opinie

Woonbonus voor tweede eigendom staat woonbeleid in de weg

Vlaanderen kiest ervoor tweede ‘eigen woningen’ via de woonbonus te betoelagen. Dat illustreert het gebrek aan een globaal woonbeleid.

Eén op de vier leningen wordt aangegaan voor een tweede verblijf. Dat is een opvallend cijfer als je weet dat een groeiende groep gezinnen moeilijk of geen toegang heeft tot een kwalitatieve en betaalbare woning, zowel op de huur- als op de koopmarkt.

Toch dient dus een kwart van de hypothecaire leningen niet voor toegang tot de woonmarkt, maar voor de aankoop van een tweede woning. Die aankopen worden op federaal niveau fiscaal gestimuleerd. In een schaarse woonmarkt duwt zo’n aanpak de prijzen de hoogte in. Een effect dat ook de woonbonus heeft.

©rv

Het Vlaamse woonbeleid richt zich op een zo breed mogelijke toegang tot een betaalbare en kwalitatieve huur- of koopwoning, en op hetzelfde moment vergroten federale fiscale maatregelen de druk op een al verhitte woningmarkt. Vreemd genoeg gooit ook het Vlaamse beleid olie op het vuur door de aankoop van een tweede eigendom te stimuleren. De ‘geïntegreerde’ woonbonus vanaf 2016 heeft de voorwaarde van ‘enige’ woning geschrapt. Hij kan dus ook voor de ‘eigen’ - dus zelf bewoonde - tweede woning worden gebruikt.

De woonbonus voor een tweede eigen woning kost de overheid 608 euro per belastingplichtige, dus 1.216 euro voor een koppel. In tegenstelling tot de federale belastingaftrek - hoewel ook een ‘kostenpost’ - gaat het hier over een directe uitgave. Het is geld dat Vlaanderen niet aan iets anders kan besteden.

Vlaanderen stimuleert de aankoop van een tweede woning, terwijl voor hetzelfde geld een sociale huurwoning kan worden gebouwd.

Die directe overheidskosten komen ongeveer overeen met de jaarlijkse financieringskosten van een sociale huurwoning. De financiering van sociale huurwoningen gebeurt via een gesubsidieerde lening. Die is te vergelijken met een lening tegen -1 procent gedurende 33 jaar. Dat kost de overheid ongeveer 40.000 euro over de volledige looptijd, of zo’n 1.200 euro per jaar.

Vlaanderen stimuleert dus via een directe uitgave de aankoop van een tweede woning, terwijl voor hetzelfde geld een sociale huurwoning kan worden gebouwd die woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden voor vele jaren een jaarlijks gemiddeld voordeel van 3.600 euro oplevert. Dat is bijna 600 miljoen euro aan sociale correcties per jaar. Bovendien daalt het armoederisico met 40 procent. En de bouw van een sociale woning levert een directe investering in de bouwsector op, terwijl de woonbonus geen aantoonbaar aanbodeffect heeft.

Verkokering

Stel: een gezin verhuist naar een nieuwe woning en verhuurt zijn vorige huis voor een markthuurprijs aan iemand die eigenlijk in aanmerking komt voor een sociale woning maar op de wachtlijst staat wegens een te beperkt aanbod. Het verhurende gezin krijgt voor zijn tweede eigen huis opnieuw een woonbonus, terwijl Vlaanderen met dat bedrag een sociale woning zou kunnen financieren. De markthuurprijs voor de huurder bedraagt 600 euro. Voor een sociale woning had hij - met dezelfde kosten voor Vlaanderen - gebaseerd op het inkomen 300 euro betaald.

Vlaanderen heeft bij de zesde staatshervorming de kans laten liggen om zijn eigen fiscale stimuli op de woonmarkt te integreren in een globaal woonbeleid. De verkokering leidt ertoe dat geen sprake is van een eigendomsneutraal woonbeleid, waarbij de sociale en private huurmarkt en de koopmarkt gelijk worden behandeld. Meer nog: de keuze om de woonbonus ook toe te passen op een tweede ‘eigen’ woning doet geld wegvloeien.

Vlaanderen heeft bij de zesde staatshervorming de kans laten liggen om zijn eigen fiscale stimuli op de woonmarkt te integreren in een globaal woonbeleid

Door de woonmarkt louter fiscaal te benaderen - zowel federaal als Vlaams - wordt nu al een kwart van de investeringen gedaan door mensen die geen toegang tot een woning nodig hebben. De schaarste floreert, de prijzen blijven stijgen. Het is bijzonder jammer dat Vlaanderen ‘wat we zelf doen’ na de zesde staatshervorming eigenlijk gewoon op dezelfde manier heeft gedaan. En dat de fiscale hefbomen in het woonbeleid die werden overgeheveld met de bevoegdheden, niet werden geïntegreerd in een globaal woonbeleid.

Een eigendomsneutraal woonbeleid is veraf. In Vlaanderen gaat meer dan 80 procent van de middelen voor wonen nog altijd naar eigendomsverwerving. En een deel daarvan dus naar de verwerving van een tweede ‘eigen’ woning. Als je weet dat voor dezelfde kostprijs een woonbehoeftig gezin of een woonbehoeftige alleenstaande veertig jaar lang een maandelijkse sociale correctie van meer dan 300 euro in zijn huurprijs kan krijgen, dan zitten - met meer dan 135.000 wachtenden voor een sociale woning - de prioriteiten niet juist.

Hopelijk maakt de volgende Vlaamse regering hier werk van.

Lees verder

Tijd Connect