opinie

Strijd om onderzoeksgeld remt innovatie

Koen Schoors

De manier waarop universitair onderzoek wordt gefinancierd, moet op de schop. Het huidige model om de beschikbare middelen toe te wijzen geeft disruptieve ideeën te weinig kansen.

We leren onze economiestudenten dat competitie in bepaalde gevallen tot optimale uitkomsten leidt. Niet alleen omdat concurrentie de productie toewijst aan de efficiëntste producenten (allocatieve efficiëntie) en elke producent dwingt het maximale uit zijn middelen te halen (technische efficiëntie). Maar vooral omdat competitie op termijn innovatie en op die manier lagere gemiddelde kosten voortbrengt (dynamische efficiëntie). Daardoor dalen de prijzen, stijgt de vraag en wordt iedereen er uiteindelijk beter van. Dat alles natuurlijk op voorwaarde dat een reeks randvoorwaarden wordt gerespecteerd.

Onderzoekers lopen steeds sneller rondjes in een tredmolen die alleen hun relatieve positie in de kooi bepaalt.

Waarom functioneert de competitie tussen onderzoekers voor onderzoeksfinanciering dan zo gebrekkig? Ten eerste zijn er nauwelijks verschillen in technische efficiëntie tussen concurrerende onderzoeksvoorstellen. De belangrijkste kosten in de meeste voorstellen zijn die voor toestellen (voor de natuurwetenschappen en de medische wetenschappen) en voor mensen (voor alle wetenschappen). Maar die toestellen en labo’s kosten overal evenveel en onderzoekers met een bepaalde anciënniteit en een bepaald competentieniveau verdienen aan elke Vlaamse universiteit ongeveer evenveel. Competitie leidt dus niet tot technische of allocatieve efficiëntie in onderzoek.

©rv

Concurrentie tussen onderzoekers laat het beschikbare geld voor onderzoeksfinanciering ook niet toenemen. Het is een zerosumgame, waarbij we de competitie alleen laten bepalen wie welk deel van de vooraf vastgelegde middelen krijgt. Er ontstaat geen enkel voordeel van dynamische efficiëntie, waarbij innovatie de efficiëntie stuwt, de prijs doet dalen en de vraag naar onderzoek laat toenemen. Nee. De overheid weet op voorhand precies hoeveel onderzoek ze krijgt, want het budget ligt vast.

Onderzoekers lopen dus steeds sneller rondjes in een tredmolen die niet iedereen in de kooi vooruitbrengt maar alleen hun relatieve positie in de kooi bepaalt. Een almaar groter deel van de beschikbare onderzoekstijd gaat naar die vruchteloze neurose. Toch gaan we allemaal door, want alleen zo kan een individuele onderzoeker tot de top van de academische wereld doorstoten.

Onderzoeksgroepen worden almaar groter, terwijl elk bewijs dat een grotere schaal leidt tot meer vernieuwing ontbreekt.

Onderzoekers die goed scoren voor onderzoeksfinanciering, inclusief mezelf, wijzen hun succes door dat systeem eerder toe aan de superioriteit van hun project of werklust, dan aan toeval. Precies daarom komt kritiek van binnenuit al snel over als een zure reactie. Wij zijn ook maar gewone mensen.

Geremd

Maar halen de beste projecten het altijd? De competitie is zo intens en de variatie tussen de beoordelingen van hetzelfde project zo uitgesproken dat echt innovatieve projecten minder kans maken. Disruptieve ideeën hebben meer kans om door ten minste een van de beoordelaars slecht begrepen of gewoon afgekeurd te worden, net omdat ze de bekende paradigma’s doorbreken.

Zo wordt dikwijls verwacht dat we in onze aanvraag de verwachte resultaten van vier jaar onderzoek opsommen. Een duidelijker signaal dat echt vernieuwend onderzoek minder kans op financiering heeft, valt moeilijk te vinden.

Aan onze rectoren en ministers om dat nieuwe model uit te werken.

Grote onderzoeksgroepen kunnen zich permitteren om veel geld te stoppen in het uitschrijven van projecten. Je haalt maar een op de vijf projecten binnen, maar dat ene project dekt de kosten van de vier gesneuvelde. Voor kleinere groepen is het weliswaar alles of niets, want ze hebben de middelen niet om op vijf projecten in te zetten. De strijd om onderzoeksfinanciering creëert met andere woorden een risico voor kleinere onderzoeksgebieden en leidt tot schaalvoordelen. Het gevolg is dat onderzoeksgroepen steeds groter worden, terwijl elk bewijs dat een grotere schaal leidt tot meer vernieuwing ontbreekt.

Gebrek aan competitie

Natuurlijk is een volledig gebrek aan competitie ook een uitzonderlijk slecht idee. Daar komen we vandaan en we weten dus wat het betekent: naast intrinsiek gemotiveerde vernieuwers die het onderzoeken niet kunnen laten, krijg je dan ingeslapen onderzoekers die nergens meer toe komen. Om te vermijden dat de slinger weer doorslaat naar de andere kant moeten we streven naar een synthese.

We moeten een groter deel van de middelen toewijzen op een niet-competitieve manier, om zo de nevenschade van competitie te beperken, maar toch voldoende competitie te behouden om iedereen te prikkelen een extra inspanning te leveren en te vermijden dat we opnieuw indutten. Aan onze rectoren en ministers om dat nieuwe model uit te werken.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content