opinie

Blijf af van de loonwet

Professor arbeidseconomie aan de UGent

Als sommige vakbonden van het afschaffen van de loonwet van 1996 een prioriteit maken, zagen ze aan de tak waar ze zelf op zitten. Wie de concurrentiekracht van onze bedrijven aanvalt, valt ook de Belgische jobs aan.

‘Het wordt tijd dat ook de werknemers iets krijgen.’ Dat zei ABVV-topvrouw Miranda Ulens gisteren in uw krant. Ik ben het met haar eens. Het verschil in inkomen tussen wie werkt en wie niet werkt is te klein. Een jobkorting, goedkopere kinderopvang voor wie werkt? Ik ben voorstander.

Maar dat zijn niet de recepten waar Ulens voor pleit. Nee, zij gaat voor een aanpassing van de loonwet van 1996. Die legt op dat de loonkosten in België niet sterker mogen toenemen dan in de buurlanden. Dat is een te strak carcan volgens Ulens, met te weinig ruimte voor loononderhandelingen.

Nu is het me wel al eens eerder overkomen dat ik bij een idee uit vakbondsmiddens een aantal voorzichtige vraagtekens plaatste, maar dit vind ik toch echt een buitengewoon slecht idee. Om minstens drie redenen.

Pilaar

Er valt heel wat kritiek te geven op ons arbeidsmarktbeleid en onze arbeidswetgeving. Zo zitten de structuren bijzonder complex in elkaar. Opeengestapelde koterijen. Maar zoals dat ook het geval was op het erf van Boer Charel zaliger: tussen die koterijen zit al eens een pronkstuk, een pilaar die de boel recht houdt.

In ons arbeidsmarktbeleid is dat het geval voor de wet van 1996. Andere bepalingen maken de tewerkstelling in België vrij duur en rigide, maar de loonwet maakt dat de loonkosten niet ontsporen.

Als vakbonden pleiten voor een minder sterk carcan, zonder loonwet, zouden ze de intellectuele eerlijkheid moeten hebben om ook de automatische indexering ter discussie te stellen. Op die manier ontstaat echt meer bandbreedte om te onderhandelen.

België is een klein land, dat het van zijn menselijk kapitaal moet hebben. Laat de loonkosten een vlucht nemen tegenover de buurlanden, en de bedrijven zullen verplicht worden tot automatisering of het verplaatsen van productie naar het buitenland, willen ze niet uit de internationale markt worden geduwd.

Carcan

Ten tweede is de loonwet slechts een deel van het carcan waarin de loononderhandelingen zitten. Een ander cruciaal luik is onze automatische loonindexering.

Op die manier zijn werknemers er zeker van dat hun koopkracht niet afneemt. Een nadeel is het gevaar op zogenaamde tweederonde-effecten. Dat wil zeggen: de indexering leidt tot hogere lonen die de bedrijven in hun prijzen kunnen doorrekenen, wat weer tot hogere lonen kan leiden, met een opwaartse spiraal voor de prijzen van wat we produceren en een neerwaartse spiraal voor onze concurrentiekracht als gevolg.

De automatische indexering geeft de ondergrens voor de stijging van onze lonen. De loonwet van 1996 legt de bovengrens vast.

De automatische indexering geeft de ondergrens voor de stijging van onze lonen. De loonwet van 1996 legt de bovengrens vast. Als vakbonden pleiten voor een minder sterk carcan, zonder loonwet, zouden ze de intellectuele eerlijkheid moeten hebben ook de automatische indexering ter discussie te stellen. Op die manier ontstaat echt meer bandbreedte om te onderhandelen.

Moment

Ten derde is er het moment van deze aanval op de loonwet. Niet toevallig tijdens de sociale verkiezingen. In veel bedrijven verkiezen de werknemers hun vertegenwoordigers in de overlegorganen. Cruciaal voor de vakbonden zijn drie percentages: het aandeel van de socialistische, de christendemocratische en de liberale vakbond over alle bedrijven heen. Zich even tonen tegenover het ACV (de grootste vakbond) en de ACLVB (de sterkste groeier bij de vorige sociale verkiezingen), zo moet u de aanval van Ulens op de loonwet ook zien.

Zich even tonen tegenover het ACV (de grootste vakbond) en de ACLVB (de sterkste groeier bij de vorige sociale verkiezingen), zo moet u de aanval van Ulens op de loonwet ook zien.

Begrijpelijk, maar tegelijk een slecht moment. Men kan stellen dat werknemers ‘ook eens iets moeten krijgen’, maar het is niet dat de coronacrisis voor de werkgevers een cadeau is. De bedrijven vragen niet om een omzet in 2020 die een kleine 10 procent lager is dan in 2019 en de verwachting dat 2021 niet veel beter wordt. Jazeker, de overheid heeft als schokdemper gefungeerd, maar mijn inschatting is dat de schade aan het economische weefsel pas echt op te meten is wanneer de steunmaatregelen wegvallen. En dat die schade zou wel eens kunnen tegenvallen.

Op zo’n moment de loonlasten voor die bedrijven de hoogte injagen, door de grendel op die lasten weg te halen, is onverstandig.

Mijn conclusie: als vakbonden van de afschaffing van de loonwet een prioriteit maken, zagen ze aan de tak waarop ze zelf zitten. Wie de competitiviteit van onze bedrijven aanvalt, valt ook de Belgische banen aan.

Men kan stellen dat de werknemers ‘ook eens iets moeten krijgen’, maar de coronacrisis is voor de voor werkgevers geen cadeau.

Momenteel zien we een grotere daling van het aantal nieuwe vacatures dan dat we een stijging van de werkloosheid zien. Veel bedrijven kiezen er dus voorlopig vooral voor minder omzet te draaien zonder te herstructureren. Dat hoeft niet zo te blijven.

Typisch zit er vertraging op de arbeidsmarktcrisis die volgt op een terugval in de omzet. Als we willen vermijden dat de werkloosheid de komende jaren fel toeneemt, moeten we onze ondernemingen ondersteunen. Het opblazen van de loonwet, dé stut tegen het onderuitgaan van de concurrentiepositie, is dan het laatste wat we moeten doen.

Stijn Baert

Professor arbeidseconomie aan de UGent

Lees verder

Gesponsorde inhoud