opinie

De terugkeer van de maakindustrie

Stijn Decock

Steeds meer bedrijven versterken hun productievestiging in België. We moeten die hoopvolle trend aanmoedigen.

Stijn Decock hoofdeconoom Voka

Sinds de jaren 70 wordt de maakindustrie in het Westen geplaagd door het uitvlaggen van productieketens naar lagelonenlanden. Sectoren zoals de confectie of de consumenten-elektronica zijn nagenoeg helemaal vertrokken. De maakindustrie leek maar één richting te kennen, en die was weg uit het Westen. Kort na de financiële crisis van 2008 leek het tij eerst in de VS te keren. Het loonverschil tussen China en de VS was afgenomen, de VS beschikten over goedkopere energie en heel wat bedrijven waren niet altijd zo gelukkig met de kwaliteit van en de communicatie met hun Aziatische vestiging. Bovendien betekent produceren in Azië dat de producten wekenlang onderweg zijn. Dat is niet bevorderlijk om snel in te spelen op een snel wijzigende vraag van de klant.

©RV DOC

Voorzichtig begon een aantal Amerikaanse bedrijven de omgekeerde stap te zetten en opnieuw in de VS te produceren. Want er was nog een belangrijkere factor waarom het Westen opnieuw interessanter werd om te produceren: automatisering. Robots en hoogtechnologische machines laten toe complexe producten te maken met een beperkt aantal arbeidskrachten. Het grote loonverschil met Azië en Centraal-Europa gaat dan minder sterk doorwegen. Daardoor wordt het opnieuw interessanter om dicht bij de klant, de toeleverancier en het kennis- en beslissingscentrum te opereren. Lange tijd leek het enkel een trend in de VS te zijn, in Europa waren de voorbeelden eerder schaars. De laatste maanden lijkt er zich toch een duidelijker trend af te tekenen, ook in België.

Bij die voorbeelden is er wel geen enkele arbeider meer rechtstreeks betrokken bij het productieproces, zoals de reportages over Continental in Mechelen of de speelgoedfabrikant Clics Toys in De Tijd hebben beschreven. In het geval van Clics Toys is het zelfs helemaal de omgekeerde wereld: de productie zit in België, de marketing en het ontwerp in Zuid-Korea.

Geen arbeiders

Als geen enkele arbeider bij het productieproces betrokken is, wat zijn dan de voordelen voor ons land om dat soort activiteiten aan te trekken? Vooreerst betekent het niet dat een bedrijf dat met een volledig automatische productielijn werkt geen personeel meer nodig heeft. Er zijn altijd activiteiten die niet volledig geautomatiseerd kunnen worden, zoals het onderhoud, de installatie van nieuwe machines en onderdelen, het laden van vrachtwagens, bepaalde controles die een machine niet aankan. Zo heeft Continental ondanks zijn volledig geautomatiseerde lijn 500 mensen in dienst. De regel dat iedere job in de maakindustrie 2,5 jobs verderop creëert, blijft trouwens overeind.

Hoewel veel processen automatisch draaien, hebben die bedrijven nog heel wat geschoold personeel nodig dat ook in ploegendienst wil werken.

Ten tweede is de terugkeer en de versterking van onze maakindustrie erg belangrijk voor een gezond herstel van de handelsbalans. Het is veel gemakkelijker een grote hoeveelheid goederen te exporteren dan diensten. Na jaren van grote tekorten lijkt België dankzij een industriële renaissance en lagere grondstoffenprijzen opnieuw af te stevenen op een duurzaam herstel van die balans.

Het is belangrijk dat we die positieve tendens versterken. Het mobiliteitsvraagstuk in al zijn facetten is dan ook een eerste vereiste. Een tweede is de beschikbaarheid van geschikt personeel. Hoewel die processen automatisch draaien, hebben die bedrijven nog heel wat (geschoold) personeel nodig, dat ook bereid is in ploegendienst te werken.

Het allerbelangrijkste is dat we het economisch ecosysteem voor de maakindustrie in dit land levendig en krachtig houden. Dat systeem bestaat uit een lange ketting van scholen, onderzoeksinstellingen, leveranciers, havens en opleidingscentra. En finaal heb je natuurlijk ook een aantrekkelijke fiscaliteit nodig voor alle componenten van dat systeem.

Lees verder

Tijd Connect