opinie

Wielrennen kan ontkenning en omerta rond mechanische doping missen als kiespijn.

Vandaag start met de Giro d’Italia de eerste grote wielerronde van het jaar. Ook nu zullen officials met hun iPads de fietsen scannen op motortjes. Inmiddels is Femke Van den Driessche zwaar gestraft voor die mechanische doping. De zwakste schakel als enig zoenoffer op het altaar van de zuivering, in een peloton waar ontkenning en omerta blijven heersen.

Daam Van Reeth  is sporteconoom aan de KU Leuven Campus Brussel

Dat het de Internationale Wielerunie UCI menens is met haar strijd tegen mechanische doping bleek nog vorige week in de Ronde van Romandië, toen maar liefst 507 onaangekondigde controles werden uitgevoerd. Maar belangrijker nog als signaal was natuurlijk de aankondiging dat het eerste officieel vastgestelde geval van mechanische doping in de wielersport streng werd bestraft, met een schorsing van 6 jaar en een forse boete voor veldrijdster Femke Van den Driessche. Applaus op alle banken? Toch niet. Ik blijf vooral met vragen zitten en stel drie opvallende parallellen vast met het vrij recente wielerverleden.

Allereerst dient opgemerkt te worden dat de term ‘mechanische doping’ misleidend is. In essentie betreft het een ‘gewone’ overtreding van het technische reglement, namelijk het gebruiken van een niet conforme fiets. In de regel leidt dat soort overtredingen enkel tot een diskwalificatie. Maar omdat deze wijze van bedrog zo fundamenteel ingaat tegen het gevoel van een faire sport, waren de aanvankelijke reacties uit het wielrennen snoeihard. Een levenslange schorsing moest het worden. In dat opzicht zou je de UCI nog enige mildheid in haar strafmaat kunnen toedichten. En eerlijk is eerlijk, indien de UCI Femke had vrijgesproken of een schorsing van pakweg één jaar had gegeven, zou de UCI afgemaakt zijn. Daarom moest de UCI wel streng zijn.

Toch hebben we de indruk dat er hier twee maten en twee gewichten spelen. Sommige insiders omschreven dit type bedrog als het laagste van het laagste, op die manier wil je toch geen koers winnen? Een soortgelijke veroordeling kwam er nochtans zelden of nooit voor de klassieke dopingzondaars. Blijkbaar vindt men het in het wielrennen dan toch minder erg met het eigen lichaam en de eigen gezondheid te knoeien, dan met het materiaal?

Toch vallen er ook enkele opvallende parallellen te trekken tussen beide vormen van bedrog. Ten eerste valt het op hoe opnieuw ontkenning en omerta het peloton blijven beheersen. Na het eerste (gespeelde?) ongeloof blijkt uit steeds meer getuigenissen, onder andere van Tourwinnaar Wiggins, dat er mogelijk toch wel iets aan de hand is (geweest). Niet alleen het voorjaar van Cancellara in 2010, maar zelfs de Tourzege van Sastre in 2008 komen nu in opspraak. Wilde indianenverhalen of toch waar rook is, is vuur?

Wie goed luisterde, hoorde tijdens de laatste uitzending van Extra Time Koers iets opmerkelijks. Na wat doorhameren van een zichtbaar doodongelukkige Vannieuwkerke kwam bij Boonen schoorvoetend de bevestiging dat er in het verleden hoogstwaarschijnlijk wel wedstrijden gewonnen zijn met gebruik van motortjes. We citeren letterlijk: ‘Als het bestaat zal het ooit gebruikt zijn ja, je moet daar niet naïef in zijn.’ Op de vraag van Vannieuwkerke ‘Ook op het hoogste niveau?’ repliceert Boonen: ‘Waarschijnlijk wel.’ Wanneer de grootste Belgische renner van het afgelopen decennium dit zo expliciet stelt, zouden alarmbellen moeten afgaan.

Ten tweede is het opvallend hoe opnieuw de zwakste schakel het enige zoenoffer is op het altaar van de zuivering. Na de initiële verontwaardiging klonk bij meerdere insiders dat een jong meisje een dergelijk bedrog nooit individueel en zonder medeweten van haar entourage op poten zou kunnen zetten. Ook UCI-voorzitter Brian Cookson liet in een eerste reactie verstaan dat alle betrokkenen zouden vervolgd worden. Toch is vorige week enkel Femke Van den Driessche veroordeeld. De ploeg en haar persoonlijke entourage blijven buiten schot. Eens te meer blijkt hoe in de wielersport de renners door hun eigen ploegen als ‘liabilities’ worden gezien. Een last die men bij het minste probleem laat vallen, omdat ze in de letterlijke zin van het woord ‘waardeloos’ is. In het voetbal daarentegen zijn de spelers ‘assets’. Voetbalclubs blijven hun spelers na doping of andere perikelen bijna altijd voluit steunen, zelfs juridisch, omdat ze een commerciële en transferwaarde betekenen.

Voor de UCI is het bovendien een zegen dat het eerste geval van mechanische doping zich voordoet bij een weinig kapitaalkrachtig slachtoffer in een, laten we eerlijk zijn, marginale wielerdiscipline. Geen risico op een dure procedureslag tot bij het TAS, zoals bij succesvolle en minder succesvolle pogingen in het verleden om Contador of het Katusha-team te bestraffen. Cynisch gesteld is deze case voor de UCI vanuit publicitair standpunt daarom een voltreffer: een kleine investering met een hoog rendement en een maximale symboolwaarde. Dat is hen destijds in volle epo-periode nooit gelukt. Het persbericht dat de UCI verspreidde, draagt dan ook een perverse vorm van triomfantalisme in zich. Cookson spreekt zelfs over ‘a major victory for the UCI’. Eigenaardig genoeg kan de UCI het zich daarbij zelfs veroorloven de motivatie voor haar beslissing pas over enkele maanden te laten weten.

Ten derde zien we hier een soortgelijk scenario zich ontwikkelen als tijdens de epo-jaren. Zodra het stevige spul opspoorbaar wordt via iPads, stapt men over naar de amper detecteerbare micro-dosering: de grotere klassieke batterijen in de zadelbuis zijn ondertussen vervangen door veel moeilijker te ontdekken mini magneten in de wielnaven. En zo blijft de jager ook hier weer een stap achter op zijn prooi.

De wielerfans houden alvast opnieuw voor enkele jaren hun hart vast. Zij durven enkel te hopen dat er in 2030 niet moet terug gekeken worden naar de huidige periode, zoals we nu terugblikken op de epo-periode van de jaren 90. Het gevoel van dat we het eigenlijk wel een beetje wisten, maar het niet wilden zien.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content