opinie

Waarom de zaak-Uplace iedereen boos moet maken

Patrick Luysterman

Met het groen licht van de Vlaamse regering heeft Uplace vrijdag een belangrijke veldslag gewonnen om zijn shopping- en entertainmentcomplex in Machelen. Maar na een procedure van zes jaar is het nog niet zeker dat het project er mag komen. Over één ding zijn voor- en tegenstanders het eens: ons besluitvormingsproces is onnodig duur, traag en inefficiënt. Dat moet echt anders.

In 2009 kwam Uplace na twee jaar als winnaar uit een beautycontest. Het project van 11 ha werd door de Vlaamse regering geselecteerd als de trekker voor een reconversiegebied van 250 ha vlak bij het viaduct van Vilvoorde. Maar zekerheid komt er ten vroegste in 2016.

Het is onverantwoord dat een definitieve beslissing, welke die ook is, zo lang uitblijft. Stel dat het project na twee jaar zou zijn afgeschoten, dan zou er vandaag al een alternatief project kunnen zijn gelanceerd. Waarschijnlijk met minder jobs dan de 3.180 die Uplace belooft, maar dat is meer dan de zero die vandaag op de teller staat. In de regio waar bij de sluiting van Renault Vilvoorde zo’n 3.000 jobs verdwenen, is elke nieuwe baan welkom.

Uplace-topman Bart Verhaeghe beweert al 70 miljoen euro van de verwachte investering van 600 miljoen euro te hebben uitgegeven. Ook andere partijen, inclusief de belastingbetaler, kregen al een flinke factuur gepresenteerd. Zo zijn er de duizenden manuren, gepresteerd bij advocatenkantoren en adviesbureaus van voor- en tegenstanders, de kosten die gepaard gaan met de behandeling van de tot nu toe 35 klachten bij de Raad van State, de inzet van tientallen medewerkers in de administraties en op de kabinetten.

Men kan zich ook afvragen of het logisch is dat onze overheid zelf een stevig overheidsapparaat voor milieuzaken en vergunningen heeft uitgebouwd, en tegelijkertijd organisaties direct of indirect steunt, die haar beleid ter zake voortdurend ter discussie stellen. Inderdaad, dat moet kunnen in een democratie. Maar evengoed moeten we er durven van uit te gaan dat niet elke beslissing van een overheidsdienst per se ondoordacht zou zijn en eindeloos in vraag moet worden gesteld. Ook dat soort uitgaven draagt bij tot een overheidsbeslag in ons land van ruim 50 procent van het bruto binnenlands product, een van de hoogste ter wereld.

Moeten we boos zijn op Bart Verhaeghe die bereid is om jaren te blijven vechten voor zijn project en niet bang is daarvoor de beste advocaten in te schakelen? Neen. Elke vernieuwende ondernemer doet niets anders dan de grenzen voortdurend aftasten. Moeten we boos zijn op de partijen die naar de Raad van State stappen? Neen. Het is een fundamenteel recht, vastgelegd bij wet, om een bezwaar in te dienen.

Is het in ons land niet al te gemakkelijk voor een lagere overheid om haar lokaal belang tot in het extreme te verdedigen tegen een hogere overheid?

Men moet wel durven te denken aan een ‘betere dimensionering’ van de protestmiddelen. De verleiding om met eenvoudige klacht een zaak te doen aanslepen is vandaag te groot. De klager heeft er niets bij te verliezen. Een klacht indienen kost slechts enkele tientallen euro’s.

Is het vandaag in ons land niet te gemakkelijk voor een lagere overheid om haar lokaal belang tot in het extreme te verdedigen tegen een hogere overheid? In Oostenrijk is dat niet het geval. Heeft dat land daarom een slechtere ruimtelijke ordening?

Vier van de zeven klagers in het dossier van Uplace zijn lagere overheden: de gemeenten Vilvoorde, Leuven, Grimbergen en de provincie Vlaams-Brabant. De andere waren een consortium van milieugroepen (Bond Beter Leefmilieu, BRAL, Greenpeace,...), de kleinhandelsfederatie Unizo en Iret, een concurrerend projectontwikkelaar. Lokale belangen zijn lokaal. Burgemeester Bonte van buurgemeente Vilvoorde maakt problemen over de ontsluiting van Uplace op het grondgebied van Machelen. Zijn collega De Groef van die gemeente ziet geen graten in Uplace, maar is dan weer gekant tegen de ontsluiting van de nieuwe gevangenis van Haren via de Woluwelaan. Uplace en de gevangenis van Haren liggen in vogelvlucht op een goede 500 meter van elkaar.

Staan we er genoeg bij stil dat we evolueren naar de opening van drie shoppingcenters (Docks Bruxsel aan de Van Praet-brug, Neo op de Heizel in het Brussels Gewest en Uplace in Vlaanderen)?

Sluiten we tegelijkertijd niet de ogen voor enkele cruciale zaken? Geven we nieuwe grote initiatieven wel voldoende ruimte? Maar ook: bekijken we voldoende het ruimere plaatje? Staan we er genoeg bij stil dat we evolueren naar de opening van drie shoppingcenters (Docks Bruxsel aan de Van Praet-brug, Neo op de Heizel in het Brussels Gewest en Uplace in Vlaanderen)? Dat Brussel voor twee shoppingcenters op eigen grondgebied gaat, is onbegrijpelijk. Op federaal niveau bestaat de theoretische mogelijkheid om het retailniveau over de gewesten heen te bekijken. Niemand in de politiek staat te trappelen om die doos van Pandora te openen, laat staan vanuit het eigen gewest toe te geven op het eigen project of een akkoord te maken over een betere spreiding in de tijd.

Met de komst van een project als Uplace kan eens mens misschien nog leven. Maar de manier waarop een en ander wordt bekeken, afgewogen en beslist, is niet om trots op te zijn.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content