opinie

De G7 moet niet te hoog van de toren blazen tegen China

Voorzitter Asia-Pacific van Rheinzink, een Duitse multinational

De G7 heeft het goed voor met de derde wereld. Maar laat die groep, die een almaar kleiner deel van de wereldbevolking vertegenwoordigt, vooral China niet met het vingertje wijzen.

Afgelopen weekend kwam de G7 - of groep van zeven geïndustrialiseerde naties - samen in Cornwall, in het Verenigd Koninkrijk. De G7 is een informele groep en heeft geen beslissingsbevoegdheid, maar ze heeft een betere regulering van allerhande aspecten van de globalisering als doel gesteld.

De vraag is wat de functie van de G7 nog is en wie ze vertegenwoordigt. De G7 werd in 1975 opgericht en was toen goed voor 70 procent van het wereldwijde bruto binnenlands product. Vandaag vertegenwoordigt de G7 daar nog maar 40 procent van en spreekt ze voor slechts 10 procent van de wereldbevolking. Het lijkt er meer op dat de G7 een clubje is van landen die ooit de internationale agenda bepaalden, maar nu economisch veel minder meetellen dan vroeger. In die zin kan men zich niet van de indruk ontdoen dat de G7 zich probeert vast te klampen aan iets wat ooit was, maar naar alle waarschijnlijkheid niet meer zal terugkomen.

Het lijkt er meer op dat de G7 een clubje is van landen die ooit de internationale agenda bepaalden, maar nu economisch veel minder meetellen.

Daarnaast zijn de agendapunten van de G7 ook niet meer wat ze waren. Afgaande op een van de belangrijkste agendapunten in Cornwall lijkt het er meer op dat de groep zich profileert als het machtsblok dat zich afzet tegen China en een manier zoekt om met dat land om te gaan. China werd door de Verenigde Staten in 2017 al een ‘strategische concurrent’ genoemd, en de Europese Unie nam twee jaar later de term zo goed als over toen ze China een ‘systemische rivaal’ noemde.

De essentie

  • De auteur
  • Sven Agten is voorzitter voor Asia-Pacific van Rheinzink, een Duitse multinational.
  • De kwestie
  • Tot voor kort vond de G7 het blijkbaar geen prioriteit de ontwikkelingslanden genoeg financiële middelen te geven zodat ze hun lot in eigen handen konden nemen.
  • Het voorstel
  • De G7 wijst China het best niet met de vinger op morele gronden om zijn aanwezigheid in de Derde Wereld. Afrikaanse, Zuid-Amerikaanse of Aziatische ontwikkelingslanden hebben geen goede herinneringen aan het westerse kolonialisme.

Tijdens het weekend kwam de G7 met het idee China’s One Belt One Road - de Nieuwe Zijderoute - en de daaraan gekoppelde groeiende invloed in ontwikkelingslanden tegen te gaan met een groots infrastructuurplan. Het voorgestelde initiatief Build Back Better World (B3W) is een transparant infrastructuurpartnerschap dat ontwikkelingslanden wil voorzien van kapitaal. Die landen hebben in totaal 40 biljoen dollar nodig om tegen 2035 infrastructuur te bouwen. Momenteel houdt vooral China zich daarmee bezig.

Hoogdravend

Hoe hoogdravend dat idee ook is, twee conclusies kunnen worden getrokken. Eerst en vooral achtte de G7 het tot voor het weekend ogenschijnlijk geen prioriteit de ontwikkelingslanden van genoeg financiële middelen te voorzien zodat ze hun lot in eigen handen konden nemen en economisch verder konden ontwikkelen.

Ten tweede lijkt het er sterk op dat het dankzij China is dat de G7 eindelijk drastische actie wil ondernemen om de ontwikkelingslanden structureel te helpen. De derde wereld mag China bedanken om dat probleem zo hoog op de agenda te zetten, lijkt het wel.

China heeft veel meer affiniteit met de problemen van de derde wereld dan rijke westerse landen.

Hoe kijkt de derde wereld tegen dit alles aan? Natuurlijk spelen grote geopolitieke belangen aan Chinese kant, maar het zou vreemd zijn te stellen dat alleen democratische overheden het moreel leiderschap hebben om ontwikkelingslanden voort te helpen, en dat die landen daar ook meer mee gediend zijn. Als dat het uitgangspunt is, vrees ik dat we weinig geloofwaardigheid aan de dag kunnen leggen. Afrikaanse, Zuid-Amerikaanse of Aziatische ontwikkelingslanden hebben geen goede herinneringen aan het westerse kolonialisme.

Bovendien heeft de westerse wereld postkoloniaal geen groot leiderschap aan de dag gelegd om het voortouw te nemen in de economische ontwikkeling van de derde wereld. Jaarlijks een klein beetje budget vrijmaken voor ontwikkelingshulp had blijkbaar meer tot doel het eigen geweten te sussen dan werkelijk structurele veranderingen door te voeren. China, dat op vele vlakken nog een ontwikkelingsland is, heeft bovendien veel meer affiniteit met de echte problemen van de derde wereld dan rijke westerse landen, die veel verder van die realiteit staan.

De G7 mag dan wel verklaren dat zijn initiatief een positief alternatief is voor de groeiende invloed van China, de vraag is wat de werkelijke bedoeling is. Overduidelijk is dat de G7 moreel de bal volledig misslaat.

Sven Agten

Voorzitter Asia-Pacific van Rheinzink, een Duitse multinational

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud