opinie

Overleven de rechten van de beeldhouwer de beeldenstorm?

De morele rechten van de beeldhouwer zijn een vergeten dimensie in het debat over de standbeelden van Leopold II. De aflevering van een vergunning door politici is niet voldoende. Tot zeventig jaar na het overlijden van de beeldhouwer kunnen de erfgenamen zich verzetten tegen het verwijderen of aanpassen van de standbeelden.

Black Lives Matter, zoveel is duidelijk. Het debat over dekolonisering staat terecht prominent op de nationale en internationale agenda en de vraag naar de toekomst van ons koloniaal verleden maakt daar uiteraard deel van uit. De standbeelden van Leopold II staan voor velen voor vastgeroest racisme. Tegenstanders pleiten ervoor ze aan te passen, tekstuele duiding toe te voegen of de beelden weg te halen.

Halsstarrig vasthouden aan het identieke behoud van de standbeelden houdt onvoldoende rekening met de gewijzigde dynamiek in onze samenleving. Bovendien leidt dat tot een verhoogd risico op vandalisme, met mogelijk onherstelbare schade.

Los van de maatschappelijke positie en de wenselijkheid van die 'beeldenstorm' is er de vraag naar de juridische gevolgen. Het fiat van politici is onvoldoende om koloniale standbeelden te laten weghalen of te wijzigen, ook respect voor de beginselen van het auteursrecht is vereist.

Auteursrecht

Het auteursrecht verleent aan de auteur van een concreet, origineel werk van letterkunde of kunst - zoals een beeldhouwwerk - het recht zich te verzetten tegen bepaalde vormen van gebruik van dat werk. De beeldhouwer verwerft een reeks vermogensrechten die hem toelaten zich te verzetten tegen onder meer niet-toegestane kopieën en wijzigingen van het standbeeld. Onder bepaalde voorwaarden zijn uitzonderingen van toepassing, zoals bij parodie, wetenschappelijk onderzoek of nieuwsverslaggeving.

Daarnaast impliceren enkele morele rechten, in het bijzonder het integriteitsrecht, dat de beeldhouwer kan opkomen tegen wijzigingen van het werk die zijn eer of reputatie aantasten. Al die rechten gelden in België tot 70 jaar na het overlijden van de auteur. Na afloop van die periode komen de beeldhouwwerken het publiek domein toe, zoals het Leopold II-standbeeld op het Troonplein in Brussel, vormgegeven door Thomas Vinçotte (1850-1925). Anders is het met de koloniale standbeelden gehouwen door onder anderen Alfred Courtens (1889-1967) of Raoul Godfroid (1896-1977), Belgische beeldhouwers wier erfgenamen die rechten kunnen laten gelden.

De standbeelden die ze creëerden hebben een plaats in het publieke domein, maar behoren daar in auteursrechtelijke termen nog niet toe. De loutere toestemming van de eigenaar het standbeeld te wijzigen of te verwijderen is geen vrijgeleide om daar meteen tot over te gaan. De eigenaar van een werk - mogelijk de Belgische Staat - is enkel de eigenaar van de materiële drager en bezit niet automatisch het auteursrecht.

Het besmeuren en vernielen van een standbeeld tast ongetwijfeld de eer en de reputatie van de maker aan.

De erfgenamen van de genoemde beeldhouwers kunnen zich dus beroepen op het integriteitsrecht. Het besmeuren en vernielen van een standbeeld tast ongetwijfeld de eer en de reputatie van de maker aan. Onze rechtbanken volgen een gelijkaardige redenering bij het transformeren, verbouwen of herinterpreteren van een beeldhouwwerk, bijvoorbeeld door het plaatsen van duiding. Zodra de wijziging van de vorm en de inhoud de oorspronkelijke integriteit van de artistieke schepping in het gedrang brengt, loert een inbreuk op het morele recht van de auteur om de hoek.

Niet elke wijziging leidt tot morele en/of moreel-rechtelijke bezwaren. Een afweging is noodzakelijk tussen de impact op de auteur, het recht op eigendom van de eigenaar van het standbeeld en het publieke belang bij het behoud of de aanpassing of verwijdering van het werk. Precies die publieke opinie is in dit debat verdeeld.

Activisten aan weerszijden van het politieke spectrum hebben een tegenovergestelde visie. De activistische visie van #Blacklivesmatter stuit onder meer op argumenten die pleiten voor het behoud van ons cultureel erfgoed, al dan niet met het historische besef dat past bij die donkere periode uit de Belgische geschiedenis.

Ook de manier van wijziging en de houding van de belanghebbende partijen zijn van belang. Het ontsieren van de standbeelden met provocerende leuzen doet de balans in een juridische setting eerder overhellen naar de auteur. Maar als de verwijdering van een standbeeld voortvloeit uit een sereen maatschappelijk debat en een uitdrukkelijke, adequate belangenafweging - rekening houdend met de omstandigheden van de zaak - kan een aanspraak door de erfgenamen van de beeldhouwers op basis van de morele rechten van de auteur een vorm van niet-toegelaten rechtsmisbruik uitmaken.

Eens het auteursrecht zijn rol heeft uitgespeeld, zoals bij de standbeelden van Thomas Vinçotte in Brussel of Oostende, wordt het publieke belang de hoofdrolspeler. De juridische argumenten ruimen dan baan voor een beleidsmatige, complexe evenwichtsoefening tussen de historische en educatieve waarde van een kunstwerk en de noodzaak tot het bouwen van een inclusieve samenleving waarin iedereen gewaardeerd wordt. Maar zolang het auteursrecht van de beeldhouwer zich op het toneel bevindt, moeten we er rekening mee houden. Of we dat nu willen of niet, ook #Authorsrightsmatter.

Lees verder

Gesponsorde inhoud