De strijd van de Zeeuwse mosselmannen

©Joost van den Broek/Hollandse Hoogte

Geen Belgische zomer zonder Zeeuwse mosselen. In Philippine en Yerseke leven heelder families van de zwarte schelp. ‘Op de markt vechten we elkaar de tent uit. Maar daarbuiten blijven we dorpsgenoten.’

Een bedevaart, met als verlossing een grote pot dampende zwarte schelpen. Dat is voor veel Belgen de trip naar Philippine, een Nederlands gehucht net over de grens bij Terneuzen. Het weer lijkt nergens op, de affiches met de blijde aankondiging van de jaarlijkse mosselfeesten dit weekend fladderen in de regen. Maar dat houdt de liefhebbers niet tegen. De acht mosselrestaurants - met namen als Auberge des Moules, In den Vlaamschen Pot en De Fijnproever - zitten op een doordeweekse avond aardig vol. In de straten rond het dorpsplein staan vooral auto’s met wit-rode kentekens.

De mossel is een Zeeuws product, maar een Belgische traditie. Grenzen zijn een relatief begrip in deze regio, weet Frank Wiskerke van restaurant Au Port, een van de nestors onder de restaurantuitbaters. ‘Acht van de tien klanten zijn Belgen. Vooral Oost- en West-Vlamingen, maar ook Antwerpenaren en Brusselaars zakken af, vaak op de terugweg van een dagje aan zee’, vertelt hij in zijn zoetgevooisd Zeeuws dat bijna als West-Vlaams klinkt. Op mooie zomerdagen, als de terrassen vol zitten, is het een ware invasie in het kleine dorpje, dat 1.100 restaurantstoelen telt voor amper 2.200 inwoners. ‘Dan draaien we drie tot vier couverts per dag.’

Frank is de kleinzoon van Arie Wiskerke, die hier in 1907 de eerste herberg opende. Zes van de acht patrons zijn nog altijd afstammelingen van Arie. ‘Mijn grootvader kwam naar hier als arbeider, om het Philippinekanaal uit te graven’, vertelt Frank. Maar al gauw had hij door dat een herberg lucratiever zou zijn. Toen de Westerschelde-arm de Braakman nog bevaarbaar was, was Philippine een bloeiende mosselhaven. Gedurende de hele 19de eeuw en tot aan de Tweede Wereldoorlog lag het centrum van de Nederlandse mosselkweek hier.’ De ogen van Frank Wiskerke lichten op als hij in de verhalen van het familiegeheugen graaft. ‘In die tijd leefde iedereen van de mosselhandel. De mannen gingen de Braakman op, de vrouwen gingen de mosselen nadien venten van deur tot deur. Handelaars kwamen met paard en kar vanuit Gent, Brugge, Brussel en zelfs Frankrijk.’

Met het uitbreken van de oorlog was de glorietijd van de mosselkweek voorbij. Er was geen geld meer om de verzandende haven te blijven uitbaggeren. In 1953 werden de haven en de Braakman voorgoed gedempt. Een geluk bij een ongeluk, glimlacht Wiskerke. ‘Dat jaar hadden we de grote overstroming. Was de Braakman niet gedempt, dan was het hele dorp van de kaart geveegd. Het water zou dan wellicht doorgelopen zijn tot in Gent.’

De karren van de handelaars dokkerden niet meer over de kasseien, maar de mossel bleef, zij het in het bord. Enkele mosselvissers ontpopten zich tot restaurantuitbaters en Philippine vestigde zijn reputatie als mosselmekka. Terwijl het grensdorpje uitgroeide tot een oord waar het goed eten en drinken was, verlegde de draaischijf van de mosselhandel zich definitief naar Yerseke.

Bible belt

We duiken de Westerschelde onder en doorkruisen Zeeland tot Yerseke, aan de oevers van de Oosterschelde. Toen de haven van Philippine werd gedempt, maakten veel vissersfamilies dezelfde beweging. Van het katholieke Zeeuws-Vlaanderen naar het protestantse deel van Zeeland. In een warm bad kwamen ze niet meteen terecht. Yerseke is anders. Ook hier ademt alles en iedereen mosselen, maar door de aderen stroomt evenzeer strikt protestantisme. Yerseke ligt in het onderste puntje van de Nederlandse bible belt, waar strenggelovigen wonen en de ‘zwartkousen’ op zondag drie keer naar de kerk gaan. Waar mosselkwekers ook nu nog op zondag niet voor middernacht uitvaren.

Het mosselseizoen is half juli begonnen en zit nu op kruissnelheid. Voor de haven is het een druk af- en aanvaren van mosselkotters. De Oosterschelde op, of helemaal tot aan de Friese Waddenzee, waar ongeveer de helft van de kweekgebieden ligt. Om het dagelijkse spel tussen kwekers en handelaars gade te slaan, stappen we de mosselveiling binnen.

Iets voor drieën brengen de kwekers een emmertje met een monster van hun vangst binnen. Ze kieperen het leeg op een groot aanrecht, waar schelpen van afval worden gescheiden en de mosselen gewogen en gesorteerd worden. De diertjes worden uit de schelpen gehaald, gekookt, en in bakjes gelegd, waarrond de handelaars zich verdringen om de vangst te inspecteren. De kerncijfers van elke lading verschijnen op een groot scherm. Als de veiling begint, bieden de handelaars via hun laptops op de ladingen.

‘Het is elke dag opnieuw een spannend moment voor alle spelers’, zegt Christine Fijnaut van het Mosselbureau. ‘Wat komt er binnen? Hoeveel wordt er geboden? Grote of kleine mosselen? Welke bestellingen hebben de handelaars lopen? De hele markt wordt hier bepaald.’ Hollandse scheepsjongens met oorringen staan naast directeurs van de handelsbedrijven die met eigen ogen komen zien wat in de aanbieding is. Soms gaan die laatsten al kijken op de schepen zelf, als ze aanmeren. Opmerkelijk trouwens hoe groot het verschil tussen de grootte en de dikte van de mosselen in de ladingen, ook al liggen de kweekpercelen soms maar 500 meter van elkaar.

30.000 euro overboord

Na de veiling varen we met de BRU36 van kweker Marinus Padmos de Oosterschelde op. Hij gaat zijn lading, die zonet is opgekocht door Prins & Dingemanse, lossen op hun verwateringsperceel een eindje buiten de haven. De diertjes moeten in het zeewater ontstressen van de vangst en weer op krachten komen. We kijken verbaasd op. ‘Je wilt toch geen halfdode mossel op je bord?’ Hier liggen ze een week tot twee maanden in de ‘natte voorraadkamer’ van het bedrijf. In die tijd hebben de mosselen zichzelf helemaal schoongespoeld. Het maakt dat ook mosselen die opgroeiden in de Waddenzee het etiket ‘Zeeuwse mossel’ verdienen.

Handig loodst Marinus zijn schip tussen ranke takken die de percelen afbakenen. Samen met zijn neef bezit hij drie van de zeventig erkende mosselkotters. De schepen worden in de kwekersfamilies doorgegeven van vader op zoon. Hun nummers gekoesterd als waren het wapenschilden.

Als we op de juiste plek zijn, wordt de lading van 21.000 kilo voorzichtig gelost. Aan de prijs die daarnet geboden werd, betekent dit dat hier zo’n 30.000 euro overboord gaat. Marinus grijnst. ‘Ik had mijn boekhouder eens mee op zee. Die kon zijn ogen niet geloven. Tienduizenden euro’s, zomaar weer het sop in.’

De mosselindustrie in Zeeland is goed voor 300 miljoen euro omzet. Twee derde wordt gesleten op de Belgische markt. Maar eerst passeren al die mosselen en die euro’s langs de Korringaweg, de kaai waar de zeven Nederlandse mosselhandelsbedrijven gevestigd zijn. Zeven familiebedrijven, waar de stiel eveneens van vader op zoon en dochter wordt doorgegeven.

Tussen het oorverdovende lawaai van ratelende machines vertelt Julien Barbé, jonge telg en directeur in opleiding bij AquaMossel, wat dat inhoudt: mosselen worden gespoeld, schoongemaakt, gesorteerd en verpakt. Enkele vrouwenhanden vissen vliegensvlug schelpjes, krabbetjes en ander ‘zeeafval’ van tussen de mosselen. Die leggen met duizenden hun weg af in de roetsjbaan van de fabriek, over loopbanden, op liften en in ijskoude opslagtanks. Overal hangt die doordringende zilte geur.

De concurrentie tussen de handelaars is bikkelhard. Op een na zijn ze ook allemaal mosselkwekers, die zich moeten houden aan quota voor het opvissen van het beschikbare mosselzaad. Maar daarmee is de markt niet verdeeld. Ze voeren een genadeloze concurrentie om binnen te geraken bij restaurants en supermarkten, de grootste afnemers.

‘Die laatste hebben macht, zij spelen ons in de prijsonderhandelingen tegen elkaar uit’, zegt Julien Barbé. ‘Je krijgt een sprint naar beneden. Iedereen heeft overcapaciteit, dus we willen allemaal volumes draaien om de prijs verder te kunnen drukken. De marges worden kleiner, voor de kleinere spelers wordt het onhoudbaar. Ons bedrijf is groot geworden door overnames. Die consolidatie zal doorzetten. Ik vermoed dat we nog met drie of vier grote spelers zullen overblijven.’

Bagage van generaties

Iedereen uit ‘de straat’ draagt een rugzak mee met bagage van generaties ver, over wat de ene de andere ooit heeft aangedaan. En toch. In nood helpen de mosselbedrijven elkaar. ‘14 jaar geleden gingen we bijna kopje-onder’, vertelt Barbé, terwijl hij ons door zijn installatie met meerdere productielijnen loodst. We hadden alles vernieuwd. Toen we bij het begin van het seizoen van start wilden gaan, deden bepaalde schakels het niet. Alles lag plat. Toen hebben concurrenten ons uit de nood geholpen door delen van hun productielijn ter beschikking te stellen. Enkele telefoontjes, en het was geregeld.’ Hij glimlacht. ‘Zo gaat dat. Op de markt vechten we elkaar de tent uit. Maar daarbuiten blijven we gewoon dorpsgenoten. Je wilt nog samen door één deur kunnen.’

Het had overigens niet veel gescheeld of de hele Nederlandse mosselhandel was verloren gegaan. Het mosselzaad, jonge mossellarfjes die zich ontpoppen tot kleine schelpjes die op de bodem liggen, wordt in het voor- en het najaar opgevist in natuurgebieden in de Waddenzee. Daarna wordt het naar de kweekpercelen gebracht. De vergunning voor die voorjaarsvisserij werd jarenlang aangevochten door milieubewegingen. Zij beweren dat de mosselzaadvangst het mariene evenwicht verstoort omdat er zich te weinig natuurlijke mosselbanken kunnen vormen. In 2008 kregen ze gelijk van de Raad Van State. De vergunning werd ingetrokken, tenzij de vissers konden bewijzen dat het niet schadelijk was.

‘Een drama’, zegt Barbé. ‘Zonder grondstof konden we de hele sector opdoeken.’ Uiteindelijk gingen de mosseljongens met de milieubeweging en de overheid om de tafel zitten en sloten ze een convenant. De kwekers verbonden zich ertoe deels over te schakelen op mosselzaadinvanginstallaties. Een moeilijk woord voor een eenvoudige methode: touwen in zee waar de mosselen zich aan hechten, en waar kwekers het zaad kunnen afhalen voor het op de bodem valt. Simpel, maar arbeidsintensief en tot zeven keer duurder dan de klassieke methode.

De mosselmannen zitten dus gekneld tussen de schaarste die de overheid oplegt en de scherpe prijzen die de supermarkten bedingen. Maar boven alles blijven ze overgeleverd aan de grillen van de natuur. Twee jaar geleden was er historisch veel mosselzaad. Dat had dit jaar tot een topoogst van consumptierijpe mosselen moeten leiden. Maar enkele najaarsstormen, waaronder de heftige sinterklaasstorm, hielden eind vorig jaar zwaar huis in de mosselbanken in de Waddenzee. Een groot deel van de kweek spoelde los de Noordzee in.

Dit jaar is er dan weer minder mosselbroed dan anders, stellen de kwekers vast. Dat zal gevolgen hebben voor de oogst binnen twee jaar. Zou je mosselzaad niet kunstmatig kunnen kweken in bassins en daarna uitzetten op zee? Een soort wonderbaarlijke vermenigvuldiging van de mosselvangst? Barbé schudt het hoofd. ‘Technisch kan dat misschien. Maar we doen het niet. We willen geen laboratoriummosselen. Een mossel komt uit zee, helemaal. Je werkt met een natuurproduct. Soms is die natuur genereus, soms is ze hard. Dat zet je niet naar je hand.’

Hij tuurt over de Oosterschelde. ‘Akkoord, dit is een bedrijf, dit is economie’, zegt hij dan. ‘Het gaat om centen verdienen. Maar het is meer dan dat. Het is een cultuur, een manier van leven. Iets waar onze voorvaderen 200 jaar geleden mee begonnen zijn.’ Mosselman zijn, dat zit in de genen.

Mosselkartel

Aan de andere kant van de Westerschelde, in Philippine, wordt de kunst van het bereiden met de paplepel ingegeven. Volgens het aloude recept van opa Arie, dat de keukens niet mag verlaten. Op weg naar huis houden we er nog even halt voor een portie. In ons bord ontwaren we tussen de mooie grote schelpen peterselie en fijn gesnipperde ui. En een soep aangedikt met broodkruim.

Nergens zie je schreeuwerige reclameborden om klanten van elkaar af te snoepen. De patrons beseften snel dat samenwerken beter is dan ruziemaken. De invloed van de mosselclan in het dorp is niet te onderschatten. De patrons vergaderen één keer per maand. Ze organiseren uitstappen om de mosselcultuur in andere Europese landen te bekijken. Ze kiezen elk jaar samen met een jury van plaatselijke notabelen en enkele BV’s een mosselwijn. En ze spreken aan het begin van het seizoen een minimumprijs af. Geen race naar de bodem hier. Je kan bijna spreken van een mosselkartel.

Het deert de echte mosselliefhebber niet. Die zakt dit weekend af naar de mosselfeesten in Philippine. Er zal een fanfare zijn, en een wedstrijd mosselsteken. Er zullen mosselen worden gekookt tegen kostprijs, voor één keer dan toch. Tot ver van het kleine marktplein zullen auto’s met Belgische kentekens geparkeerd staan. Het blijft tenslotte een stukje Vlaanderen in Nederland.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud