaal inzet op de juiste manier. Tegen dit principe hebben we in het verleden zwaar gezondigd. Een voorbeeld: de vijftigplussers. Vroeger werd collectief tegen werkgevers gezegd dat ze te duur en overbodig waren. Ze zouden het werk van de jongeren afpakken. Het is niet verwonderlijk dat we vandaag vaststellen dat bepaalde groepen zwaar onderbenut zijn. De uitdaging is nu: dit alles helemaal omdraaien. En dat is niet eenvoudig. We moeten werkgevers aan hun verstand brengen dat vijftigplussers wel degelijk veel competenties in huis hebben, dat ze productief zijn en dat ze niet te duur zijn. Maar ook met de vijftigplussers zelf moeten we communiceren. Je moet hen uitleggen wat de verwachtingen zijn.’ We zitten blijkbaar toch opnieuw op het goede pad: in 2007 steeg het aantal werkende vijftigplussers met 70.000, tot 950.000. Dat is een stijging van 7,7 procent.

Demeulemeester:Bij het aantrekken van oudere werknemers is het ‘loopbaandenken’ essentieel. De druk in de loopbaan is ongelijk gespreid. Door vijftigplussers de kans te geven om al eens een stap terug te zetten of zich te heroriënteren, kunnen we ze wellicht extra motiveren.”

Van Eetvelt: “Tussen 1960 en nu werd alles in vakjes en systemen gestoken - weliswaar met goede bedoelingen. Zo werd bijvoorbeeld tijdskrediet uitgebouwd: een systeem dat helaas niet beantwoordt aan de behoeften van veel mensen. En dat geldt eigenlijk voor alles wat we rond de arbeidsmarkt opgebouwd hebben. Veel formules vormen eerder een rem dan een stimulans. Het hele systeem moet dus veranderen, zonder mensen in de marge van de samenleving te plaatsen.” “Toch merk ik nog te veel protectionistische reflexen bij werkgevers. Ik ben er bijvoorbeeld van overtuigd dat de rotatie op de arbeidmarkt enorm zal toenemen. Jongeren willen steeds meer een loopbaan die zich situeert in verschillende bedrijven. Als ik werkgevers uitleg dat ze dit moeten toelaten, dan word ik vaak vreemd bekeken. Terwijl jobrotatie net heel verrijkend kan zijn voor een bedrijf. Want dat betekent niet alleen personeel verliezen, maar ook nieuwe talenten binnenhalen. Er mag dus wel wat meer flexibiliteit zijn bij de werkgevers. De krapte op de arbeidsmarkt zal ons hier echt bij helpen. De druk van onderuit wordt zodanig groot, dat iedereen gedwongen wordt om inspanningen te leveren.”

Demeulemeester: “Die krapte is een historische kans om een economische, een sociale en een kwaliteitsagenda tegelijkertijd te realiseren. De uitdaging bestaat erin om alle actoren op dezelfde lijn te krijgen. We hadden het daarnet over jobrotatie - ikzelf gebruik liever het woord transitie. Iedereen moet zich voorbereiden op transities op de arbeidsmarkt. Niet alleen de werkgever, maar ook de werknemer. Voor de werknemer is wendbaarheid in de loopbaan belangrijk. Als je hierin wilt investeren, moet je ook aandacht hebben voor maatschappelijke vorming. Sociale vaardigheden zijn trouwens erg belangrijk. Robert Putnam (Amerikaanse politicoloog, red.) heeft overigens aangetoond dat een sterk uitgebouwd verenigingsleven en een florissante economie hand in hand gaan.”

Van Eetvelt: “We moeten ook durven te kijken naar de arbeidsmarkten in andere landen. Bepaalde Scandinavische landen hebben zich al op een goede manier voorbereid op deze hele problematiek. We moeten hieruit leren, en hun ideeën importeren naar onze eigen arbeidsmarkt.”

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud