opinie

Debat over begrotingstekort schiet zelf te kort

Professor Publieke Economie aan Stirling University in Schotland en verbonden aan de KU Leuven

Het geld is niet op, we moeten het gewoon beter uitgeven. Dat betekent slimmer hervormen en investeren, maar vooral ook de juiste vragen stellen.

Nu de begrotingsopmaak voor 2021 op gang komt en de rode cijfers iets roder kleuren door de coronacrisis, duiken ook de bekende slogans weer op. ‘Het geld is op! Wie gaat dat betalen? Dringend de broeksriem aanhalen!’ We kennen het riedeltje omdat sensatie nu eenmaal verkoopt, maar de genuanceerde waarheid ligt in het midden. Het geld is niet op, we moeten het gewoon beter uitgeven. Dat komt neer op slimmer hervormen én investeren. Maar vooral ook de juiste vragen durven te stellen.

Helaas strandt het publieke debat vaak in een rondje zwartepieten.

Helaas komt het publieke debat zelden zo ver en stranden we vaak in een rondje zwartepieten. Ook deze keer verwijt de N-VA de federale regering dat ze de uitgaven laat oplopen en schieten federale politici terug dat het Vlaamse tekort de dieperik in duikt. In dit geval des te pijnlijker, omdat op korte termijn beide overheidsniveaus weinig te verwijten valt. De kosten van het vangnet waarmee we de coronaschok opvingen zijn enorm, maar we hebben er wel duizenden bedrijven en honderdduizenden jobs mee gered. Die overheidssteun was de moeite waard, is niet groter dan in onze buurlanden en is wegens zijn tijdelijke karakter ook niet zo problematisch. Wat ons brengt bij de echte indicator van gezonde overheidsfinanciën: de houdbaarheid van de expliciete en vooral de impliciete staatsschuld.

De essentie

  • De auteur
  • Willem Sas is professor publieke economie aan de Universiteit van Stirling en verbonden aan de KU Leuven.
  • De kwestie
  • De begrotingsopmaak voor 2021 komt op gang en de rode cijfers kleuren roder door de coronacrisis. Het geld is op, wordt dan gezegd.
  • Het voorstel
  • Het geld is niet op, we moeten het beter uitgeven: slimmer hervormen én investeren, en de juiste vragen durven te stellen.

Laat ons beginnen met de expliciete schuld. Dat is de uitstaande schuld en het huidige tekort, uitgedrukt in % van het bruto binnenlands product. Voor België komt dat voor 2020 op een uitstaande schuld van 115% en een tekort van 9,3%. Dat is nog klein bier vergeleken met de VS, waar dit jaar de schuld aandikt tot 129% en een deficit gaapt van 14%. In 2021 wordt nu weinig beterschap voorspeld, maar zodra de steunmaatregelen worden teruggeschroefd raakt het tekort grotendeels vanzelf gedicht.

Ander beestje

Net omdat ze tijdelijk zijn, zijn zulke cijfers helemaal niet sensationeel. Ze zijn eerder een teken dat overheden doen wat ze vroeger minder (in 2008) of helemaal niet (in 1930) deden: de vrije markt rechthouden. We leven ook in andere tijden, waarin zo’n tijdelijke steun best te financieren valt. Door de vergrijzing, de technologische vooruitgang en de globalisering nam de reële interestvoet de laatste 40 jaar af, tot recent zelfs negatieve niveaus. Dat betekent dat de overheid zich kan (her)financieren op de financiële markten tegen spotprijzen, en soms zelfs betaald wordt om zelf te lenen.

Een schuld van 115% wanneer de interestvoet voor een staatslening op tien jaar schommelt rond de huidige 0% is dus een heel ander beestje dan diezelfde schuld in 1995, toen de interestvoet nog 7,5% stond. Dat zie je ook in het kelderen van onze jaarlijkse interestlasten: van 9% van het bbp in 1995 naar 1,6% in 2021. We kunnen de expliciete schuld dus langzaam afbouwen in een tempo dat de groei niet fnuikt.

De echte uitdaging ligt niet op de korte, maar op de langere termijn, bij alle uitgaven die de overheid nog te wachten staan. Dat is de impliciete schuld.

De echte uitdaging ligt niet op de korte, maar op de langere termijn, bij alle uitgaven die de overheid nog te wachten staan. Dat is de impliciete schuld. Die uitgaven lopen immers tot 2050 stevig op, en daar is één hoofdreden voor: de vergrijzing. Er zijn ook alleen maar structurele oplossingen voor, wat meteen verklaart waarom politici graag de aandacht afleiden door te schermen met de jaarlijkse begrotingscijfers. Het gaat hier immers om moeilijke maatschappelijke keuzes over de pensioenen en de gezondheidszorg. Langer werken klinkt goed, tot je zelf een burn-out hebt. Het beperken van terugbetaalbare, peperdure medische ingrepen klinkt logisch, tot je moeder die zeldzame kanker heeft.

Natuurlijk is er nog (relatief) laaghangend fruit om eerst te plukken. Er ligt een pensioenplan klaar en de ziekenhuisfinanciering kan en moet beter. Als we nog meer investeren dan de schamele 6 miljard voorzien in het relanceprogramma - gefinancierd door de EU - dan krikken we het bbp op met meer dan de jaarlijkse 0,2% die nu voorspeld wordt. Tegen de huidige interestvoeten betaalt zich dat ruimschoots terug, wat ook goed is voor de overheidsinkomsten. Zeker als we kunnen komen tot een brede fiscale hervorming en efficiënter federalisme.

Maar we moeten ook als samenleving de harde noten durven te kraken. Hoelang willen we werken en leven, en met welke kwaliteit? Want dat kost wel geld.

Willem Sas

Professor publieke economie aan de universiteit van Stirling en verbonden aan de KU Leuven

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud