opinie

België onderbenut zijn innovatiepotentieel

In de nasleep van de financiële crisis werden we voortdurend bestookt met doemberichten over de toekomst van de maakindustrie in België: de sector zou ten dode zijn opgeschreven. In een recente Itinera-studie toonden wij aan dat de feiten minder dramatisch, maar toch zorgwekkend zijn.

Door Stijn Ronsse, visiting fellow van de denktank Itinera

De jongste drie decennia valt het aandeel van industriële productie ten opzichte van het bbp gestaag terug. Met 16 à 17 procent scoren we onder het Europese gemiddelde en zelfs behoorlijk onder de 20 procent die Europa aanraadt.

De voorbije weken en maanden valt echter optimisme te bespeuren. Meerdere studies tonen aan dat de Belgische industrie een sterk innovatiepotentieel heeft. Veel waarnemers zijn het erover eens dat dit bij de voortschrijdende technologische ontwikkeling een cruciaal wapen wordt. België is zich dus toch al bewuster van waar de ambitie moet liggen. We onderschrijven die conclusie, zij het voorzichtiger. Er is veel potentieel, maar het moet meer worden aangeboord en gevoed.

We moeten een ecosysteem uitwerken waarin onderzoeksinstellingen, bedrijven en overheden verweven met elkaar functioneren.

Een goede illustratie zijn de innovatiecijfers uit het Global Competitiveness Report, dat het competitieve landschap van 138 economieën vergelijkt. Hoewel België in het jongste rapport met een 16de plaats niet slecht scoort voor innovatie, valt ook op dat onze positie de voorbije jaren min of meer stabiel bleef. Er zijn landen met een hoger innovatiepotentieel, die bovendien ook grotere sprongen voorwaarts maken. Dat zijn onder meer Nederland en Duitsland, als buurlanden directe concurrenten op het competitieve speelveld. Beide worden samen met het trio Finland, Denemarken en Zweden gezien als koplopers in innovatie. België wordt geklasseerd bij de landen met de noodzakelijke voorwaarden voor het realiseren van vernieuwing, maar de stagnatie van de voorbije jaren toont dat onze mogelijkheden onderbenut worden.

De innovatieve en hoogtechnologische sectoren worden steeds belangrijker om de economische groei te ondersteunen. Voor het aanboren van innovatiepotentieel moeten we bijkomend investeren in hoogtechnologische productie. In een steeds competitiever speelveld is dit cruciaal, omdat er hoge productiviteitswinsten te realiseren zijn.

Triple helix

Anderzijds moet voor het voeden van het innovatiepotentieel gesleuteld worden aan pijnpunten. Wij zien alvast drie belangrijke inspanningen op dit vlak. Ten eerste moeten meer synergieën gecreëerd worden tussen het opkomende hoogtechnologische veld en de bestaande industriële basis. Ten tweede stromen niet alle inspanningen in onderzoek en ontwikkeling door naar bedrijven. Daarom moeten we een ecosysteem uitwerken waarin onderzoeksinstellingen, bedrijven en overheden verweven met elkaar functioneren. De Scandinavische landen bewijzen dat een dergelijk triplehelixsysteem niet enkel leidt tot een positief ondernemersklimaat, maar ook tot de creatie van welvaart. Bovendien combineren ze dit met een op consensus gebaseerd sociaal model.

In tijden van dreigende regionale frictiewerkloosheid zijn technische en wiskundige profielen een absolute noodzaak.

Tot slot zijn er veel hoogopgeleide mensen in België, maar studeren te weinig studenten af in technische en wiskundige profielen. In tijden van dreigende regionale frictiewerkloosheid zijn dergelijke profielen nochtans een absolute noodzaak voor de verdere uitbouw van de hoogtechnologische industrie.

Het is te vroeg om op onze lauweren te rusten als het over de toekomst van de maakindustrie gaat. Er is veel potentieel tot vernieuwing aanwezig, maar wat niet gekoesterd en gevoed wordt, sterft af. Het komt er vooral op aan om meer ambitie op te brengen.

Lees verder

Gesponsorde inhoud