interview

‘Het hele systeem is fucked up'

©Siska Vandecasteele

In de wintermaanden trekken we met enkele gesprekspartners naar buiten voor een stevige wandeling. We praten over leven en werk, over afkomst en visie. Met modeontwerper Raf Simons wandelen we langs de Seine in Parijs. Simons nam vier maanden geleden afscheid van het machtige Franse modehuis Dior. Omdat het altijd maar sneller moest. Vandaag neemt hij weer de tijd om na te denken. ‘Ik heb meer vragen dan antwoorden. Maar dat geeft niet. Ik geloof in chaos.’

Al meer dan tweehonderd jaar is L’Hotel, in de Rue des Beaux Arts, een schuilplaats voor de rich and famous. Oscar Wilde bracht hier het laatste jaar van zijn leven door, nadat hij was vrijgekomen uit een Britse gevangenis. Doodziek en berooid kwam hij in Parijs aan. ‘Alas, I am dying beyond my means’, schreef hij vanuit zijn kamertje in dit hotel.

Het is ons een raadsel waarom modeontwerper Raf Simons (48) ons uitgerekend in het kleinste vijfsterrenhotel van Parijs wil ontmoeten. Het is ons een raadsel waarom Simons ons wil ontmoeten tout court. Iedereen weet dat hij interviews haat. Net zoals hij het haat om gefotografeerd te worden. ‘Een lens die op mij is gericht, vind ik intimiderend. Ik voel mijn gelaat helemaal verstarren.’

Het is 14.04 uur. De hotellobby blijft leeg. De schrik slaat ons om het hart. Heeft Simons zich bedacht? Het miezert buiten. Misschien ziet hij een wandeling door zijn favoriete quartier, Saint-Germain-des-Prés, niet zitten. Misschien wil hij toch liever niet praten over waarom een Belgische modeontwerper op het toppunt van zijn kunnen nee zegt tegen Christian Dior en zich terugplooit op zijn eigen mannenlabel.

Een minuut later blijkt onze vrees ongegrond. Niet eens fashionably late waait hij breed glimlachend het hotel binnen. Zijn donkerblauwe ogen onder de borstelige wenkbrauwen lachen mee. ‘Ik heb tijd. Zullen we eerst nog iets drinken?’

Simons - in zwarte broek en marineblauwe kabeltui - lost meteen ons eerste raadsel op. ‘In dit hotel verstopte ik me tijdens de onderhandelingen met LVMH. (de beursgenoteerde moeder van Dior, red.)’ Als modehuizen een nieuwe creatief directeur zoeken, gebeurt dat met de grootste discretie. Er zijn maar enkelingen die in aanmerking komen voor die - royaal betaalde - jobs. De concurrentie kijkt mee.

‘Speciale plek, niet? De eigenlijke onderhandelingen vonden plaats in de suite van een ander hotel in Parijs, maar hier sliep ik. ’, zegt Simons. L’Hotel is een toevluchtsoord voor beroemdheden, horen we later van de conciërge. Ook Catherine Deneuve, Robert de Niro, Jim Morrison, Mick Jagger, Liza Minelli, Frank Sinatra, Dali en Natalie Wood huurden of huren hier kamers als ze niet gezien willen worden.

Dat Simons een beroemde modeontwerper zou worden die zich soms zou moeten verstoppen voor de pers, stond niet in de sterren geschreven. ‘Ik kom uit Neerpelt, een Limburgs dorp waar niets te beleven viel. In onze straat was een boerderij waar varkens werden geslacht. Mijn vader was een militair, hij werkte als nachtwaker op de militaire basis van Kleine Brogel. Mijn moeder is een tijd poetsvrouw geweest. Eenvoudige mensen die elkaar doodgraag zien. Een topjeugd had ik.’

‘Toen ik een jaar of 18 was, dacht ik de hele tijd: ik moet hier weg. Vandaag loop ik de hele tijd te denken: ik moet terug naar de natuur. Ik pendel tussen Antwerpen en Parijs, maar op een dag verhuis ik weer naar een dorp. Niet naar Neerpelt, liefst ergens waar het warmer is.’

©Siska Vandecasteele

Er zijn nogal wat Belgen die internationaal faam maakten in de mode. Maar niet iedereen schopte het tot creatief directeur van een van de grootste modehuizen ter wereld. En dat terwijl Simons helemaal geen opleiding in de mode genoot. ‘Ik zat op een klassiek college. Wie er redelijke punten haalde, ging voor dokter of advocaat. Ik twijfelde. Ik overwoog architectuur, tot ik op een dag door een studiefolder bladerde van de opleiding industrieel design. De richting productontwikkeling leek me wel iets. Spullen maken waar mensen wat aan hebben.’

Als jonge snaak raakte Simons gefascineerd door dingen die in Neerpelt niet alomtegenwoordig waren: kunst en mode. ‘In 1986 trokken de Zes van Antwerpen met hun collecties naar Londen. Ik volgde hun wedervaren op tv. Datzelfde jaar organiseerde Jan Hoet in Gent Chambres d’Amis. Hij haalde kunst uit de musea en plaatste het in privé-interieurs. Ik ben daar toen met de trein naartoe gegaan, heb koffie gedronken in sommige van die huizen.’ Simons, net 18, zoog het allemaal in zich op.

Boeiende eierdopjes

Voor de hogeschool in Genk maakte Simons gebruiksvoorwerpen, zoals eierdopjes, kopjes en driewielers. Maar wat er intussen in Antwerpen gebeurde, werkte als een magneet op hem.

‘Toen het tijd werd om een stageplaats te kiezen, ging ik aankloppen bij Walter Van Beirendonck. Die man is de eeuwige jeugd. Zo inspirerend. Hij was met van alles tegelijk bezig. Zijn etalages waren installaties. Ik flanste een portfolio in elkaar, deed tijdens het sollicitatiegesprek alsof ik tijdens mijn opleiding veel rond mode had gewerkt, wat gelogen was. Mijn ideeën over mode interesseerden hem geen zier, maar hij keek wel geboeid naar mijn ontwerpen van eierdopjes.’ (lacht)

©Siska Vandecasteele

Op school waren ze niet zo enthousiast over zijn stageplek, maar Simons was niet meer weg te slaan uit de studio van Van Beirendonck. ‘Hij nam me mee naar de biënnale van Venetië. We zijn daar samen in zijn auto naartoe gereden. Ik kon nog niet rijden, dus moest ik Walter tijdens de rit wakker houden door tegen hem te praten en hem snoep te voeren.’

Het was ook Van Beirendonck die Simons meenam naar Parijse modeshows. Tijdens de show van Martin Margiela sloeg de vonk definitief over. ‘Voordien interesseerde mode me wel, maar ik zag er geen beroep in. Tijdens die show gebeurde er iets. Ik kan daar wel over praten, maar tegelijk kan ik er niets zinnigs over zeggen. Soms gebeuren dingen gewoon. Ik voelde dat iets in elkaar klikte, dat ik getuige was van iets belangrijks. Van iets dat over meer ging dan gewoon kleding. Er hing mysterie rond dat merk, rond die man.’ Nooit heeft Martin Margiela zijn gezicht laten fotograferen, altijd bleef hij tijdens modeshow achter de schermen. Vragen van de pers werden behandeld per fax.

‘Er is precies zo veel te vertellen nu’, lacht Simons verbaasd. ‘Ik spring van de hak op de tak.’ Tijd voor een wandeling.

Simons trekt zijn kasjmieren Prada-jas aan. ‘Mode wordt te populair. Als we niet opletten, verliest ze haar magie. Het systeem valt zichzelf aan doordat er te veel exposure is. Nu ik wat in between zit, denk ik over zulke dingen na. Over hoe een systeem zichzelf kan vernietigen.’

In het persbericht dat LVMH op 22 oktober rondstuurde, stond spaarzaam dat Simons ‘om persoonlijke redenen’ had beslist Dior te verlaten. Dat is niet gelogen, maar er zit meer achter. Onbehagen. Gedachten die tijd nodig hadden om te rijpen en pas nu naar boven komen.

We wandelen het hotel uit en slaan linksaf. Voor ons ligt de magnifieke binnenkoer van de École Nationale Supérieure des Beaux-Arts. ‘Vroeger trokken de meeste mensen elke dag eender welke trui of broek aan. Nu willen steeds meer mensen dat hun kleren gelinkt zijn aan high fashion. Mode was vroeger niet voor iedereen. Ze was meer geïsoleerd, meer...’

Elitair is het woord dat u zoekt, niet? ‘Ja. Is dat verkeerd? Er was een kleine minderheid die volgde wat op de catwalk gebeurde. Die mensen begrepen dat het om meer ging, dat ontwerpers iets te zeggen hadden over de wereld waarin we leven. Vandaag loopt het storm tijdens de Fashion Weeks. Dan zijn er makkelijk 300 journalisten zoals jij die allemaal interviews willen. De voorbije vier jaar weigerde ik alles, behalve de dingen die ik niet kon weigeren. Zoals televisie-interviews vlak na de shows.’

©Siska Vandecasteele

Simons huivert als hij eraan terugdenkt. ‘Het staat zo ver af van wie ik ben. Ik deed die dingen op automatische piloot. Soms stonden er verschillende tv-ploegen op mij te wachten, die allemaal samen tien minuten kregen. Waarom is die broek rood? Waarom zijn de schouders zo smal? Ik wil niet denigrerend overkomen, maar zo heb ik nooit naar mode gekeken’, zegt hij. ‘Alles bij Louis Vuitton is blauw.’ Dat zijn de headlines die de kranten halen. Alleen het oppervlakkige laagje blijft over. Ik heb geleerd dat je mode en kunst niet mag vergelijken. Maar toch. Mode is stilaan even populair als popmuziek. Dat is, denk ik, geen goede zaak.’

Iets heel graag willen

We slaan de Rue Bonaparte in, die recht naar de Seine loopt. Het is gestopt met regenen. Simons schrikt soms van de hardheid van zijn eigen woorden. ‘Ik wil niet alles en iedereen over dezelfde kam scheren. Er lopen ook veel mensen rond die wel dieper graven. Met Cathy Horyn van The New York Times heb ik uren gepraat. Ik praat liever vijf uur met één iemand dan één minuut met vijfhonderd mensen.’

We werpen op dat er ook een voordeel aan zit. Mode wordt toegankelijker, ook voor mensen die het niet kunnen betalen. ‘Dat weet ik niet zo zeker’, werpt Simons tegen. ‘Een haute couture-jurk van Dior kost 150.000 euro. Dat zijn choquerende bedragen. Maar wie goed zoekt, vindt mooie high fashion met een betaalbaar prijskaartje. Dat was al zo toen ik jong was. Ik kocht 25 jaar geleden ook al high fashion, toen ik nog niets verdiende. Ik kocht één broek en één trui of T-shirt per jaar. Daar zit schoonheid in, in iets heel graag willen en er een jaar voor sparen.’

De trailer van 'Dior and I', de documentaire over de start van Simons bij Dior.

‘Mensen kopen zo veel. Voor elk weekend, elke gelegenheid iets nieuws. Ik niet. Nog altijd niet. Deze jas van Prada is vijf jaar oud en ik hoop dat ik hem nog dertig jaar kan dragen. Ik koop alleen dingen waarvan ik weet dat ik ze nu en voor altijd mooi ga vinden. Ik draag mijn stukken helemaal af.’

In de nauwe straatjes van SaintGermain-des-Prés zitten kleine designgalerijen verstopt. ‘Ik kom hier graag wandelen en windowshoppen. Zoeken, kijken, nadenken over waarom ik iets mooi vind. Ik heb een zwak voor meubelen van Franse designers van midden vorige eeuw: Jean Prouvé, Charlotte Perriand, Jean Royère, Pierre Jeanneret, Le Corbusier... Van de naoorlogse periode gaat zo’n optimisme uit. The future was bright. Iedereen zou op de maan gaan wonen.’

‘In die periode is ook Christian Dior begonnen. Ik heb een enorme bewondering voor hem. Tijdens de oorlog liepen vrouwen in degelijke uniformen rond. Hij trok een streep onder die periode van schaarste en hertekende het vrouwelijke silhouet. Een vrouw mocht weer vrouw zijn. Hij gebruikte meterslange dure stoffen en maakte een einde aan het rantsoendenken. En hij stak met zijn ontwerpen de oceaan over, naar Amerika. Dat is durven.’

Naast design heeft Simons - nu er wel wat op zijn bankrekening staat - nog een passie waaraan hij graag geld spendeert: kunst. Hij is een verwoed verzamelaar. Hij verzamelt keramiek van Picasso, en werken van de Amerikaanse kunstenaar Ruby Sterling, een goede vriend met wie hij al eens een collectie maakte. Of het lang geleden is dat hij ontroerd raakte door een kunstwerk? ‘Gisteren nog. Ik kijk elke dag naar kunst. Ik kan niet zonder. Vorige week heb ik een werk kunnen kopen van de Amerikaanse kunstenares Cady Noland. Daar was al ik al jaren op aan het azen. Noland maakt al 25 jaar geen nieuw werk meer. Ze is op het toppunt van haar carrière gestopt en leeft nu erg teruggetrokken. Dat vind ik fascinerend.’

Of hij er soms aan denkt er helemaal uit te stappen? ‘Nee. In het begin van mijn carrière had ik een haat-liefdeverhouding met mode, vandaag niet meer. Ik geloof erin. Ik ben er sinds mijn vertrek bij Dior ook niet helemaal uit. Ik concentreer me nu met veel liefde op mijn eigen mannenlabel, dat intussen twintig jaar bestaat. Het bedrijf is gezond en wordt geleid door Bianca (Quets-Luzi). Behalve een supertalent is ze ook een vriendin. Het is heerlijk om in Antwerpen met ons zevenkoppige team aan een nieuwe collectie te werken.’

Of hij ooit nog voor een groot modehuis zal werken? ‘That remains to be seen. Ik ben er nog niet uit. Ik heb meer vragen dan antwoorden. Maar dat geeft niet. Ik geloof in chaos. De beste plannen hebben incubatietijd nodig.’

Doorslaand succes

We lopen op de Quai Malaquais langs de immense boetiek van Dries Van Noten als de vraag zich niet langer laat parkeren. Waarvan is Simons nu precies weggelopen bij Dior? ‘Van de snelheid’, zegt hij. ‘Het moest altijd sneller. Altijd meer. Het hele systeem is fucked up. Op het einde deed ik acht collecties per jaar. En zes runway-shows. Ondoenbaar, maar we deden het. En het lukte.’

En of het lukte. Al wie de mode van ver of dichtbij volgt, zal zich de eerste Parijse show van Simons voor Dior nog lang heugen. De bloemenmuur, waarin een miljoen bloemen verwerkt zaten, is een iconisch beeld in modebladen. De drieënhalf jaar die Simons bij Dior doorbracht, waren behalve een artistiek ook een doorslaand commercieel succes. Hij heeft het merk verjongd, zij het met respect voor de traditie van het huis. Dior Couture groeide seizoen na seizoen. Het jongste boekjaar zelfs met 18 procent tot 1,77 miljard euro.

Voor zijn eerste Haute Couture-show in Parijs, in 2012, liet Simons enkele muren bekleden met bloemen - goed voor in totaal 1 miljoen stuks. ©rv

Van waar we staan, is het 2 kilometer lopen langs de Seine naar de Avenue Montaigne, naar het hoofdkwartier en de ateliers van Dior. Maar Simons slaat de Rue de Seine in. De andere kant op, al weet hij nog niet goed waarheen.

Hij vertrok niet met slaande deuren, integendeel. Zijn vertrek was amicaal, zoals dat heet. Zo beschaafd als kan in een wereld, waarin de wetten van het geld regeren. LVMH-voorzitter Bernard Arnault en Dior-topman Sidney Toledano namen afscheid van Simons en bedankten hem voor zijn ‘uitzonderlijke bijdrage’.

‘Het was geen kwestie van de job niet aankunnen’, zegt Simons. ‘Zowel fysiek als mentaal ging het. De ideeën bleven komen, we haalden onze deadlines. Ook als we maar vijf weken hadden om een hele collectie van vijftig silhouetten te maken. Maar het moest altijd meer zijn. Die zesde runwayshow hebben Pieter (Mulier, zijn rechterhand, red.) en ik heel lang proberen af te houden. Maar uiteindelijk moest het toch. Dan zit je op oudejaarsavond bij je familie en moet je voor het dessert weg. Terug naar Parijs, omdat er nog fittings moeten gebeuren. Mijn dagen waren volgepland. Van kwartier tot kwartier. Als er ’s ochtends een meeting uitliep, liep mijn hele dag in het honderd.’

©Siska Vandecasteele

We staan op een kruispunt te wachten tot het licht op groen springt. ‘Ik neem graag de tijd, hecht veel belang aan dialoog. Maar daar was geen tijd meer voor. Pieter en ik verdeelden de taken. Ik ken hem al tien jaar, hij is als een broer. We hebben aan een blik of een half woord genoeg. Alles lukte, maar niet op een manier die ik als aangenaam ervoer.’

Waarom moet het altijd meer zijn? Waarom moet een toch al immens bedrijf nog meer groeien? Waarom moet het zo hard gaan dat een creatief directeur bijna zijn eigen falen zou orkestreren, opdat de werklast niet meer zou toenemen?

Het zijn pertinente vragen in een wereld waar een onophoudelijke stoelen-dans bezig is en waar modehuizen van ontwerpers wisselen als waren het outfits van de lowbudgetketen Primark. Iedereen kent de ongelukkige verhalen. John Galliano, de hypergetalenteerde voorganger van Simons bij Dior, hielp met zijn dronken antisemitische tirade zijn reputatie om zeep. Lee Alexander McQueen begon drugs te gebruiken om zijn strak geplande dagen door te komen en pleegde uiteindelijk zelfmoord.

De laatste show van Simons voor Dior

Dat een ontwerper zonder veel drama en met opgeheven hoofd een groot modehuis verlaat, is uitzonderlijk. Net daarom heeft Simons’ vertrek impact. ‘Ik ben er niet trots op dat ik maar drieënhalf jaar bij Dior ben gebleven. Dat was niet mijn bedoeling. Maar na een jaar voelde ik al dat er iets niet paste. Er was nooit tijd om er grondig over na te denken. Voor je het weet, ben je twee jaar verder en staat Dior aan je arm te trekken om bij te tekenen. Dior is een groot bedrijf. Het is logisch dat het wilde weten waar het aan toe was. Ik bleef maar twijfelen.’

Een moeilijke beslissing was het zeker, zegt Simons, terwijl we het pad langs de Seine afdalen. ‘Beslissingen zijn alleen gemakkelijk als alles scheefzit. Dat was niet zo. Er werken zoveel fijne mensen bij Dior, er zit zoveel vakmanschap. Het is een machtige, prachtige machine. Als op zondag de schetsen klaar zijn, hangen de silhouetten woensdag op een paspop. En er zullen niet veel fouten in zitten.’

De fotografe vraagt Simons te poseren aan de oever van de Seine, op de plek waar de golfslag van de Bateaux Mouches op de kade slaat. Hij staat met zijn Adidas-sneakers bijna in het sop. Zijn houding wordt instant houterig. ‘Niets is moeilijker dan onnatuurlijk natuurlijk zijn’, lacht hij zijn ongemak weg. ‘Ik realiseer me ineens dat het precies dat is wat ik aan mijn modellen vraag.’

Niet ondankbaar

Nog voor hij ze uitspreekt, verontschuldigt Simons zich voor zijn volgende gedachte. ‘Ik wil niets negatiefs zeggen over Dior. Ik hou van dat bedrijf. Heb er veel geleerd. Maar in zo’n groot huis gaat het er toch wat aan toe zoals in Versailles. Nooit genoeg. Een keer je binnen bent, word je Marie Antoinette. Als hoofdontwerper krijg je een iconische status. Dat ligt me niet.’ Hij wil niet ondankbaar klinken. Topontwerpers hebben alles: luxehotels, vliegreizen in eerste klasse, toegang tot beroemdheden die hun kleren dragen, totale creatieve vrijheid. Alles, behalve tijd.

Raf Simons (48) is geboren in Neerpelt. Hij heeft nooit mode gestudeerd. Tijdens zijn studies industrieel design liep hij stage bij de modeontwerper Walter Van Beirendonck, een van de Antwerpse Zes. In 1996 begon hij zijn eigen mannenlabel. Van 2005 tot 2012 was hij creatief directeur bij Jil Sanders. Daarna ging hij aan de slag als hoofdontwerper bij Dior. Op 22 oktober maakte het Franse modehuis bekend dat Simons had beslist het bedrijf te verlaten.

Maar Simons vindt het belangrijk dat sommige dingen gezegd worden. ‘Als de mode-industrie er niet meer in slaagt de creatieven aan te trekken en te houden, is dat een probleem. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik ook nog andere dingen kan doen: een galerij openen, meubels maken, whatever. Als het niet meer gaat, stop ik. Maar sommigen zeggen me nu: ‘Ik kan niet meer, maar ik kan niets anders.’ Dat moet verschrikkelijk zijn.’

Toch ziet hij dingen bewegen. ‘Er is veel gebeurd sinds mijn vertrek. Stefano Pilati is weg bij Zegna, Alber Elbaz is ontslagen bij Lanvin. Dingen zijn aan het shiften. Steeds meer mensen stellen zich vragen over het systeem, en of ze het wel blind moeten volgen. Ik hoor voortdurend mensen in contradicties over mode praten. Ze bekritiseren het systeem om het vervolgens zelf mee in stand te houden. Maar uiteindelijk zal het systeem wel moeten veranderen.’

Potten bakken

Zelf zit Simons ook nog met tegenstellingen. ‘Ik ben geobsedeerd door jeugd, die periode waarin alles voor het eerst gebeurt. Ik ben het tegendeel van een nostalgische mens. Ik heb de toekomst altijd interessanter gevonden dan het verleden. En veel romantischer. Toch betrap ik me erop dat ik soms denk: ‘Was het vroeger niet beter?’ Toen er nog maar twee collecties per jaar waren en mensen met spanning moesten wachten op de volgende. Nu stopt het nooit. Het gaat het hele jaar maar door.’

Rihanna maakte onlangs voor Dior een commercial in Versailles

Het internet doet de mallemolen steeds sneller draaien. ‘Als je vroeger een onderwerp wilde bestuderen, moest je er tijd voor uittrekken, naar een bibliotheek trekken, diep gaan. Nu vind je alles in een handomdraai. Dat verandert onze manier van denken en kijken meer dan we beseffen. Ik werk graag met jonge stagiairs. Ik vraag hun altijd wat ze vinden. Wat me opvalt: ze hebben alles gezien, maar ze hebben weinig antwoorden. En ze stellen weinig vragen. Klik-weg, klik-weg. klik-weg. Het is niet omdat je iets hebt gezien dat je het ook voelt, begrijpt, leeft.’

‘Ach, hoor mij. Ik weet het allemaal niet. Maar ik hoef het niet te weten.’ Dat is luxe. We stoppen bij een galerijtje met keramiek in de etalage. ‘Gemaakt door Jacques en Danu Ruelland, een koppel. Ze hebben hun hele leven samen vazen en potjes zitten maken. Vuur, aarde, lucht en water. Pottenbakkers werken met alle aardelementen tegelijk. Ik wil het leren, ooit. Toen ik jonger was, heb ik vaak op rommelmarkten gestaan, om bij te verdienen. Misschien wil ik zo wel eindigen. Op een rommelmarkt, ergens in Zuid-Italië of Zuid-Frankrijk. Een stand met mooie spullen die ik zelf heb gemaakt of uitgezocht. En een hond aan mijn voeten.’

De hond heeft hij al. Sinds vorige week. ‘Van kleins af aan hadden wij thuis honden. De jongste tien jaar had ik er geen meer, omdat ik te veel werkte. Ik miste dat. Wil je een foto van haar zien? Ze heet Luka. Een gevlekte Beauceron, iets groter dan een Duitse herder. Kijk maar.’ Klik-weg.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content