interview

Walter Van Beirendonck, de zachte anarchist: ‘Ik had ook kunnen cashen'

©Diego Franssens

Hij staat aan het hoofd van de wereldvermaarde Antwerpse Modeacademie. Toen die onder vuur kwam, zweeg hij. Vandaag praat Walter Van Beirendonck weer. ‘Ik heb het gevoel dat de wereld mij nu begrijpt. Dat is ooit anders geweest.’

Op het dorpsplein van Zandhoven trekt de ochtend zich gezapig op gang. Een groenwerker is in de weer met een bladblazer, senioren in donsjasjes passeren op de elektrische fiets. Hier woont en werkt modeontwerper Walter Van Beirendonck (62). Het contrast met zijn creatieve universum, een wereld bevolkt door superhelden, aliens en seksspeeltjes, kan niet groter zijn.

‘Onze belangrijkste klanten zitten niet hier,’ zegt hij minzaam, ‘maar in de rest van de wereld.’ Van Beirendonck verkoopt zijn kleren - uitbundig van kleur en vorm - al meer dan dertig jaar aan een schare kosmopolitische fans, ‘mannen die met hun kleding een verhaal willen vertellen’. Ze wonen in wereldsteden als Londen, Parijs en Tokio. In steden in Korea en China ook. En de jongste jaren is in de Verenigde Staten de vraag naar zijn gelijknamige merk ‘geëxplodeerd’.

Van Beirendonck valt in de smaak bij een jonge generatie hiphopartiesten, die van joggingbroeken en capuchons zijn overgeschakeld op avant-garde. Rapster Niki Minaj draagt zijn leggings, rapper Young Thug droeg voor een shoot een transparante mouwloze top met de boodschap ‘Warning Explicit Beauty.’ ‘Ik kreeg net nog een aanvraag van rapper Swae Lee voor tien silhouetten. Maar ook de zanger Mika, een totaal ander type, draagt mijn kleding, en enkele Chinese popsterren.’

Walter Van Beirendonck (62) is geboren in Brecht. Hij studeerde mode in Antwerpen, aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten.

In 1983 begon hij collecties uit te brengen onder zijn eigen naam. In 1986 brak hij door als een van de zogenaamde Zes van Antwerpen.

Hij werkte als onafhankelijk ontwerper onder meer voor Mustang, Scapa, JBC en IKEA. Sinds 2007 is hij hoofd van de Modeopleiding in Antwerpen.

Hij is getrouwd met modeontwerper Dirk Van Saene, en woont en werkt in Zandhoven.

Van Beirendonck ontvangt ons thuis. Hij woont in een voormalige notariswoning met een riante tuin, samen met zijn levenspartner Dirk Van Saene. Van Saene is ook ontwerper, hij werkt mee aan het merk Van Beirendonck. Het stel werkt op de eerste verdieping van hun woning in twee aparte, kleine kamers. In die van Van Saene staan garenspoelen. Het atelier van Van Beirendonck is tjokvol firguurtjes gestouwd, uit tekenfilms, stripverhalen en manga’s. Op de vloer ligt een toren van kunstboeken. Van Beirendonk creëert in zijn hoofd, zegt hij. ‘Ik kan overal werken. Elke prikkel kan mijn fantasie in beweging brengen. En dan begin ik te tekenen.’

Als een pannetje kokend water in de keuken begint te fluiten, komt Van Saene spontaan de trap afgelopen. Even later brengt hij een dampende cafetière. De koffie wordt geserveerd in tere witte kopjes met een motief van insecten. Het melkkannetje is een hondenkop uit porselein.

De imposante Van Beirendonck werd eerder vergeleken met de kerstman, en met een hell’s angel. Hij draagt acht zware, zilveren ringen aan evenveel vingers, fluo sportschoenen van Reebok, een witte jeans met een scheurtje in de rechterachterzak, een zwart T-shirt met print van eigen hand en grote oorbellen in parelmoer die bijna onzichtbaar achter zijn krullende zilverwitte baard bengelen.

Van Beirendonck is een icoon, niet alleen door zijn uiterlijk maar vooral als een van de invloedrijkste ontwerpers van zijn generatie. De felle kleuren, groteske vormen en geëngageerde boodschappen over safe sex , racisme en Moeder Aarde waarmee hij de modewereld door elkaar heeft geschud, zijn nu helemaal en vogue.

‘Ik wil als ontwerper in de eerste plaats verhalen maken, sprookjes vertellen. Maar ik heb het ook vaak over de wereld en haar problemen. Ik heb best veel collecties gemaakt over de natuur, en dat we er zorgzaam mee moeten omgaan. Vandaag storten veel modehuizen zich op de ecoboodschap. Ze doen dat zo marketinggedreven dat het me stoort. Ik geloof het niet meer. Dan ga ik zelf even iets anders doen, en concentreer ik me weer meer op vorm en kleur. Al is de aandacht voor die thema’s ook goed voor mij. Ik heb het gevoel dat de wereld mij op dit moment begrijpt. Dat is ooit anders geweest.’

Hij werd net geïnterviewd door de krant The New York Times, vertelt hij. ‘Het is nieuw voor mij dat zo’n medium op een serieuze manier aandacht aan mij besteedt. Het heeft blijkbaar even geduurd voor men mijn werk naar waarde kon schatten. Dat merk ik vooral aan de vele vragen die ik nu van musea krijg.’

Ik ga niet aan tafel met een marketingteam. Ik kan zelf sturen en radicale beslissingen nemen.
Walter Van Beirendonck
modeontwerper

Het Londense Design Museum gaat de kostuums tonen die hij maakte voor de opera ‘Die Zauberflöte’ van Mozart, ze zijn genomineerd voor een Britse designprijs. Hij ontwierp de onconventionele kostuums in opdracht van de Staatsoper Unter den Linden in Berlijn, een belangrijk Duits operahuis. ‘De ene helft van de zaal jouwde de voorstelling uit, de andere helft zat heel hard te klappen.’

Ook het New Yorkse Museum of Metropolitan Art, dat een miljoenenpubliek trekt met zijn modetentoonstellingen, selecteerde enkele stukken voor de net afgelopen expo ‘Camp, notes on fashion’. Daarna heeft het museum 15 archiefstukken besteld voor de eigen collectie. Die vorm van erkenning doet hem iets. ‘Het is fijn om te voelen, ja. Maar ik heb het ook dertig jaar zonder kunnen doen. Het is voor mij niet levensnoodzakelijk.’

Van Beirendonck werd geboren in Brecht, in een milieu van middenstanders. Zijn ouders baatten een garage en brandstofpomp uit. Als kind zat hij op internaat in Lier. Hij hield niet van voetballen, en trok zich terug om te tekenen. Hij bewonderde de muziek en de looks van de jonge David Bowie. Toen hij een artikel over de modeopleiding aan de Antwerpse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten las, schreef hij zich in. Dat was in 1976.

Zijn internationale doorbraak volgde in 1986, samen met Dries Van Noten, Dirk Bikkembergs, Marina Yee, Dirk Van Saene en Ann Demeulemeester. Ze presenteerden zich als ‘de Zes van Antwerpen’ en zetten de stad op de kaart als een plek van opwinding en creativiteit. Vandaag is Van Beirendonck de ‘last man standing’, de enige die nog als onafhankelijke ontwerper onder eigen naam collecties maakt.

Hoe komt dat?
Walter Van Beirendonck: ‘Ann (Demeulemeester), Dirk (Bikkembergs) en Dries (Van Noten) hebben gekozen of zijn gedwongen om te stoppen of op een andere manier te gaan werken. Dat zijn telkens verschillende situaties. Wij, als merk, hebben nooit het gevoel gehad dat dat nodig was. Ik heb net gevochten om mijn naam te kunnen behouden.’

Is het jammer dat die lokaal verankerde sterke Belgische merken verdwijnen?
Van Beirendonck: ‘Zeker. Aan de academie zijn de afgelopen jaren enkele fantastische mensen afgestudeerd. Zij hebben veel betekend in de internationale modewereld. Maar de Belgische mode heeft wat van haar pluimen verloren. Antwerpen is ook minder dynamisch bezig met mode. Het lijkt alsof er minder in wordt geloofd. Er is in elk geval minder geld, minder steun. De show van de school is een enorm evenement. Toch blijft voor ons elk jaar heel moeilijk om het financieel rond te krijgen. Er zijn geen grote sponsors of overheden die willen investeren. Ik denk dat we die injecties missen.’

‘Ik kijk ook naar de pers, er is veel minder interesse. Tien jaar geleden had elke serieuze krant een goede, professionele modejournalist. Ze zijn allemaal weg of met pensioen. Ik vind het jammer als ik zie dat de modewerken worden verslagen met een foto van Belga en een provocerende titel. Dus ik denk dat jullie daar mee schuld aan hebben.’

‘Rushemy Botter (alumnus van de Modeacademie, nu aan de slag bij Nina Ricci, red.) heeft enkele mooie interviews gekregen. Maar de stukken in de buitenlandse kranten waren beter. Ik heb mezelf een jaar lang gedistantieerd van de pers. Ze zijn het niet waard, vond ik. Als ze bloed ruiken, staan ze daar. Maar voor de rest? Ik heb de pers hier ook niet nodig.’

Het atelier van Van Beirendonck is tjokvol figuurtjes gestouwd, uit tekenfilms, stripverhalen en manga’s. ©Diego Franssens

In het voorjaar van 2018 kwam de gereputeerde Antwerpse modeopleiding in opspraak na de zelfdoding van een student. In de media verschenen anonieme getuigenissen van vooral voormalige studenten, veelal gebuisd of afgehaakt, over slapeloze nachten door werkdruk en een ongezonde cultuur. Als hoofd van de opleiding werd ook Van Beirendonck geviseerd.

Decaan Johan Pas kondigde enkele hervormingen aan, om de werkdruk te verlichten en de communicatie met de studenten te verbeteren. Van Beirendonck zweeg al die tijd. En ook nu is hij zuinig met commentaar. ‘Dat incident had op elke school kunnen gebeuren. We zijn er op de juiste manier mee omgegaan. Ik, het team noch de school hebben hier fouten gemaakt.’ Hij kijkt indringend, zijn blik verstrengt. ‘Dat is het enige dat ik er nog over wil zeggen.’

Van Beirendonck en de academie zijn innig verbonden. Hij geeft er les sinds 1985, sinds 2007 is hij er hoofddocent. Hij zat in de klas met Martin Margiela, zag er mensen als Kris Van Assche, Veronique Branquinho, Haider Ackermann en Demna Gvasalia, vandaag bij Balenciaga, afstuderen. Raf Simons - geen alumnus - volgde bij hem stage.

Vandaag maken sommige studenten blitzcarrières, maar sterontwerpers branden ook snel op. Houdt een snelle start risico’s in?
Van Beirendonck: ‘Zeker. De eerste collectie van Rushemy voor Nina Ricci heeft hij eigenlijk hier gemaakt, op school. Nu gaat hetzelfde gebeuren met Shuting Qiu, net afgestudeerd. Ze defileert op 22 september in Milaan met een collectie die is afgeleid van haar afstudeerwerk. Het is fantastisch, maar ook bevreemdend.’

‘Wij (de Zes, red.) hebben zelf zeker tien jaar in Antwerpen gewerkt, in een zekere anonimiteit. Bij elke volgende collectie leer je weer beter wat werkt, en wat niet. Voor we internationaal gingen, hadden we een heel leerproces doorgemaakt. Vandaag zitten er tijdens de show van de academie headhunters in het publiek, studenten worden gevolgd op sociale media. Ze hebben tijdens hun opleiding amper vier collecties gemaakt, en zelfs geen volwaardige. Natuurlijk is het heftig om dan meteen die echte wereld in te stappen.’

Kunt u hen daarop voorbereiden?
Van Beirendonck: ‘Het is een fabeltje dat je hen op alles kan voorbereiden. Er zijn zoveel verschillende carrièremogelijkheden. Sommigen komen terecht bij C&A, anderen bij Saint Laurent. Op dit moment zitten zo’n twaalf afgestudeerden in het ontwerpteam van Balenciaga. We organiseren workshops met mensen uit de praktijk, we delen hun ervaringen. We proberen onze studenten vooral op een heel hoog niveau op te leiden, zodat ze nadien creatief ook een stapje kunnen zetten. Onze studenten kunnen zich gemakkelijk aanpassen. Net voor het creatieve niveau kiezen ze voor Antwerpen. Je komt niet van Korea voor een doorslagje van een opleiding die je in je eigen land kan vinden.’

WOEST

Van Beirendonck ontwerpt niet alleen kleding. Musea schakelen hem geregeld in voor de inrichting van hun expo’s. In 2001 maakte hij naam met de modetentoonstelling ‘Landed/Geland’ in Antwerpen. Vorig jaar stelde hij voor Wereldmuseum Rotterdam ‘Powermask’ samen. En vrijdag opent in de Hermitage Amsterdam een expo over Willem Van Genk (1927-2005), een beeldend kunstenaar die Van Beirendonck erg bewondert.

Van Genk is een van de belangrijkste vertegenwoordigers van outsider art, kunst in de marge. Hij leed aan schizofrenie en maakte zijn meeste werk in een appartementje van een beschutte werkplaats. ‘Ik wilde hem uit het hoekje van het duistere, het psychisch zieke halen. Vandaag zouden we hem beschouwen als een geniale kunstenaar, niet als een gek’, zegt Van Beirendonck. ‘Ik werk ook in mijn bubbel, heb ook mijn eigen wereld gecreëerd. Net als Willem.’

Van Beirendonck ontwierp de stijl en de vorm van de expo,en bedacht de titel: WOEST. Hij koos voor driedimensionale letters, accenten in geel, een kakofonie aan kleuren, beeld en klank. Hij wilde een ‘frisse, optimistische tentoonstelling’ neerzetten. ‘Heel toegankelijk: je komt binnen en laat je emotioneel raken door wat je hoort en ervaart. Niet overgeïnformeerd, dat haat ik. Net als al dat interactieve waar musea tegenwoordig mee afkomen. Spelletjes en video’s en zo. Dat is nooit interessant.’

‘WOEST’ loopt van 19 september tot 15 maart in het OutsiderArt Museum in Amsterdam.
www.hermitage.nl

Waarom hebt u het zelf eigenlijk bij mannenmode gehouden?
Van Beirendonck: ‘Ik vond het boeiender. Mannenmode heeft meer grenzen en codes, daar kan je mee spelen, grenzen verleggen. En dat kan vandaag nog altijd. Vroeger was het simpeler: met een felle kleur of een print maakte je al het verschil. Vandaag ben ik veel meer bezig om vorm en coupe op een andere manier te benaderen. Mijn werk is geraffineerder geworden, evenwichtiger ook, vind ik zelf.’

Hebt u ooit voor vrouwen proberen te ontwerpen?
Van Beirendonck: ‘Ik maak kleding van XS tot XXL. Sommige stukken produceren we bewust in kleinere maten omdat we weten dat vrouwen ze dragen. In de winkel leidt de collectie een eigen leven, iedereen kan ze oppikken. Ook vrouwen. Ik zie niet in waarom het nodig zou zijn een aparte collectie voor hen te maken.’

Omdat het commercieel veel interessanter is dan mannenmode.
Van Beirendonck: ‘Moet ik dan op de vrouwelijke fysiek gaan werken? De kleding wat sexyer maken? Dat is niet waar het bij mij om draait. Het is niet omdat kleren niet op het lichaam van een vrouw gemaakt is, dat ze ze niet kan dragen. Ik praat er nu uitgebreid over, maar ik werk eigenlijk heel spontaan. Ik ga niet aan tafel met een marketingteam. Ik heb ook de mogelijkheid zo te werken. Ik kan zelf sturen, radicale beslissingen nemen. Dat verwachten mijn klanten ook van mij.’

U bent duidelijk enorm op uw vrijheid gesteld.
Van Beirendonck: ‘Ja. Dat vindt zijn oorsprong in mijn ervaring met Mustang, een groot bedrijf dat in de jaren negentig veel in mij heeft geïnvesteerd. Maar dat me op een bepaald moment ook begon te domineren. We werkten met zestig agenten van over de hele wereld. Plots moest ik rekening houden met zestig meningen. Dat was zwaar en beklemmend. Marketeers vertelden hoe de collectie er moest uitzien en welke kleuren het best verkochten. Toen hoefde het voor mij niet meer.’

‘Ik had ook kunnen zeggen: ’Ik laat het gebeuren, ik ga cashen en ik trek me even terug.’ Veel ontwerpers doen het zo. Er komt opeens veel geld binnen, het product raakt veel gemakkelijker verkocht want het is veel commerciëler geworden. Ik had met pensioen kunnen zijn, en reizen kunnen maken. Maar ik vond niet dat ik dat kon doen met iets waar mijn eigen naam, mijn gezicht zelfs, op stond.’

Van Beirendonck verbrak het contract. Hij moest zijn team van twaalf mensen ontslaan en mocht een paar jaar onder eigen naam niets verkopen. Hij herbegon, from scratch. ‘Om in de aandacht te blijven maakte ik wel shows en projecten, met kleding die niet mocht worden verkocht.’

In 2000 richtte hij stiekem het merk Aesthetic Terrorists op. ‘Mijn klanten herkenden het meteen. Ze dachten dat iemand me aan het kopiëren was. Maar niemand mocht weten dat ik erachter zat.’ Een jaar later boorden twee vliegtuigen zich door de WTC-torens in New York en was het gedaan. ‘Niemand wilde nog spullen verkopen waar ‘terrorist’ op stond. In mijn collectie zaten T-shirts met de tekst: ‘I went to terror time and changed my life.’ Maanden op voorhand gemaakt, maar daar konden we dus niets meer mee doen.’

Daarna koos hij bewust voor kleinschaligheid. ‘Ik zag de massaproductie opkomen, de vlucht naar China. Ik heb daar nooit in geloofd en heb er ook niet in geïnvesteerd. Ik wil een exclusief, persoonlijk product maken en had het gevoel dat dat ook kon werken. En zo is het ook gegaan.’

‘Ik wilde geen investeerders, zelfs geen lening bij de bank. Ik wist dat ik niet gigantisch zou groeien, maar dat hoefde ook niet. Ik doe mijn ding en geniet daarvan. De klanten volgen me en er is veel respect. Ik zit nu rond 45 winkels. Als dat er honderd worden, moet ik toegevingen gaan doen. En dan zijn we weer vertrokken.’

©Diego Franssens

De modeondernemer Geert Bruloot zei onlangs dat hij in de mode van vandaag emotie mist. ‘Het gaat alleen maar over handtassen en zonnebrillen’, zei hij. Bij u vond hij de emotie nog wel.
Van Beirendonck: ‘Ik heb altijd de kant van de emotie gekozen, en nooit die van de zonnebrillen en handtassen. Met die wereld heb ik niets te maken. Ik heb het geluk gehad dat ik in 2000 heb beslist kleine, persoonlijke collecties te maken. 19 jaar later pluk ik daar de vruchten van. Ik ben een outsider, daar ben ik fier op.’

U hebt voor Scapa gewerkt, en voor JBC. Uit noodzaak?
Van Beirendonck: ‘Ik deed dat heel graag, ik heb het altijd fijn gevonden om samen te werken. Maar je doet het ook om geld te verdienen en weer te investeren.’

De succesvolle kindercollectie voor JBC stopte na 13 jaar opeens. Wat is er gebeurd?
Van Beirendonck: ‘Toen we begonnen, zaten we in een goedkoop segment. Toen we ermee stopten, was dat een duur segment geworden. De Primarks en C&A’s hebben de markt zo doen evolueren, met hun dumpingprijzen voor kinderkleding. De manier waarop JBC mijn kleding maakte, en waarop ik wilde dat ze werd gemaakt, is vandaag te duur. Het is jammer dat het zo is geëindigd, maar het had niets met het product te maken. We hebben samen beslist dat het niet zinvol was verder te gaan. Het gevolg van die dumpingprijzen is dat het publiek in de war is. Consumenten weten niet meer wat kleding kost.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect