opinie

De bijsturing van het ambtenarenpensioen is nog maar een begin

Er is vandaag geen enkele reden waarom de pensioenen van statutaire ambtenaren zoveel hoger zouden moeten liggen dan die in de privé.

Door Bart Van Craeynest, hoofdeconoom bij Econopolis

Samen met de begrotingscontrole kondigde de federale regering eind vorige week structurele hervormingen aan. Een daarvan was de bijsturing van de ambtenarenpensioenen, waarbij enkele voordelen geleidelijk afgebouwd worden.

De vakbonden reageerden fors: ‘slag in het gezicht’, ‘koude douche’, ‘onmenselijk’, ‘woordbreuk’,... Ondertussen wordt nagedacht over acties, waarbij stakingen niet uitgesloten worden. Dat soort negatieve reacties viel te verwachten, maar is niet ernstig.

©Photo News

Al meer dan 25 jaar wordt in België gewezen op de nakende pensioenuitdaging. En al even lang wordt daarbij verwezen naar de opmerkelijk genereuze pensioenregeling voor statutaire ambtenaren. Het gemiddelde pensioen voor ambtenaren bedraagt vandaag zo’n 2.600 euro bruto per maand. Voor werknemers in de privé is dat een kleine 1.200 euro, voor zelfstandigen zo’n 850 euro.

De belangrijkste verschilpunten tussen het pensioen bij de overheid en dat in de privé blijven ook na deze bijsturing overeind.

Dat enorme verschil wordt vaak verdedigd als uitgesteld loon voor ambtenaren. In ruil voor een lager loon tijdens hun carrière zouden die recht hebben op een genereuzer pensioen. Die redenering klopt evenwel al lang niet meer. Volgens een studie van de Nationale Bank uit 2011 zijn de lonen bij de overheid en die in de privé even hoog als rekening gehouden wordt met individuele kenmerken als geslacht, anciënniteit, opleidings- en functieniveau.

Volgens een gelijkaardige studie van de Europese Commissie uit 2013 liggen de lonen bij de overheid zelfs bijna 12 procent hoger dan in de privé. Een hoger ambtenarenpensioen om een lager loon te compenseren is dan ook niet meer aan de orde.

Kinderschoenen

Daarnaast wordt ook verwezen naar het feit dat ambtenaren niet kunnen rekenen op een tweede pensioenpijler. Daarbij wordt nogal vlot voorbijgegaan aan de realiteit dat voor het merendeel van de werknemers in de privé die tweede pijler nog maar in de kinderschoenen staat. Zo lag de mediaan van de opgebouwde reserve in 2013 op amper 3.700 euro (de helft van de werknemers heeft dus minder dan dat bedrag opgebouwd, de helft meer). De tweede pijler kan op termijn uitgroeien tot een volwaardige aanvulling van het wettelijk pensioen, maar de reserves daarvoor moeten nog opgebouwd worden vanuit bijdragen op de loonmassa.

Voor het merendeel van de werknemers in de privé staat de tweede pensioenpijler nog maar in de kinderschoenen.

In de zin dat die bijdragen anders uitgekeerd zouden worden als loonsverhoging kan die tweede pijler trouwens wél beschouwd worden als uitgesteld loon. Het ontbreken van zo’n tweede pijler voor ambtenaren is overigens geen argument voor het huidige enorme verschil in het gemiddelde pensioenbedrag. Het is eerder een argument om ook voor ambtenaren een tweede pijler op te bouwen. Dat zou op termijn ook bijdragen tot een meer evenwichtige financiering van de pensioenen.

Deze discussie kadert trouwens in een ruimer debat over de toekomst van onze welvaartsstaat. De budgettaire uitdaging blijft enorm. Om terug te keren naar een structureel evenwicht en de extra overheidsuitgaven door de vergrijzing op te vangen, is op termijn 5,4 procent van het bruto binnenlands product (bbp) of zo’n 23 miljard nodig in euro’s van vandaag (dus gecorrigeerd voor inflatie en economische groei).

Tijd verloren

Daar is nog tijd voor, maar de voorbije jaren ging al veel tijd verloren. En dat het zal lukken met pijnloze ingrepen is een illusie. De overheid kan extra middelen zoeken, maar met een overheidsbeslag van nu al 54 procent van het bbp wordt dat moeilijk. Er zullen nog wel meer zogenaamde ‘verworven rechten’ herbekeken moeten worden, en dat impliceert sowieso pijnlijke keuzes.

Het verhogen van de pensioenleeftijd was een voor de hand liggende keuze. Zowat overal in de wereld wordt vandaag al langer gewerkt dan in België. Het bijsturen van het genereuze ambtenarenpensioen lag ook al lang voor de hand. Er is vandaag geen enkele reden waarom de pensioenen van statutaire ambtenaren zoveel hoger zouden moeten liggen dan die in de privé.

Het ambtenarenpensioen wordt nog altijd berekend op basis van het loon van de laatste tien dienstjaren en niet op basis van het loon over de hele loopbaan.

De vorige regering zette op dat vlak al een eerste - minimale - stap door het ambtenarenpensioen te berekenen op basis van het loon tijdens de laatste tien dienstjaren in plaats van de laatste vijf dienstjaren. Deze regering zet nu een volgende, maar nog altijd beperkte stap.

De belangrijkste verschilpunten tussen het pensioen bij de overheid en dat in de privé blijven ook na deze bijsturing overeind. Het ambtenarenpensioen wordt nog altijd berekend op basis van het loon van de laatste tien dienstjaren (en niet op basis van het loon over de hele loopbaan). Het kan ook nog altijd rekenen op perequatie (waardoor het meestijgt met de loongroei en niet enkel met de inflatie).

Ook die voordelen moeten op termijn herbekeken worden. De huidige bijsturing van het ambtenarenpensioen is nog maar een begin.

Lees verder

Tijd Connect