opinie

Consternatie om de inflatie

economisch adviseur, federaal ABVV

Een opstoot van inflatie leidt tot loonindexatie, de enige garantie op stabiliteit in de koopkracht van de huishoudens. Die stabiliteit is de komende jaren broodnodig.

Eerst wat perspectief. Vijf op tien van de Belgische CEO’s kregen in 2020 volgens de Vlerick Business School een bonus die hoger dan of gelijk was aan die van 2019. U weet wel 2020, dat economische horrorjaar waar in het voorjaar meer dan een miljoen Belgen tijdelijk werkloos thuis werd gezet. Op basis van dat horrorjaar kregen de Belgische werknemers dit en volgend jaar een schamele loonsverhoging van 0,4 procent boven op de automatische indexaties toegekend.

Een ander feit: de waarde van de aandelen in de Bel20 steeg sinds april 2020 met 50 procent. In de bestuurskamers zal dus geen slok bespaard moeten worden op de borrel. Maar dat gegeven wordt slechts sporadisch als een sociaal of economisch probleem gebrandmerkt.

Tientallen verschillende sectorale indexatie-cao’s bepalen de frequentie en het moment van loonindexatie in al deze sectoren. Zo wordt de indexatie breed uitgesmeerd in de tijd.

Nu is er enige consternatie om de inflatie en de invloed ervan op de lonen. Die inflatie tekent een cijfer op dat een tijdje niet meer gezien is: tussen november 2020 en november 2021 stegen de prijzen met 5,64 procent.

Context is echter belangrijk. De Europese Centrale Bank (ECB) hanteert al geruime tijd een richtcijfer voor jaarinflatie, ergens in de buurt van 2 procent. Met een jaarinflatie van 2,14 procent voor dit jaar schiet België net boven het doel dat ECB-voorzitster Christine Lagarde vooropstelt.

Daarnaast is de inflatie enkele jaren laag geweest: 1,44 procent in 2019 en amper 1 procent in het kwartaal voor corona toesloeg. Een stoet economen vroeg zich toen af waarom de inflatie maar niet wou ‘demarreren’ in een context van lage rentes, economische groei en kwantitatieve versoepeling door de ECB. Een reden die op tafel werd gelegd was de beperkte stijging van de lonen.

De essentie

  • De auteur
  • Lars Vande Keybus is economisch adviseur bij het ABVV.
  • De kwestie
  • De stijging van de inflatie brengt een indexering van de lonen met zich mee.
  • Het voorstel
  • Besef dat loonindexatie al jaren de enige garantie is op stabiliteit in de koopkracht van de huishoudens. Die stabiliteit zullen we de komende jaren broodnodig hebben.

Een volgende fout die in deze cijferdiscussie wordt gemaakt is het resultaat van een ‘base rate fallacy’: we worden verblind door een cijfer dat kunstmatig hoog lijkt omdat de vergelijkingsbasis wordt vergeten. De belangrijkste reden achter de hoge maandinflatie zijn de stijgende energieprijzen. Die prijzen daalden in 2020, waardoor een forse stijging in 2021 op maandbasis een dramatisch hoog effect oplevert.

De stijging van de energieprijzen is een feit, maar het effect zal op termijn niet zo dramatisch zijn. Het is een tijdelijk fenomeen, en het systeem van automatische indexering heeft tot gevolg dat een potentieel negatief effect op de competitiviteit wordt gespreid in de tijd. 

Olli Rehn

Na herhaaldelijke Duitse aanvallen op de Belgische automatische indexatie zei de Finse Europese commissaris Olli Rehn enkele jaren geleden het volgende: ‘Het Belgische systeem van indexatie is intelligent ontworpen en verschilt wezenlijk van de verouderde systemen die we de afgelopen decennia hebben gekend en die vaak nadelig zijn geweest voor het concurrentievermogen.’ Een opmerkelijke stelling van een Eurocommissaris die als liberale ‘havik’ werd afgeschilderd.

Inflatieschokken worden effectief geabsorbeerd door het systeem van automatische indexatie. Langs de ene kant is een afgevlakte gezondheidsindex de basis voor de automatische indexatie, waardoor pieken worden afgevlakt. Deze index bedraagt momenteel 1,72 procent op jaarbasis.

Langs de andere kant zijn er tientallen verschillende sectorale indexatie-cao’s. Die cao’s bepalen de frequentie en het moment van indexatie in al de sectoren. Zo wordt de indexatie breed uitgesmeerd in de tijd. Een prijsschok vertaalt zich dus niet in een onmiddellijke algemene loonstijging over de hele economie.

In de Nederlandse metaalsector komt er de komende twee jaar 5,3 procent loon bij, met een inflatieverwachting rond 4 procent. In de Duitse bouw gaan de lonen met meer dan 6 procent naar boven, met een inflatie van 4,5 procent. Hun looneisen liggen steeds boven de inflatiecijfers. Dat zien we al jaren niet meer in België.

Dat alles heeft tot gevolg dat loonstijgingen niet boven die van onze buurlanden liggen. Alsof de vakbonden in die landen geen inflatieverwachtingen in hun recente looneisen zouden meerekenen. In de Nederlandse metaalsector komt er de komende twee jaar 5,3 procent loon bij, met een inflatieverwachting rond 4 procent. In de Duitse bouw gaan de lonen met meer dan 6 procent naar boven, met een inflatie van 4,5 procent. Hun looneisen liggen steeds boven de inflatiecijfers.

Dat zien we al jaren niet meer in België. Sinds de financiële crisis van 2009 stegen volgens de Europese Commissie de Belgische lonen enkel in het tempo van de inflatie, een reële loonsverhoging kwam er niet bij. Dat alles door een indexsprong en erg lage loonmarges. In Duitsland steeg sinds 2009 de reële koopkracht met 14 procent en in Frankrijk met 7 procent.

Dus ja, een inflatieopstoot leidt tot een tijdelijk hogere, maar breed uitgesmeerde, loonindexatie. Maar die indexatie is al jaren de enige garantie op stabiliteit in de koopkracht van de huishoudens. Die stabiliteit gaan we de komende jaren, hopelijk in de nasleep van de pandemie, broodnodig hebben.

En de sectoren die nu een hogere loonaanpassing kennen, hebben de afgelopen jaren kunnen meesurfen op een lage inflatie en lage indexatie. Als goede bestuurders hebben zij die financiële ademruimte allicht gebruikt om reserves aan te leggen en hun bedrijfsmodel te optimaliseren. Waarom zou je nu dan moeten opschrikken van een inflatiespook?

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud