opinie

De armoedecijfers lijden aan cijferarmoede

In de aanloop naar verkiezingen komen debatten nog meer dan anders terecht in een moerassige mengeling van perceptie, framing en realiteit.

Dit is een opiniebijdrage van Johan Van Overtveldt, gewezen minister van Financiën voor N-VA. 

Vooral in het debat over het sociale beleid van de regering-Michel is dat het geval. ‘Meedogenloos antisociaal’, orakelen de linkse partijen. Klopt niet, leren de objectieve cijfers.

In de discussie over de evolutie van de armoede en het gevoerde beleid levert de bijgaande grafiek bijzonder relevant materiaal. Ze geeft de evolutie van het reëel beschikbaar inkomen weer, op basis van gegevens van het Planbureau en van Leuvense economen. Elk deciel stelt 10 procent van de totale inkomensverdeling voor. Het eerste deciel bevat de 10 procent van de bevolking met het laagste beschikbaar inkomen, het tiende deciel de 10 procent met het hoogste beschikbare inkomen.

©Photo News

Wat het begrip ‘reëel beschikbaar inkomen’ betreft, gaat het hier om het netto-inkomen van de burgers na inflatie, dus met correctie voor prijsstijgingen. Dat betekent dat ook verhogingen van indirecte belastingen zoals de btw mee in de cijfers verwerkt zitten. Verhogingen van dergelijke belastingen tasten de koopkracht aan in die mate dat de prijzen erdoor verhogen. Uit concurrentiële overwegingen rekenen bedrijven de verhogingen soms niet of maar gedeeltelijk door.

©Mediafin

De gemiddelde toename van het reëel beschikbaar inkomen beliep over de periode 2014-2020 5,2 procent. De laagste decielen komen net onder dat gemiddelde uit, net als het hoogste deciel. Dat de laagste decielen er rond 4 procent op vooruitgingen, heeft alles te maken met het regeerbeleid. Via de taxshift gaat iemand met een minimumloon van 1.500 euro er netto 146 euro per maand op vooruit. De diverse sociale minima stegen na indexaties met 5 tot 10 procent.

Door de vergelijking met het gemiddelde inkomen geven die cijfers aanleiding tot de kreet dat de armoede gestegen is. De laagste inkomens gingen er inderdaad minder op vooruit dan het gemiddelde inkomen. Maar klinkt dat toch niet een beetje vreemd als argumentatie? Als, bijvoorbeeld, het gemiddelde beschikbare inkomen er met 10 procent op vooruitgaat en de laagste decielen met 9 procent, dan nog zou de stelling luiden dat de armoede toeneemt.

Kloof

De vergelijking met het gemiddelde inkomen als toetssteen voor wat inzake armoede gebeurt, kan tot al te gekke conclusies leiden. Ik geef een ander voorbeeld. Het gemiddelde inkomen met 5 procent drukken via bijkomende belastingen en met de verworven middelen garanderen dat de laagste decielen er niet echt op achteruitgaan, zou tot de conclusie leiden dat een sterke daling van de armoede is opgetreden. De kloof tussen arm en gemiddeld verkleint, omdat men de gemiddelde burger armer gemaakt heeft, zonder de armsten ook maar één stuiver extra inkomen te bezorgen.

De vergelijking met het gemiddelde inkomen als toetssteen voor wat inzake armoede gebeurt, kan tot al te gekke conclusies leiden.

Eigenlijk zijn die armoedeargumentaties te gek voor woorden, niet het minst omdat een dergelijke aanslag op gemiddelde en hogere inkomens onvermijdelijk de economie fors in de wielen rijdt, zeker in een al zwaar herverdelend land als België. Dat vermindert ook verder de kansen van de armsten op een job en op betere inkomensperspectieven.

Garanderen dat minderbedeelden het beter krijgen is een absolute opdracht voor het beleid, maar de beste weg daar naartoe is geen botte herverdeling, wel een beleid gericht op jobcreatie en lastenverlaging voor de laagste inkomens.

Lees verder

Tijd Connect