‘Soms heb je halve zotten nodig om iets gedaan te krijgen'

De site van Indaver in Stabroek. ©Wim Kempenaers (WKB)

Minstens een deel van de klimaatoplossing zal van innovatie moeten komen. Belgische bedrijven doen volop hun deel in de zoektocht naar antwoorden. ‘Hier gebeurt te veel om op te noemen.’

Veel wilde ideeën sterven een stille dood. Maar soms, heel soms, verandert een wild idee de wereld. Zo ook in 1998, toen vier mannen elkaar vonden rond een plan dat toen wel erg onwaarschijnlijk leek. ‘Wat als we nu eens windmolens op zee gingen bouwen?’

Het was in een Brussels restaurant dat Geert Palmers van het ingenieursbureau 3E, Jean-Pierre Dutry van de turbinemaker Turbowinds, Jo Geebelen van de intercommunale Interelectra en Alain Bernard van de baggeraar Dredging International (nu DEME) beslisten er samen voor te gaan. ‘Halve zotten waren we’, lacht Bernard. ‘Maar soms heb je halve zotten nodig om iets gedaan te krijgen.’

Windmolenpark in de Noordzee. ©Karl Van Ginderdeuren

Wat volgde, was een calvarietocht met bouwkundige hoogstandjes, administratieve rompslomp en tegenslagen. ‘Het is vaak kantje boord geweest. We hebben meer dan eens getwijfeld of we er niet gewoon mee moesten kappen’, zegt Bernard. Maar dankzij een koppig doorzettingsvermogen, de steun van aandeelhouders met een langetermijnvisie en een dosis pragmatisme die alleen een stel ingenieurs aan de dag kan leggen, werd het wilde idee een succes dat vandaag in elke uithoek van de wereld wordt overgenomen.

Het verhaal illustreert dat Belgische bedrijven een impact kunnen hebben op de klimaatverandering. ‘Er gebeurt enorm veel in ons land’, zegt professor Tom Kuppens, milieu-econoom van de Universiteit Hasselt. ‘Eigen aan onze regio: er zit veel kennis bijeen op een kleine ruimte. Bovendien is er een goede wisselwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen. Bedrijven weten dat ze kunnen aankloppen bij onderzoekers, onderzoekers worden steeds meer gestimuleerd om ondernemend te denken. In die dynamiek is veel mogelijk. Er gebeurt veel onderzoek naar technische oplossingen voor de klimaatproblematiek, te veel om op te noemen zelfs.’

De enige fundamentele oplossing is om van CO2 een waardevolle grondstof te maken. Tot we daarin slagen, zijn andere initiatieven nodig.
Paul De Bruycker
CEO van Indaver

Of daar wereldverbeterende innovatie tussen zit, is moeilijk te zeggen. Veel van de veelbelovende technologie die in Vlaanderen wordt ontwikkeld, staat - net als in de rest van de wereld - nog in de kinderschoenen. Om onze uitstoot te beperken moeten we dus voorlopig vooral rekenen op wat Paul De Bruycker, de CEO van het afvalverwerkingsbedrijf Indaver, ‘laaghangend fruit’ noemt. ‘We hebben bijvoorbeeld nog veel marge om onze efficiëntie te verbeteren door meer afvalstoffen circulair te maken of elke joule energie efficiënt in te zetten.’

Indaver opende in de Waaslandhaven onlangs een stoomnetwerk dat de opgewekte warmte van de verbranding van niet-recycleerbaar afval naar omliggende chemiebedrijven transporteert, zodat die hun eigen stoomketels minder moeten inzetten. Dat bespaart jaarlijks 100.000 ton aan CO2-uitstoot, het equivalent van vijftig windmolens van 2,3 megawatt (MW). ‘Dat is een project van wereldklasse’, zegt De Bruycker trots.

Maar hij erkent meteen ook dat er meer nodig is. En wat dat moet zijn, is volgens hem al duidelijk. ‘De enige fundamentele oplossing is om van CO2 een waardevolle grondstof te maken. Het wordt in het klimaatdebat vaak over het hoofd gezien, maar CO2 is een essentiële bouwsteen voor biomassa. Het grote probleem is dat we er te veel van uitstoten. Dat overschot capteren en omzetten in iets waardevols is de enige manier om het huidige CO2-probleem op te lossen. Dat kan vandaag al, de technologie bestaat. Maar om een verschil te kunnen maken moet ze nog drastisch verbeteren.’

De heilige graal waarover De Bruycker het heeft, heet in het milieujargon Carbon Captation & Utilization, en wordt breed aanvaard als zeer belangrijk. Er wordt duchtig mee geëxperimenteerd, ook in ons land. Het Genkse bedrijf Orbix gebruikt CO2 dan weer om bouwmateriaal mee te maken, en het chemiebedrijf Recticel maakt er matrassen mee.

‘Allemaal waardevolle initiatieven, maar dat is slechts het begin van de oplossing’, zegt De Bruycker. ‘Dat het gaat lukken om die technologie op punt te krijgen, daar twijfel ik niet aan. We werken er zelf ook aan. Maar we gaan er twintig jaar te laat mee zijn. Intussen zijn dus andere initiatieven nodig.’

Klein land, grote vervuiler

De CO2-uitstoot van België is sinds 2000 gedaald, maar zit nog altijd boven het Europese gemiddelde. Hoe de sectoren in ons land het doen in vergelijking met de buurlanden, ziet u op multimedia.tijd.be/co2


 

Slimme sturing

Gelukkig wordt ook op andere fronten duchtig geïnnoveerd in zaken die een betekenisvolle impact kunnen hebben op het CO2-gehalte in onze atmosfeer.

Met de materiaaltechnologiegroep Umicore heeft ons land een wereldspeler in huis als het over batterijen voor elektrische auto’s gaat. Ook in het Vlaamse kenniscentrum EnergyVille - een samenwerking van de KU Leuven, VITO, imec en UHasselt - gebeurt veel onderzoek naar betere batterijen en batterijopslag - belangrijk om onder meer overtollige wind- en zonne-energie in op te slaan.

Een andere specialiteit van Umicore is het recycleren van zeldzame grondstoffen uit afgedankte elektronica. Door die ‘bovengrondse mijn’ te ontginnen verkleint de afvalberg, wat een reductie in CO2-uitstoot betekent. En ook elders in België wordt belangwekkend onderzoek gevoerd naar het terugdringen van de afvalberg door er waarde uit te putten. Met Peter Tom Jones heeft de KU Leuven een autoriteit in haar rangen als het op ‘enhanced landfill mining’ aankomt, een techniek die energie en materiaal kan puren uit oude stortplaatsen. Die techniek wordt op dit moment, in samenwerking met het onderzoekscentrum voor cleantech VITO, getest bij de Limburgse afvalverwerkingsgroep Group Machiels.

De bestaande oplossingen schieten tekort. Dus moeten we iets radicaal anders proberen.
Alexander Saverys
CEO van CMB

In de pogingen om energie efficiënter in te zetten, wordt ook de zogenaamde smartgridtechnologie belangrijker, zegt Serge de Gheldere, de oprichter en CEO van Futureproofed, een adviesbureau dat bedrijven en overheden bijstaat bij duurzame innovatie. ‘Via slimme energienetten kan je niet aleen het aanbod, maar ook de vraag sturen. Bij piekproductie kan je bedrijven aansporen meer te verbruiken. Als je op termijn wil afhangen van meer grillige energiebronnen als zon of wind, dan heb je zo’n slimme sturing nodig.’

Met het Antwerpse bedrijf REstore - dat intussen is overgenomen door het Britse Centrica - heeft ons land een wereldleider in smart grids, terwijl ook bedrijven als Actility en Enervalis op dat vlak in het oog lopen. En met - opnieuw - EnergyVille zit Vlaanderen op een schat aan kennis, zeker als het op de combinatie van een slim elektriciteitsnet met een warmtenetwerk aankomt. Alleen: in Vlaanderen kan EnergyVille er voorlopig geen kant mee op. ‘Alles werkt en is klaar om uit te rollen, maar het regelgevend kader loopt achter’, zucht CEO Ronnie Belmans. ‘We vragen al langer een zone waarin we kunnen experimenteren, maar het is wachten.’

Waterstofhype

Een ontwikkeling die lang niet echt serieus werd genomen wegens te duur, is het gebruik van waterstof als energiebron. Waterstof is een energiedrager die te vergelijken is met een batterij. Via brandstofcellen kan de stof worden omgezet in elektriciteit en waterdamp. Waterstof heeft als voordeel dat het erg licht is en gemakkelijker is op te slaan dan elektriciteit. Maar er zijn ook grote nadelen. Zo is het zeer energie-intensief om energie in waterstof om te zetten en dus duur om het te fabriceren, en gaat er zowat een kwart van de energie verloren tijdens het proces.

‘Maar de jongste tijd is veel vooruitgang geboekt met waterstoftechnologie’, zegt Stef De Naeyer, senior business developer bij Cleantech Flanders. ‘Het is nog altijd heel duur. Maar de interesse is nu zo groot dat je eigenlijk van een hype kan spreken.’ In België wordt ook lustig geëxperimenteerd. De supermarktketen Colruyt laat de heftrucks in haar distributiecentrum op waterstof rijden en opende onlangs ook een waterstoftankstation voor het publiek. En ook in de haven van Antwerpen wordt met waterstof geëxperimenteerd, in samenwerking met de chemiecluster.

Een domein waar de stof misschien nog het grootste verschil kan maken, is de scheepvaart. De Antwerpse rederij CMB pioniert met onderzoek naar waterstofschepen. Eind 2017 presenteerde ze de Hydroville, een door waterstof aangedreven watertaxi die werknemers uit de file op de E17 richting Antwerpen moet halen.

‘Dat is natuurlijk maar de bestemming die we er achteraf aan hebben gegeven’, zegt CMB-topman Alexander Saverys. ‘We zien de Hydroville in de eerste plaats als een drijvend laboratorium. Tegen 2050 moet onze sector de uitstoot met 70 procent zien terug te dringen, een opdracht waarin we met de bestaande technologieën niet zullen slagen. De olie- en gassector probeert ons richting lng te duwen. Maar de bijbehorende kosten zijn groot, terwijl de reductie in uitstoot al bij al klein is. Daarom hebben we beslist iets radicaal anders te proberen.’

Alexander Saverys, CEO van rederij CMB en de het door waterstof aangedreven schip Hydroville. ©Thomas De Boever

Lang gebeurde er weinig in de scheepvaartsector, die nochtans verantwoordelijk is voor 2 tot 3 procent van de globale uitstoot. Maar stilaan begint het te dagen dat er iets moet gebeuren. ‘De interesse groeit’, zegt Saverys. ‘En als wij daarin een rol kunnen spelen, des te beter.’

‘Je ziet aan alles dat Vlaanderen een goede omgeving is om te durven experimenteren’, vat milieu-econoom Tom Kuppens samen. Wie weet zitten er op dit moment wel enkele halve zotten samen om af te kloppen op een wild idee, dat straks mee het klimaat redt.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content