opinie

Economische argumenten voor investeringen in kunst

Om de vijf jaar laait het debat over de (on)zin van cultuursubsidies op. Sommigen zeggen dat kunstenaars meer marktconform moeten werken. Economisch onderzoek spreekt dat argument tegen. Tegelijk is het de vraag welke economische argumenten er dan wel zijn om te investeren in de kunsten.

Door Bart Van Looy en Joris Janssens. Van Looy is hoogleraar Innovatie en Organisatie aan de KU Leuven en decaan van Flanders Business School. Janssens is expert bij IDEA Consult, ex-directeur van Vlaams Theater Instituut en ex-hoofd O&O bij Kunstenpunt.

Met kunst kun je geld verdienen, veel zelfs. Deze week was er commotie over Comedian van kunstenaar Maurizio Cattelan, de met ducttape tegen de muur gekleefde banaan die op de kunstbeurs Art Basel in Miami 120.000 dollar (108.000 euro) opbracht. Tegelijk bevinden heel wat kunstvormen en kunstenaars zich in een precaire financiële situatie en blijkt een derde betaler (de belastingbetaler of sponsors) noodzakelijk. Is dat dan omdat die kunstenaars niet goed bezig zijn? Zijn ze te weinig ondernemend of publieksgericht?

©RV DOC

Het antwoord vraagt om nuance. In de jaren 1960 al stelden William Baumol en William Bowen dat de financiële ellende van de podiumkunsten niet voortkomt uit slecht management of een gebrek aan kwaliteit. Volgens hen ging het om een structureel kenmerk van de markt voor theater of orkesten. Ze noemden dat de ‘cost disease’: het professioneel beoefenen van de kunsten wordt relatief duur omdat je stijgende loonkosten niet kunt compenseren door een toename van de productiviteit.

Naast de productiekosten spelen ook de aard van het businessmodel (producten versus diensten) en de omvang van het publiek (populair of niche) een rol. Als je die elementen combineert, dan krijg je een typologie die helpt te begrijpen welke kunstvormen marktconform kunnen werken en welke niet. Een artiest die kiest voor het podium en er niet in slaagt om duizenden mensen tegelijk te bedienen, heeft het moeilijk om de rekeningen te doen kloppen. Dat is al eeuwen zo.

Kunst maakt ons rijker als mens en maatschappij, op het vlak van emoties, gezondheid, reflectie en zingeving.

In het debat worden alle kunstvormen echter op een hoop gegooid. De econoom Paul De Grauwe stelde onlangs dat subsidies alleen nodig zijn bij de start en dat de markt het daarna wel overneemt. Quod non: zonder derde betaler verdwijnt een deel van het huidige (professionele) kunstenlandschap. Je zal mogelijk nog naar de cantates van Bach kunnen luisteren, maar dan enkel gedragen door voluntarisme.

Marktfalen

De hamvraag is: moeten we daarvoor ook belastinggeld mobiliseren? Het antwoord heeft niets te maken met productiviteitsvraagstukken, wel met de aan- of afwezigheid van externe effecten. Creëert kunst effecten die de individuele kunstbeleving overstijgen en die niet kunnen worden vertaald in de ticketprijs van de cultuurconsument? Is er sprake van marktfalen, zoals we dat bijvoorbeeld observeren bij fundamenteel wetenschappelijk onderzoek? Voor ondernemingen is het vaak niet rationeel daarin te investeren, terwijl de welvaartseffecten op middellange termijn aanzienlijk zijn.

©RV DOC

Voor de kunsten is daarover discussie. Opnieuw De Grauwe verwees in De Morgen naar onderzoek van ondergetekenden voor het Vlaams Theater Instituut. Daaruit zou blijken dat kunstsubsidies in twee- of zelfs drievoud terugvloeien naar de staatskas. Kunstsubsidies als de kip die gouden eieren legt en het begrotingstekort laat smelten als sneeuw voor de zon.

Dat is flauw. Onze studie sprak niet over een keynesiaanse ‘multiplicator’. We onderzochten of overheidssteun resulteert in een afname van marktoriëntatie of het ondernemerschap. Dat is niet zo. De ratio dat 1 euro subsidies 2,5 euro oplevert, betreft de verhouding tussen subsidies en de totale omzet van structureel gesubsidieerde kunstorganisaties.

Organisaties die geld ontvangen vanuit het Kunstendecreet halen vaak het grootste deel van hun omzet bij het publiek en bij partners. Subsidies zijn een hefboom. Die hefboomwerking is belangrijk omdat ze impact en participatie van het publiek signaleert. Ze kan ook een bouwsteen zijn om overheidsmiddelen effectiever in te zetten.

Kwantificeerbaar

Maar hoe zit het nu met die positieve externe effecten? We zien er een aantal die ook kwantificeerbaar en empirisch gedocumenteerd zijn.

Naast 1 op 1-bijdragen wat betreft onder meer de RSZ (die direct terugvloeit naar de overheid) gaat het in eerste instantie over wijkontwikkeling. In de jaren 1980 was het Antwerpse Zuid een problematische buurt. Begin jaren 90 werd het een interessante plek om te vertoeven, mede dankzij bohemiens die er woonden omdat het betaalbaar was. De Pacific en het Zuiderpershuis werden hotspots. La Fura dels Baus liet de Gedempte Zuiderdokken op hun fundamenten daveren. Antwerpen was effectief de culturele hoofdstad van Europa in 1993. Mensen die daar toen geïnvesteerd hebben in vastgoed kunnen vandaag rentenieren.

Bij locatiebeslissingen van bedrijven figureert cultuur in elke top vijf van elementen die meespelen.

Dat brengt ons bij locatiebeslissingen van bedrijven. Cultuur figureert in elke top vijf van elementen die meespelen. Ondernemingen kiezen voor locaties waar getalenteerde medewerkers ook willen wonen met hun gezin. Onderwijs en cultuur worden beslissingsvariabelen.

Volgens ons ligt de belangrijkste reden om de kunsten te subsidiëren echter elders. Kunstenaars raken hun publiek. Ze creëren emotie, ze experimenteren met betekenis en vorm. Ze houden een spiegel voor, confronteren. Kunst maakt ons rijker als mens en maatschappij, op het vlak van emotie, gezondheid, reflectie en zingeving.

Kunstenaars vervullen maatschappelijk een rol op het vlak van betekenis. En dat inspireert niet alleen toeschouwers, maar ook andere (creatieve) sectoren en de maatschappij in haar geheel. Daar ligt de essentie en de legitimering van investeringen in de kunsten. Hoe collectief je dat wil organiseren, is eigenlijk een ander en breder debat.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud