opinie

De pensioenhervorming blijft een werf

Het parlement stemt vandaag over de verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar in 2030. Het debat over de hervorming mag niet voorbijgaan aan kernvragen van de Pensioencommissie.

Door Frank Vandenbroucke, hoogleraar KULeuven en voorzitter van de Pensioencommissie

De beslissing over de pensioenleeftijd lag vast in het regeerakkoord en dus was een breder draagvlak dan de regeringsmeerderheid van meet af aan uitgesloten. Of een andere aanpak met meer tijd voor overleg en een uitzicht op een volledige hervorming van het pensioenstelsel wel voor een breder draagvlak gezorgd zou hebben, weet ik niet.

Het debat is alleszins gepolariseerd: de hogere pensioenleeftijd wordt door de tegenstanders verketterd, terwijl de voorstanders zich op de borst kloppen. Hoe sterker de laatste groep de indruk geeft dat het werk erop zit, hoe meer de eerste groep stelt dat het werk opnieuw gedaan moet worden. Beide posities zijn kortzichtig: op termijn moeten de leeftijdsvoorwaarden aangepast worden, maar een meer fundamentele hervorming is nodig. Het jongste verslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV) illustreert dit (De Tijd, 10 juli).

De vragen die de regering aan het Nationaal Pensioencomité stelt, mogen niet verengd worden tot specifieke thema’s. Ze moeten het geheel van de noodzakelijke pensioen- hervorming bestrijken.

Ten eerste toont de SCvV dat een hogere pensioenleeftijd een significante impact heeft op de pensioenuitgaven. Wie de stijging wil afremmen en toch fatsoenlijke pensioenen wil garanderen, zal een dergelijke maatregel niet kunnen vermijden. Daarom stelde de Pensioencommissie dat niet alleen de loopbaaneisen, maar ook de leeftijdseisen op termijn moeten evolueren.

Qua transitie en besluitvorming suggereerden we een andere strategie. Om die reden analyseert ons rapport scenario’s met een hogere pensioenleeftijd, zonder een definitief voorstel te formuleren. Het resultaat van een hogere pensioenleeftijd is onzeker, bevestigt het SCvV-verslag. In een gunstige hypothese over het pensioneringsgedrag (de verschuivingshypothese) verlagen de maatregelen op termijn de vergrijzingskost met 2,1 procent van het bruto binnenlands product (bbp), in een minder gunstige hypothese vermindert de vergrijzingskost met ongeveer 1,3 procent.

De verschuivingshypothese is vermoedelijk te gunstig: ze veronderstelt dat het pensioneringsgedrag - de mate waarin mensen eerder of later stoppen - er rond de spil van 67 jaar precies zal uitzien als het huidige gedrag rond 65 jaar: een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd met twee jaar zou zich vertalen in een gemiddeld pensioenuitstel van twee jaar.

Pensioenbonus

Waarschijnlijk zal het pensioneringsgedrag rond 67 jaar anders zijn dan rond 65 jaar en zal het feitelijke pensioenuitstel beperkter zijn. De enige prikkel om langer te werken, de pensioenbonus, wordt afgeschaft. In het pensioenstelsel zijn prikkels nodig om langer te werken, maar dit punt uit het rapport is niet weerhouden door de regering. Bovendien moeten de arbeidsmarkt en de kwaliteit van de arbeid zich aanpassen aan een groeiend aanbod van 60-plussers. Op beide fronten is werk aan de winkel.

De SCvV illustreert nog een andere onzekerheid: we weten niet hoe de economie en de demografie zullen evolueren. De SCvV berekent dat een minder voorspoedige ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit (in verhouding tot de optimistische hypothese in het referentiescenario) de vergrijzingskost verhoogt met 1,2 procent van het bbp. De arbeidsproductiviteit hangt onder meer af van de industriële structuur, de technologie, opleidingen en het menselijk kapitaal.

Ingebouwde aanpassingsmechanismen moeten instaan voor een fatsoenlijke en stabiele verhouding tussen de inkomens van gepensioneerden en actieven, wat ook de economische en demografische toekomst is

Dit brengt me bij de centrale boodschap uit ons rapport: het pensioencontract moet zekerheid bieden in een onzekere wereld. Ingebouwde aanpassingsmechanismen moeten instaan voor een fatsoenlijke en stabiele verhouding tussen de inkomens van gepensioneerden en actieven, wat ook de economische en demografische toekomst is. De regering en het parlement hebben deze kerngedachte uit het rapport, geconcretiseerd in een puntenstelsel, niet opgepikt.

De SCvV toont dat pensioenuitstel, in de optimistische verschuivingshypothese, leidt tot hogere pensioenen ondanks de afschaffing van de pensioenbonus en zo ook tot minder armoede bij ouderen. Dit ontkracht het doemdenken over de toekomstige pensioenen, maar er horen kanttekeningen bij.

Een minder optimistische hypothese dan de verschuivingshypothese leidt tot een minder goed resultaat inzake pensioenen: de afschaffing van de pensioenbonus zal dan zwaarder doorwegen op het gemiddelde pensioenniveau.

Samengedrukt

Het zou kunnen dat de werknemerspensioenen in toenemende mate samengedrukt worden tussen het minimumpensioen en een afkalvend maximumpensioen. De berekeningsplafonds, die het maximum bepalen, volgen de stijging van de lonen immers niet automatisch. Dat zou de legitimiteit van het stelsel voor werknemers met betere lonen steeds meer ondermijnen. In het scenario dat voorligt bij de SCvV is de kloof tussen de groei van de plafonds en van de lonen (die de arbeidsproductiviteit volgen) niet belangrijk, maar mochten de productiviteit en de lonen sterker stijgen, ontstaat een probleem.

Willen we een flexibele uitstapleeftijd en prikkels om langer te werken?

Kortom, bij een minder gunstige hypothese inzake productiviteit en lonen zal ons pensioenstelsel meer kosten dan voorspeld, omgekeerd, bij een hypothese die (nog) gunstiger zou zijn, is het resultaat sociaal minder bevredigend dan voorspeld. In het puntenstelsel van de Pensioencommissie volgen de plafonds de loonevolutie, zodat de maxima nooit kunnen wegzakken, maar tegelijk verzekeren ingebouwde aanpassingsmechanismen het financiële evenwicht van het stelsel, onder meer door een evoluerende norm voor een volledige loopbaan.

Een en ander onderlijnt dat het politieke debat niet mag voorbijgaan aan kernvragen uit het rapport. Willen we een stelsel dat via aanpassingsmechanismen de inkomensverhouding tussen gepensioneerden en actieven stabiliseert? Willen we de vervangingsratio’s voor beter betaalde werknemers op peil houden? Willen we een flexibele uitstapleeftijd en prikkels om langer te werken? Welk type minimumpensioenen willen we? Hoe gaan we om met wijzigingen in gezinsverbanden die dwingen om de eenvoudige tweedeling ‘gehuwd-niet gehuwd’ te verlaten? Is alternatieve financiering nodig?

Welk type minimumpensioenen willen we?

Op een hoorzitting na, besteedde het Parlement tot nu toe weinig aandacht aan het rapport. We hopen dat dit na het debat over de leeftijd verandert. Het nieuwe Nationaal Pensioencomité, waar de sociale partners in zetelen, kan het debat verbreden op één voorwaarde: de vragen die de regering aan het comité stelt, mogen niet verengd worden tot specifieke thema’s. Ze moeten het geheel van de noodzakelijke pensioenhervorming bestrijken.

Lees verder

Gesponsorde inhoud