opinie

Brussel heeft het potentieel van kunststad Berlijn, maar mist de visie

Het Fin-de-Sièclemuseum in Brussel moet een jaar na zijn opening al weer dicht. Het feuilleton rond de federale Brusselse musea is daarmee in een nieuwe fase getreden. Het spel zal niet alleen harder worden gespeeld en nu misschien ook ideologisch ingekleurd - een bepaald soort Vlaanderen tegen Brussel - maar ook nu weer volgens de verkeerde regels en op basis van de verkeerde uitgangspunten. Terwijl Vlaanderen niets te verliezen heeft bij het samen uitbouwen van Brussel tot een magnifieke museale vitrine naar de wereld toe. Brussel heeft het potentieel van Berlijn, maar mist voorlopig de visie.

Door Hans de Wolf, hoogleraar kunstwetenschappen VUB

De barometer staat weer op storm in het federale museumlandschap. Zopas heeft de bevoegde staatssecretaris voor wetenschapsbeleid Elke Sleurs (N-VA) in haar beleidsverklaring laten weten dat ze the new kid on the block, het Fin-de-Siècle museum, zo snel mogelijk weer kwijt wil. Naar het schijnt om hiermee terug plaats te maken voor de collectie moderne kunst die al jaren verbannen was in de kelders van de KMSKB (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België). De klok zal dus worden teruggedraaid naar enkele episodes voordien.

Nagenoeg onmiddellijk ontvangt baron Guillion Crowet, de spilfiguur in dit Fin-de Siècle-verhaal, van de redactie van het RTBF-journaal (in een moment van deontologische zwakte) een vrije tribune om zich te profileren als een bedrogen mecenas en filantroop, terwijl het toch een publiek geheim is dat het verwerven van deze collectie door het Brussels Hoofdstedelijk gewest op zijn zachtst uitgedrukt niet onbesproken is geweest.

Hiermee is het feuilleton dat zich rond de federale Brusselse musea de laatste jaren heeft ontwikkeld in een nieuwe fase getreden en alles wijst er op dat het spel niet alleen harder zal worden gespeeld en nu misschien ook ideologisch zal worden ingekleurd (een bepaald soort Vlaanderen tegen Brussel), maar ook deze keer weer volgens de verkeerde regels en op basis van de verkeerde uitgangspunten.

Citroën-garage

Net voor de verkiezingen had Brussels minister-president Rudi Vervoort zich in de discussies gemengd door zijn plan te lanceren om een Brussels architectuur-icoon, de Citroën-garage, te verheffen tot de nieuwe site voor een langverwacht museum voor moderne kunst. Ook toen al heb ik opgemerkt dat in dit debat te veel protagonisten gefixeerd lijken te zijn op gebouwen, oude of nieuwe, en het debat daardoor herleiden tot een discussie gericht op de hardware, terwijl er in het Brussels museumlandschap in de eerste plaats problemen zijn met de software.

Onze hoofdstad heeft in wezen een gigantisch potentieel waar de hele wereld ons zou kunnen om benijden; ‘zou kunnen’, want de hele wereld ziet er voorlopig niets van.

Onze hoofdstad heeft in wezen een gigantisch potentieel waar de hele wereld ons zou kunnen om benijden; ‘zou kunnen’, want de hele wereld ziet er voorlopig niets van. Niet alleen de publieke verzamelingen in Brussel waarrond nu de messen worden geslepen zijn de werkelijke vetpotten van dit land (wat was nu weer precies de waarde van een Van Dyck uit de Genovese periode?) maar ook de vele privé-verzamelingen die in Brussel achter gesloten deuren worden bewaard, vormen een unieke kans voor deze stad om te kunnen uitgroeien tot één van de meest bloeiende en ook boeiende museumsteden in Europa.

Ik wens mij toe dat in Vlaanderen het inzicht zou groeien dat het niets te verliezen heeft bij het samen uitbouwen van Brussel tot een magnifieke museale vitrine naar de wereld toe, alleen al maar omdat de hele wereld voortdurend de ogen op Brussel gericht heeft.

Verzuurd

Maar helaas is de werkelijkheid vandaag anders. In verschillende van deze museale instellingen is de sfeer om allerhande redenen verzuurd, de samenwerking met elkaar is moeilijk vast te stellen en van een belangrijke internationale uitstraling is - op een aantal individuele cases na - al helemaal geen sprake. Integendeel, met de regelmaat van de klok verstevigen we onze reputatie zeker niet tot de top van de museumsteden te behoren. Zoals wanneer de Klimt-tentoonstelling voor de ogen van de professionele museumwereld niet naar Brussel kwam, of toen de werken van Van der Weyden in der haast terug naar hun eigenaars werden gebracht, omdat er water in de zalen was geïnfiltreerd.

In dit debat lijken te veel protagonisten gefixeerd te zijn op gebouwen, oude of nieuwe, en herleiden het debat daardoor tot een discussie over de hardware, terwijl er in het Brussels museumlandschap in de eerste plaats problemen zijn met de software

Het komt mij dus voor dat, vooraleer er terug met gebouwen en urbanistische argumenten wordt gestreden, er eerst en vooral een duidelijke diagnose moet worden gemaakt van de museale situatie in de stad. Slechts dan zullen de sleutels en opportuniteiten zichtbaar worden die het de overheid mogelijk moet maken een ambitieuze en haalbare visie voor de plaats van alle musea in onze hoofdstad te ontwikkelen. Met een dergelijke oefening zal bijvoorbeeld ook duidelijk worden dat sommige instellingen al decennia lang schreeuwen om zelfbehoud en restauratie.

Aan tafel

En naar mijn bescheiden mening moet een dergelijke politiek vooral gericht zijn op het internationale effect en de ambitie koesteren om op middellange termijn terug te mogen aanschuiven aan de tafel van de internationaal leidende museumsteden. Dit zou ook één van de dominante normen moeten zijn om de verwachtingen die we in deze instelling mogen stellen, tot uitdrukking te brengen. Toen ik in 1998 aankwam in Berlijn, stond de stad financieel aan de rand van de afgrond. De pas verkozen burgemeester Wowereit lanceerde toen net zijn doctrine die wil dat juist crisismanagement eruit bestaat te investeren in de sectoren waarin je wereldwijd uitblinkt, en voor Berlijn zijn dat cultuur en wetenschap.

Met de regelmaat van een klok verstevigen we onze reputatie zeker niet tot de top van de museumsteden te behoren

Bij mijn aankomst waren er 17 musea en 3 opera’s, bij mijn vertrek uit Berlijn 6 jaar later waren er 20 musea en nog steeds 3 opera’s. In 1998 vloog je er met kleine toestellen naar toe. Vandaag wordt Schoenefeld dagelijks bediend door tientallen Easyjet-vliegtuigen vanuit heel Europa. Ook Brussel heeft dat potentieel, maar het mist voorlopig nog de visie.

 

 

 

 

 

 

 

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud