opinie

De Wevers ‘extralegale piste’ eindigt niet in confederalisme

Advocaat grondwettelijk recht en praktijkassistent KU Leuven

N-VA-voorzitter Bart De Wever belandt met zijn ‘extralegale piste’ niet bij het confederalisme, maar wel opnieuw in een positie die hij zo graag wil vermijden: afhankelijk zijn van de Franstaligen.

Zoals de afgelopen dagen elke grondwetspecialist heeft herhaald, kunnen bevoegdheden alleen bij bijzondere meerderheid worden overgedragen aan de deelstaten. Alleen is dat niet wat N-VA-voorzitter Bart De Wever voorstelt. De Wever wil, bij gebrek aan bijzondere meerderheid, een bevoegdheid federaal laten, maar ze anders uitoefenen in de verschillende deelstaten.

In het verleden bleek het gebrek aan bijzondere meerderheid geen onoverkomelijk obstakel om communautaire stappen te zetten.

Op zich is dat niet zo ongewoon: de ambitie om federaal asymmetrisch beleid te voeren staat letterlijk in het regeerakkoord van de Vivaldi-regering. Maar De Wever wil die techniek verdergaand toepassen en niet alleen het federaal beleid verschillend doen inspelen op regionale noden, maar ook het federale besluitvormingsproces opsplitsen per taalgroep. Een federale bevoegdheid, zoals Justitie of politie, zou dan zowel een Nederlandstalige als een Franstalige minister krijgen, met een eigen administratie die wetten voorbereiden die slechts in één deelstaat gelden.

De essentie
  • De auteur: Quinten Jacobs is advocaat grondwettelijk recht en praktijkassistent aan de KU Leuven.
  • De kwestie: Volgens N-VA-voorzitter Bart De Wever is ‘de opportuniteit om dit land legaal te hervormen weg’. Het confederalisme moet daarom langs ‘extralegale weg’ worden ingevoerd.
  • De conclusie: De Wever belandt met die piste niet bij het confederalisme, maar opnieuw in de positie die hij zo graag wil vermijden: afhankelijk zijn van de Franstaligen.

Een dergelijke asymmetrische uitoefening van federale bevoegdheden of ‘bicefaal’ beleid is communautaire spitstechnologie, waarvoor grondwetspecialisten inspiratie kunnen halen uit het verleden. De Wever haalde zelf het voorbeeld aan van het onderwijs eind jaren 60, maar veel belangrijker was de voorlopige gewestvorming in 1974. Omdat een bijzondere meerderheid (met meerderheid in elke taalgroep) niet haalbaar was om te bepalen welke bevoegdheden de toen pas gevormde gewesten zouden krijgen, werd in 1974 de ‘voorlopige regionaliseringswet’ goedgekeurd.

Ministeriële comités

Met die wet werden, onder meer, drie ministeriële comités opgericht in de schoot van de federale regering: een Vlaams, een Waals en een Brussels ministerieel comité. Concreet konden zo de Nederlandstalige ministers voor bevoegdheden als tewerkstelling en volksgezondheid onderling beraadslagen over wetten die betrekking hadden op Vlaanderen. Toenmalig bevoegd minister Robert Vandekerckhove (CVP) zei in de Senaat dat ‘het gebrek aan bijzondere meerderheid geen reden mocht zijn om te wachten op de weg naar decentralisatie’. Nadat de koudwatervrees van alle politieke partijen was overwonnen, werden de bevoegdheden later bij bijzondere meerderheid overgedragen aan de gewesten.

Ook de nationale sectoren werden in 1984 feitelijk gesplitst, zonder de bevoegdheid onmiddellijk formeel over te dragen. Onder de slogan ‘geen Vlaams geld meer voor het Waalse staal’ waren alle Vlaamse partijen, op Agalev na, voorstander van een overheveling van onder meer het beleid omtrent de staalsector naar de gewesten. Met uitzondering van de PS waren alle Franstalige partijen tegen. Bij gebrek aan bijzondere meerderheid werd bij gewone meerderheid een wet goedgekeurd die opnieuw ministeriële comités in het leven riep. Bovendien werd een financieringsmechanisme uitgewerkt dat de Franstaligen moest responsabiliseren bij investeringen in de oude Waalse staalindustrie. Opnieuw bleek het gebrek aan bijzondere meerderheid geen onoverkomelijk obstakel om communautaire stappen te zetten.

Juridische conclusies

De vraag rijst welke juridische conclusies we uit die historische voorbeelden kunnen trekken. Wel, in de eerste plaats moet de federale overheid elke ongelijke behandeling tussen Vlamingen, Brusselaars en Franstaligen redelijk verantwoorden. Anders leidt asymmetrisch beleid tot discriminatie. Over het opsplitsen van het federale besluitvormingsproces oordeelde de Raad van State bovendien meermaals dat de Grondwet verbiedt ministeriële comités beslissingsrecht toe te kennen. Een Vlaams ministerieel comité dat bestaat uit de Nederlandstalige federale ministers kan daarom beraadslagen en adviseren, maar niet beslissen.

Een verregaand federaal asymmetrisch beleid mag dan wel een soepele uitweg uit de institutionele stilstand zijn, een wonderoplossing is het niet.

Dat neemt niet weg dat de federale regering onderling kan afspreken telkens het advies van de ministeriële comités de facto te volgen. Maar de Vlamingen en de Franstaligen hebben geen stok achter de deur om dat ook af te dwingen van elkaar, waardoor ze voor het slagen van zo’n asymmetrisch avontuur aangewezen zijn op elkaars goodwill. Voor het splitsen van budgetten tussen de taalgroepen geldt hetzelfde: ook daarover kan een federale regering uiteraard afspraken maken, maar de overschrijding van het budget door de andere taalgroep sanctioneren is andere koek.

Zo belandt Bart De Wever met zijn ‘extralegale piste’ niet bij het confederalisme, maar opnieuw in de situatie die hij zo graag wil vermijden, namelijk afhankelijk zijn van de Franstaligen. Een verregaand federaal asymmetrisch beleid mag dan wel een soepele uitweg uit de institutionele stilstand zijn, een wonderoplossing is het niet. De vraag is of er een alternatief is.

Op vrijdag 10 februari organiseert de KU Leuven een studiedag over federalisme en staatshervorming.

Gesponsorde inhoud
Tijd Connect
Tijd Connect biedt organisaties toegang tot het netwerk van De Tijd. De partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud.
Partnercontent
Partner Content biedt organisaties toegang tot het netwerk van De Tijd. De partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud.